dinsdag 16 januari 2007

Blogs breken door! Politici bloggen ook!

In de Standaard van vandaag staat een artikel over de Belgische blogwereld. Het punt is, in technologische voorlopers als de VS heeft het verschijnsel "blog" zich al enkele jaren een vaste plaats verworven in het landschap. Recenter zijn andere landen gaan volgen, en hoewel België eerder achterop loopt begint ook hier duidelijk iets te bewegen. Leuk als weetjes, ongetwijfeld, maar dat is niet de reden om er op in te pikken. Veel verrassender was het symptoom waaraan we kunnen aflezen dat er in België iets beweegt: "haast alle europarlementsleden en commissarissen hebben tegenwoordig een eigen blog".

Ik twijfel er geen moment aan. Maar als ik wil weten of er in één of ander fenomeen veel, weinig, of helemaal geen leven zit, is ongeveer het allerlaatste dat ik wil weten of de politiekers er aan meedoen. Zeker, zeker, de mogelijkheden aan publiciteit trekt ze aan als vliegen naar aas, maar die vergelijking drukt meteen uit waarom ze zo weinig relevant zijn: in aas zit niet noodzakelijk leven, maar vliegen aantrekken... daar is het heel goed voor. Politiekers krijgen dan ook vanzelf al een hoop aandacht in allerlei aas zoals de media die - naar ik vaak denk - mogelijk liever wat meer over serieuze onderwerpen zouden publiceren. Maar ja, je kan je als krant of radio of tv nu eenmaal niet permitteren om de prononceersels van de alfamannetjes (1) te negeren. Als vliegen op aas, dus.

Terwijl, als de blogs, of welk ander verschijnsel ook, iets voorstellen, dan zal het zijn omdat mensen er iets mee te zeggen hebben. Ik bedoel, gewoon, omdat iets ze interesseert, of omdat ze er zelfs passie voor voelen, of omdat ze er hun poëzie, of hun fantasie op kwijt kunnen, en al die andere dingen aan het ander extreem van het spectrum waar de alfamannetjes in het centrum van de belangstelling willen staan.

Want laten we serieus zijn. Wie leest in godsnaam al die posts van politiekers? Zelf betrap ik me geregeld op het volgende. Ik zit onschuldig een artikel in mijn krant te lezen, en na enkele zinnen valt mijn oog op de naam van de auteur: weer de één of andere politieker. Zonder dat ik me daar ooit een bewust besluit over heb gevormd stop ik direct met lezen. Ergens in mijn onderbewustzijn herinnert een instantie me er aan dat ik niet een tekst aan het lezen ben van iemand die iets te zeggen heeft, maar van iemand die aan de volgende verkiezing denkt. En dààr maak ik geen tijd voor.

Ik ben maar één stemmer op enkele miljoen stemgerechtigde Belgen, maar het zou me niets verbazen als ik hiermee niet de enige ben. En daarom opnieuw: wie léést die posts van politiekers? Oh, ze zullen een hoop hits hebben, natuurlijk. Er is zeker de inteelt die komt van het feit dat ze elkaar in de gaten moeten houden. En er is, als spiegelbeeld van de psychologie van het alfmannetje (2), ook de hele serie beta's en gamma's, die de drang voelen tot submissief gedrag, en voor wie deze posts verplichte lectuur zullen zijn. Je moet er geen moment aan twijfelen dat de politiekers zelf het aantal posts door politiekers een belangrijke maatstaf voor de relevantie van blogs zullen vinden.

Maar voor mensen die echt ergens mee bezig zijn? Komaan, zeg.

--------------------------------------------------
(1) http://speelsmaarserieus.blogspot.com/2007/01/waar-treffen-we-alfmannetjes-aan.html
EN http://speelsmaarserieus.blogspot.com/2007/01/en-nog-mr-alfamannetjes.html
(2) http://speelsmaarserieus.blogspot.com/2006/05/meloen.html

maandag 15 januari 2007

De Filosofie van de Fout

Vele jaren geleden was ik lid van een Antwerpse schaakclub. Er waren enkele van de betere spelers van België actief , en daaronder de hele waaier die je kan verwachten: subtoppers, middelmaten (zoals ikzelf), zwakke spelers en echte beginners. Op een dag gooide ik met een artikeltje in het clubblaadje een knuppel in het hoenderhok dat de pluimen in het rond vlogen. Dat gebeurde met de stelling "de filosofie van de fout".

De stelling ontwikkelde zich als volgt. Er is een wereldampioen schaken. En er is een beperkte kring van absolute topschakers, die van de wereldkampioen vaker verliezen dan winnen, maar die er tenminste af en toe van kunnen winnen. En daaronder heb je een iets ruimere kring van topgrootmeesters, met daaronder de gewone grootmeesters, en daaronder de grootmeesters die misschien een tikje geluk hebben gehad bij het binnenhalen van de titel, en daaronder heb je de absolute topmeesters die iedereen herkent als toekomstige grootmeesters, en daaronder heb je de zeer sterke meesters, en daaronder de gewone meesters, en daaronder de meesters die misschien een beetje geluk hebben gehad... Ergens rond dat niveau vond je destijds de spelers die deelnamen aan het kampioenschap van België, waarvan er enkele op mijn club zaten. Plus, dus, die Belgische subtoppers, clubtoppers, clubsubtoppers, middelmaten, zwakke spelers en beginners. So far, so good.

De vraag was: waarom wint de wereldkampioen vaker van de absolute toppers dan omgekeerd? En wat kan het antwoord eigenlijk anders zijn dan, heel concreet, omdat de wereldkampioen net iets minder fouten maakt dan de absolute top, of, als hij er evenveel maakt, zijn het "kleinere" fouten; minder gemakkelijk af te straffen, dat soort dingen. En waarom winnen de absolute toppers vaker van de topgrootmeesters dan omgekeerd - en waarom winnen die op hun beurt vaker van de gewone grootmeesters dan omgekeerd, enzovoort? Omdat de absolute top iets minder en/of kleiner fouten maakt dan de gewone top, en die laatste weer iets minder dan de gewone grootmeesters, en... zovoort!

Natuurlijk, je kan proberen het hele proces te beschrijven in termen van "geniaal" (genialer), en briljant(er) en begaafd(er) en vele andere, maar al die termen zijn pure metafysica. Noem het romantiek, als je dat woord liever hoort. Het is ongetwijfeld een goede beschrijving van de realiteit als je zegt dat de wereldkampioen schaken een briljante schaker is. Daarmee drukken we evenwel alleen maar een zekere bewondering uit, en een zeker enthousiasme, maar de term bevat geen enkele causaliteit. In de concrete realiteit uit die briljantie zich in concrete schaakpartijen, en concrete schaakpartijen spelen zich zet per zet af, nu wit, dan zwart, dan weer wit, enzovoort. De uiteindelijke oorzaak van beter en slechter, van winnen en verliezen, zit in de kwaliteit van die individuele zetten. Het zal gaan om superieure strategie, of superieure tactiek, en dus ook om de samenhang, maar desondanks, uiteindelijk gaat het over timing en volgorde en rendement van individuele zetten. En dus zit de causaliteit van winnen en verliezen in zetten, waarbij de winnaar hij is die bij het zetten het minste fouten maakt.

Maar als de wereldkampioen wint tegen de absolute top omdat hij minder fouten maakt, en de absolute top wint tegen de gewone top om dezelfde reden, dan maakt de gewone top al een aardig pakje meer fouten dan de wereldkampioen. En de lichtgebakken grootmeesters maken er nog meer, en de absolute meesters maken er nog meer dan de vorige. En als je alle niveau's hebt doorlopen (en in werkelijkheid zijn er volgens mij eerder meer dan minder niveau's dan wat ik beschreven heb) tot bij de subtoppers en middelmaten van de Antwerpse schaakclub...

Wat kan je conclusie anders zijn dan dat die subtoppers en middelmaten de ene fout na de andere maken, en dat een aanzienlijk deel ervan bij een beetje grootmeester de tranen over zijn wangen zou doen lopen van het lachten?

Maar dat kwam niet goed! Oeoeoeoeoeoeoewwwww... Man, dat kwam niet goed! Schaken, moet je weten, is een discipline waarover een uitgebeide literatuur bestaat. Je kan een hoop technieken aanleren, over hoe je een toren moet gebruiken, en wanneer een loper sterker is dan een paard, en wanneer het omgekeerd is, en hoe je met een koning één, of twee, of drie oprukkende pionnen kan blokkeren, en vele, vele andere. Op die technieken zitten al die clubschakers, met matig resultaat te blokken en studeren, waarna ze het in hun eigen partijen proberen toe te passen. En als je ze bezig ziet, uren en uren voorovergebogen, met hun hoofd in hun handen, zitten piekeren over hun plannen, vertaald in individuele zetten, dan begrijp je onmiddellijk dat ze er echt heel hard mee bezig zijn. Ze zijn echt heel diep aan het nadenken, en ze steken er echt heel veel energie in. Alles zonder enige schamperheid of ironie gezegd, ik heb me er zelf jarenlang met veel enthousiasme mee bezig gehouden.

Alleen... Het laatste, maar dan werkelijk het allerlaatste dat je je daarbij kan (wil) voorstellen, is dat al die inspanningen en al dat denkwerk alleen maar leiden tot de ene hallucinante blunder na de andere.

En dus stak er een storm van weerstand op, die de vergelijking kan doorstaan met mijn bewering dat financiële voorspellingen niet tegelijk nauwkeurig (ik had destijds "betrouwbaar" gezegd) kunnen zijn, en tegelijk publiek bekend (1). Let wel, niemand kon antwoorden op de vraag waarom zij dan haast altijd tegen de kampioen van België verloren, terwijl die haast altijd tegen sterke meesters verloor, terwijl die haast altijd tegen aankomende grootsmeesters verloren, enzovoort tot helemaal bovenaan in de hiërarchie. Niemand kon daar een zinnig antwoord op geven, maar het was desondanks, zeer zeker, "jamais de la vie", "nog liever dood" en on - mo – ge - lijk een kwestie van "wij maken nu eenmaal praktisch de hele tijd fouten” - de ene nog lachwekkender dan de andere.

Het komt vrij vaak voor dat simpele, quasi rekenkundige waarheden open en bloot recht onder de ogen van iedereen liggen, maar dat niemand ze kent, omdat niemand ze wil kennen.

Daarom heeft dit verhaal ook nog een moraal. In de wereld van het schaaktoernooi heeft het resultaat van wat we doen een heel onmiddellijk resultaat. Winnen of verliezen, een hoog klassement of een laag klassement. Maar ook in het dagelijks leven, denk ik, produceren we een eindeloze stroom gepruts. Hoeveel dingen doen we niet, die we "eigenlijk" en "ergens" beter hadden kunnen doen? Omdat het over kleine, vaak onbelangrijke dingen gaat worden die helemaal niet, of uiterst zelden, afgestraft met het equivalent van "oei, ik ben een pion kwijt". En toch... Ruim meer dan de helft van de mensen denken dat ze "beter dan gemiddelde” automobilisten zijn. Ze geloven er even vroom in als de clubschakers die geloven dat de zetten die ze spelen het welgevormd product van een doorgedreven denkproces zijn. Is het niet jammer dat rijgedrag niet zoals schaakgedrag in klassementen kan omgezet worden? Zou niet een deel van de ongevallen verdwijnen als een hoop ingebeelde haantjes bij het zien van hun klassement enkele illusies armer werden?

---------------------------------------------------------------
(1) http://speelsmaarserieus.blogspot.com/2006/11/financile-voorspellingen.html
en de links beneden in die post.

zaterdag 13 januari 2007

Bush eist "alternatieven"!

Ik ga niet herhalen wat ik er eerder over gezegd heb. Maar het is goed dat ik het op voorhand gezegd heb, en daar kan ik wel eens aan herinneren:

http://speelsmaarserieus.blogspot.com/2006/11/voetje-voor-voetje.html

En:

http://speelsmaarserieus.blogspot.com/2006/07/de-vaas-ligt-in-scherven-op-de-grond.html

In twee woorden: het is natuurlijk gemakkelijk, maar ook heel goedkoop, eerst een vaas in scherven te laten vallen, en vervolgens van de mensen die dat "beleid" bekritizeren te eisen dat ze "alternatieven" geven voor ze zelfs maar mogen dat beleid bekritizeren.

Het spijt me (heb ik toen gezegd), maar van die boer geen eieren. Natuurlijk is het een goed idee om oms af te vragen hoe het nu verder moet met de ongelofelijke puinhoop die het beleid van Bush gecreëerd heeft. Maar het feit dat iemand die puinhoop niet zomaar kan rechttrekken ontneemt hem natuurlijk net zomin het recht om het eerstvolgende dronken narrenplan af te wijzen, als het feit dat ik een gebroken vaas niet kan herstellen me belet op te merken dat we de vaas nooit op de grond hadden moeten laten vallen.

"Met die kwispels, niet meer".

Ik haal rechts in, want...

Een tijdje geleden hing er langs Vlaanderens autowegen een reeks affiches als campagne tegen middenvakrijders (1). Er stond in grote, goed leesbare letters "u rijdt links, want...", gevolgd door één of andere tekst - ergens tussen absurde humor en pure slapstick in - die redelijk goed in de verf zette dat het een goed idee was om op lege autowegen rechts te rijden. Ik ben al vergeten wat voor invullingen de campagne precies kreeg, maar ik herinner me dat een andere campagne met dezelfde vorm ging als "u rijdt te snel, want..." gevolgd door "uw voorvader was piraat". Iets dergelijks.

Maar nu is er dus een campagne die waarschuwt tegen rechts inhalen. "U haalt rechts in, want..." begint de affiche, en het gaat verder met "u leeft op het randje" (of zoiets).

Maar het antwoord is veel simpeler. Neen, ik haal niet rechts in omdat ik aan het randje leef. Ik haal wel rechts in omdat er reeksen chauffeurs zijn die nog niet reageren op de campagne met "u rijdt links want...". Het probleem (en zelfs de chauffeurs die in het midden rijden ervaren het als een probleem, getuige de boze reacties die je vaak krijgt wanneer je ze rechts inhaalt) is heel gemakkelijk oplosbaar. Iedereen houdt op met op het middenvak te rijden wanneer er op het rechtervak kilometers leeg asfalt te zien is, en ik zal ophouden met rechts in te halen. Beloofd.

-----------------------------
(1) http://speelsmaarserieus.blogspot.com/2006/11/middenvakrijders.html

vrijdag 12 januari 2007

Amerikaanse Presidentsverkiezingen 2,008

Sinds enkele jaren geeft de volgende site een goede opvolging van de Amerikaanse verkiezingen:

http://www.electoral-vote.com/

De site is Democratisch gezind zonder hysterisch te doen, en als je gewoon wil weten wat de polls zeggen of hoe het profiel van de kandidaten er uitziet kan ik het iedereen aanraden. Natuurlijk, zoals hij zelf zegt, in dit stadium is dat allemaal bezigheidstherapie. Maar dat is nu juist wat ik er zo vertederend aan vind! Elke vier jaar neem ik me weer voor om het deze keer vanaf het begin te volgen, en telkens weer komt het er niet van... En jaren later vraag ik af wie ook weer die totaal onbekende namen waren, waar ooit zoveel sprake van was, en zodra het spel helemaal op gang kwam weer helemaal in de vergetelheid weggleden. Of omgekeerd, natuurlijk. Terugdenken aan die Jimmy Carters en Billy Clintons heeft ook iets heel boeiends. Je weet wel, in de tijden dat er met een zekere toegefelijkheid over hen werd geschreven. Zo van “ja, momenteel zijn dat nu eenmaal de kandidaten, en in afwachting dat de zwaargewichten het terrein betreden is dat waarover we dan maar schrijven.”

Dus laat ik maar eens een blik op het huidige veld gooien – wie weet hoe vertederend dàt er binnen enkele jaren zal uitzien! Natuurlijk, deze keer is er geen zittende president of vicepresident onder de kandidaten, en dat maakt op het eerste zicht dat er al veel meer zwaargewichten zijn. Was het niet zo dat er vier jaar geleden in dit stadium een beetje schamper werd gedaan over “the nine dwarfs” als het over de kandidaten ging?

Overigens ben ik het wat dat betreft oneens met de site, en blijkbaar met de hele wereld. Ik denk niet dat Kerry een “dwarf” was, en ik denk ook niet dat hij “een zwakke campagne heeft gevoerd”. Zoiets lijkt me puur een vorm van denken vanuit het resultaat. Het is diezelfde “zwakke campagne” die er in geslaagd is hun electorale basis op lang niet meer gezien schaal te mobilizeren. Het was één van de prestaties van het andere kamp dat ook zij daar in geslaagd zijn, en het was één van de verrassingen dat de religieuze fundamentalisten op die schaal de moeite hebben genomen om voor de winnaar te stemmen. Maar dat kan alleen maar betekenen dat – minstens in dit opzicht - beide campagnes sterke campagnes waren, en slechts één van beide kan nu eenmaal de beste zijn.

En het scheelde ook helemaal niet zoveel, het hing van het resultaat van één staat af, en in minstens één van die staten was dat resultaat zeer nipt. Kortom, voor hetzelfde geld was de uitslag wel degelijk anders geweest. Dan hoorden we nu al twee jaar lang analyses over de ijzersterke campagne van Kerry, en hoe nog maar eens de verkiezing gewonnen waren door de duidelijke overwinnaar in de voorafgaande debatten, en het zou Bush geweest zijn waarvan we nu vernemen hoe een stamelende, verwarde president niet opkon tegen de charismatische, klaarziende tegenstander, etcetera, etcetera... Dezelfde Bush en Kerry waar we het nu in heel andere termen over hebben.

Binnen twee jaar zou de campagne er wel eens heel anders kunnen uitzien. Natuurlijk, zoals de site ons herinnert, in politiek is een week een lange tijd. Als de verkiezing vandaag werd gehouden, dan zou de strijd zich eigenlijk afspelen tijdens de Democratische voorverkiezing. Immers, zoals ik in 2,004 al dacht, en heel serieus dacht en schreef, als de keuze was tussen Bush en een willekeurige chimpansee uit het oerwoud, dan kon je maar beter de chimpansee kiezen. Vandaag denk ik niet alleen dat de feiten me gelijk geven, maar dat de Amerikanen dat stilaan ook doorhebben. (Nu, dat is natuurlijk alleen maar mijn mening, en die mening heb ik alleen maar vrij geuit.) In elk geval denk ik dat, om die reden, vandaag de vraag zou zijn wie de Democratische voorverkiezing wint, want die wordt dan president. De Republikeinse partij is momenteel zulk een puinhoop dat de Republikeinen zelf in de verleiding moeten zijn om op de Democraten te stemmen.

Maar zoals gezegd, de toestand vandaag en de toestand over een kleine twee jaar... Het zal wel degelijk belangrijk zijn dat de partijen hun zwaargewichten de strijd insturen. Wat dat betreft, kan je je werkelijk voorstellen dat al die poeha rond Obama er dan nog zal zijn? Ik niet – en je mag me er gerust aan herinneren als hij binnen twee jaar als de volgende Jimmy of Billy de eed aflegt. Maar nu, in januari 2,007 lijkt het me dat hij al héél goed wegkomt als hij voor vicepresident in aanmerking komt. Een grote toekomst, dat wil ik best geloven, maar in 2,008? Het is voor mij moeilijk te geloven.

En voor de rest... De zwaargewichten zijn ook in mijn ogen de zwaargewichten, en de outsiders zijn ook voor mij de outsiders. Zal het niet interessant zijn te zien welke namen nu nog niet eens of nauwelijks vermeld staan tussen die kandidaten, over een dik jaar alle dagen voorpagina nieuws zijn?

Warm, voor januari

Als ik zie hoeveel inspanningen mensen deze dagen leveren, om te vertellen dat (a) de temperaturen weliswaar veel warmer zijn dan "anders", en (b) dat er toch geen redenen zijn om aan te nemen dat er iets aan de hand is, laat staan dat de mens daar zelf iets mee te maken zou kunnen hebben, dan stel ik een verandering van perspectief voor.

In dat nieuw perspectief meten we niet langer, als we de staat van de ecologie willen kennen, welke temperaturen er gehaald worden doorheen de verschillende maanden. Ik stel voor dat we de staat van de ecologie afmeten aan de hand van hoeveel artikelen en blogposts er nodig zijn om te zeggen dat er desondanks niets aan de hand is.

donderdag 11 januari 2007

Het Zilverfonds

De Standaard stuurt me naar het blog van ene Bruno Segers, en wel naar het volgende artikel:

http://segersbruno.spaces.live.com/blog/cns!8C08E27D447F4396!875.entry

Dat artikel stelt voor om onze financier Albert Frère manager te maken van het Zilverfonds. Met het soort returns dat die realiseert is het probleem van de vergrijzing meteen opgelost.

Rrrrrrrp! Rrrrrrp! Rrrrrrrrp! Rood alarm! Toch eens nadenken voor ik mijn mond opendoe. De stijl van het artikel heeft iets dat me opvalt als "luciede". Het lijkt serieus, maar het zou wel eens speels kunnen zijn. Want als een hallucinant idee op luciede toon wordt voorgesteld... Wel, ik denk dat het ironie is, en dat ik er eigenlijk ben ingelopen.

Als ik er helemaal was ingelopen zou ik al een schampere tekst zitten schrijven. Nu is het alleen een opportuniteit om aan enkele dingen te herinneren. Ten eerste, dat Zilverfonds.

Iedereen weet dat de staat schulden heeft. Iedereen weet ook dat sommige onderdanen geld hebben. Dus leent de staat geld bij die onderdanen. De concrete vorm waarop dat gebeurt is dat de staat op een stuk papier schrijft: "Oewaarde landgenoten, ik verklaar dat ik (bijvoorbeeld) binnen een jaar (bijvoorbeeld) 1,000 euro (plus interesten) zal betalen aan de persoon die me dit stuk papier geeft." We noemen dat stuk papier een "overheidsobligatie", en natuurlijk geeft de staat dat stuk papier niet af zonder dat iemand eerst die 1,000 euro voorschiet. Ziedaar de manier waarop de lening gebeurt.

Wanneer dus de belegger dat stuk papier koopt, dan is het een "belegging". Maar indien het de staat is die dat stuk papier koopt, dan is dat geen belegging, maar niets anders dan het (eventueel vervroegd) terugbetalen van de schuld. Immers, de staat moet dat stuk papier nog terugkopen, het blijft tenslotte een schuldbewijs. En dat is waarom dat hele "Zilverfonds" een vorm van volksverlakkerij is, zij het op nogal onschuldig niveau. De simpele waarheid is dat de staat die "belegt in overheidspapier" géén "fonds" in handen heeft, en dat er dan ook géén geld in "belegd" wordt. De simpele waarheid is dat de staat alleen maar schulden terugbetaalt, en daar een naam aangeeft die het doet voorkomen alsof er een wijs en vooruitziend beleid wordt gevoerd.

De reden waarom dat een vrij onschuldig bedrog is, is dat het resultaat hetzelfde is. Als de staat minder schulden heeft, heeft de staat evengoed meer ruimte om één of ander beleid te voeren (zeg: het financieren van de vergrijzing) als wanneer er ook echt een spaarpot was. Het "bedrog" blijft beperkt tot verbaal manoeuvreren om er slimmer uit te zien dan ze zijn.

Maar er is nog een tweede punt om aan te herinneren. Tot nu toe hebben we enkel een staat die papier uitgeeft om geld binnen te krijgen, en vervolgens hetzelfde geld uitgeeft om precies hetzelfde papier ("schuld") terug te kopen. Dat laatste proberen ze snel een "belegging" te noemen - in de hoop dat niemand zich nog herinnert dat eerst precies het omgekeerde was gebeurd. Maar stel nu dat we niet langer gewoon hetzelfde papier terugkopen. Stel nu dat we in plaats van het "beleggen" (sic) in overheidspapier zouden beleggen in "iets anders". Bijvoorbeeld zoals beslist door één of andere begaafde financier, zoals Albert Frère.

Dat zou precies hetzelfde zijn als de staat die geld ontleent om vervolgens te beleggen of investeren in welke economische activiteit ook. Misschien wel op de beurs? Misschien op de grondstoffenmarkten, of, waarom niet, het vastgoed? (Merk overigens op dat de staat momenteel juist vastgoed verkoopt, en met het geld doet alsof ze een fonds aanleggen, terwijl ze eigenlijk schuld terugbetalen.)

Ik denk, afgaande op zijn luciede stijl, dat Bruno Segers niet werkelijk zou willen voorstellen dat de staat nog meer schulden aangaat, om dat geld vervolgens te beleggen - al dan niet onder het bekwame management van Albert Frère - in een markt waar je hoopt meer te verdienen dan de kosten van je schulden - met evenwel het risico dat je niet meer, maar minder verdient dan die kosten - zodat de staat nog dieper in de put wegzakt.

En als je dat onder die laatste vorm niet wil voorstellen, dan is er geen enkele reden om het wel voor te stellen via de omweg van een "Zilverfonds" dat alleen in de vorm van een verbale kermistruc bestaat. Tenzij dan omdat je in de verbale kermistruc bent gelopen, OF omdat je het uit ironie doet, van zodanig niveau dat ik er eerst was ingelopen.

woensdag 10 januari 2007

Carl Gauss

Iets zegt me dat meerdere lezers van dit blog al van Carl Gauss hebben gehoord. Ja, iets zegt me dat er een paar zijn die zich vasthouden aan hun bretellen, als ze zien dat ik er over begin, nagelbijtend afwachtend wat ik nu weer allemaal zal uitkramen.

En toch, ik heb alleen maar een tamelijk onschuldige anecdote in gedachten, die ik onthouden heb omdat ik het grappig en indrukwekkend vind, en ook interessant. We moeten ons een stel snotneuzen inbeelden, alsook een slechtgehumeurde schoolmeester, die de nobele taak heeft de snotneuzen tot kennis, inzicht en wijsheid te brengen. Dit volgens de veelbezongen verdiensten van het Duitse schoolsysteem van de late achttiende eeuw.

De schoolmeester verlangt naar ene stonde rust, en heeft een briljant idee. “Neem een blad papier” spreekt hij streng, “en reken de som uit van alle getallen van één tot honderd”. Terwijl hij het laatste woord spreekt strekt hij zijn voeten uit op zijn lessenaar, en plooit tevreden zuchtend zijn krant open.

Eén van de snotneuzen – terwijl de anderen met grote ogen over hun blad beginnen te krasselen – heeft echter ook een briljant idee. Na enkele ogenblikken krasselen steekt hij zijn hand op. De slechtgehumeurde leraar is niet te spreken over deze veel te snelle verstoring van zijn rust... Maar hoe hij precies reageerde toen de snoodaard het getal “vijfduizend en vijftig” uitsprak – dat zegt het verhaal er voor zover ik weet niet bij.

Om dit verhaal begrijpelijk te maken – zoal niet voor de lezers van Speels maar Serieus, dan toch voor de schrijver – is het nodig enkele listige vereenvoudigingen in te voeren. Stel dat de opdracht was uit te rekenen hoeveel de som was van alle getallen van één tot vier? Ikzelf heb me ooit die vraag gesteld, en ik ging van “één – drie – zes... tien!”.

De kleine Gauss had dat anders aangepakt. Hij moet zich in een fractie van een seconde twee dingen gerealizeerd hebben. Het eerste was dat hij de op te tellen getallen (één, twee, drie en vier) kon voorstellen als, bijvoorbeeld, een optelsom van damschijven. Neem een damsteen, en leg die voor je op tafel. Die stelt het getal één voor. Neem twee andere schijven, en leg één ervan naast de eerste. Noem de lijn die ze vormen “horizontaal”. De andere leg je naast de laatste, maar loodrecht op de richting die we net “horizontaal” hebben genoemd. Je hebt nu een driehoekje. Het nieuwe rijtje, “verticaal”, bestaat uit twee schijven, en stelt het getal twee voor. Vervolgens nemen we weer drie schijven. We leggen er één netjes “horizontaal” in het rijtje dichtst bij je, en we leggen de twee andere “verticaal” naast de nieuwe. We hebben nog steeds een driehoekje, waarvan de verticale rijen nu de getallen één, twee en drie voorstellen. En we kunnen hetzelfde nog eens opnieuw doen met vier schijven. Dus nu heeft de driehoek horizontaal een zijde van vier stenen, en verticaal ook een zijde met vier stenen, en de schuine zijde vormt een trapje. En de som is tien stenen!

Het tweede element dat Gauss tegelijk moet beseft hebben, is dat hij van deze driehoek een rechthoek kon maken, op een manier die de vraag naar het totaal aantal schijven een stuk gemakkelijker maakt. Neem aan dat we tot nu toe alleen witte schijven hebben gebruikt. Dan nemen we nu een zwarte schijf, en we leggen die “verticaal” in het verlengde van de vier schijven die het getal vier voorstellen: verticaal hebben we nu vier witte en één zwarte steen: samen vijf. En we nemen twee zwarte schijven, en we leggen ze verticaal naast de drie die het getal drie voorstellen, en we hebben nu drie witte en twee zwarte schijven, alweer samen vijf. Als we dat ook doen met drie zwarte schijven voor het getal twee, en vier zwarte schijven voor het getal één, dan hebben we nu niet één, maar twéé driehoeken, die zo in elkaar grijpen dat ze samen een rechthoek vormen. Eén zijde heeft vier stenen, en de andere vijf.

Nu hoef je geen Gauss te zijn om te zien dat je rechthoek het dubbel aantal stenen bevat van de som van de getallen één tot vier. Je hebt immers twee driehoeken gelegd, die elk het juiste aantal stenen bevatten. Bovendien laat de constructie toe in één oogopslag te zien hoeveel het dubbel is van het cijfer dat je zoekt. Het dubbel van dat cijfer is gelijk aan vier maal vijf. En als het dubbel van het cijfer dat we zoeken vier maal vijf, en dus twintig is, dan is het cijfer dat we zoeken tien.

Vervolgens kunnen we vijf witte stenen nemen, en die verticaal naast de vier eerste rijen leggen, en nu stellen de witte stenen de eerste vijf getallen voor. Als we daar één zwarte steen bijleggen om de rechthoek te vervolledigen, hebben we een rechthoek van vijf op zes. En de som van alle getallen van één tot vijf is de helft van vijf maal zes, zijnde de helft van dertig, of vijftien: tel maar na!

En zo zag de kleine Gauss ook in één flits dat de som van alle getallen van één tot honderd gelijk moest zijn aan de helft van honderd maal honderd en één. Dat laatste is tienduizend honderd, en de helft daarvan is vijfduizend en vijftig. “Meester, meester...!”

En Carl Gauss? Wel, hij maakte de belofte die hij als kind was waar, nietwaar? "Normaalverdeling", iemand? Om dat duidelijk te maken vrees ik dat er andere blogs zullen nodig zijn. Ik ben er hier al duizelig van.

dinsdag 9 januari 2007

Wordt Saddam heilig verklaard?

Hier is een mogelijke vertelling van de geschiedenis. Een imperialistische beschaving bezet een stukje van het Midden Oosten en installeert er uit de klasse van de collaborateurs een marionettenregime. Het regime komt in botsing met de veel primitievere - maar door de bevolking als meer gelegitimeerd ervaren - leiders van de lokale cultuur, en al gauw verandert wat (met wat goede wil en veel duwen en trekken) een beschavingsmissie was in repressie. De lokale cultuur komt in opstand, maar kan de militaire macht van de bezetter niet aan. De beweging gaat ondergronds, pleegt aanslagen en smelt weer weg in de bevolking, en voor de zoveelste keer eindigen we in de toestand waarbij "de bezetter alleen maar de grond beheerst waar zijn soldaten op staan". En dan nog alleen bij dag, natuurlijk.

Overigens, de collaborerende klasse heeft al evenveel, zoniet meer, te vrezen van de aanhangers van de lokale primitievere ("barbaarse") cultuur als de bezetter zelf, en door list, verraad, omkoping, of welke middelen ook spelen ze de leiders van de verzetsbewegingen in handen van de bezetter. Onder sessies van getreiter en gespot executeren de bezetters en/of collaborateurs die verzetsleiders, maar vaak bereikt dat alleen maar dat ze een martelaarstatuut verkrijgen. De bezettende macht probeert nog de schijn hoog te houden, en de zaken voor te stellen alsof het eigenlijk de lokale bevolking was die de (plots belangrijk gemaakte) figuur heeft terechtgesteld, maar het kwaad is geschied. Het slachtoffer krijgt in de ogen van steeds bredere lagen van de bevolking een steeds mythischer statuut, en op het einde van een lange rit zie je een bijzonder vreemde evolutie. Van misdadiger over martelaar, via heilige tot god.

Maar, zal men opwerpen, het verhaal klopt niet helemaal. Saddam is heus niet "in opstand gekomen" tegen een imperialistische beschaving, want hij was integendeel aan de macht. En de bezetter heeft geen legitieme verzetsleider terechtgesteld, maar integendeel een dictator afgezet die veel bloed aan zijn handen had. En tenslotte was hij niet de vertegenwoordiger van de lokale cultuur, maar integendeel van een minderheid die met geweld aan de macht bleef. Dat is allemaal waar, maar toch klopt mijn verhaal wel degelijk. Ik heb het namelijk nog met geen woord over Saddam gehad, afgezet door de Amerikanen, maar wel over Jezus van Nazareth, gekruisigd door de Romeinen. Jezus was een lokale leider die in onvrede met de Romeinse bezetter leefde en die met de kruisiging - na de beroemde sessie van bespotting - de vernederende, typisch Romeinse executie voor politieke opstandelingen onderging. En de Romeinen hebben het verhaal voorgesteld alsof niet zijzelf, maar wel de joden, de lokale bevolking, hun leider hadden terechtgesteld. En de wereld heeft het, tegen de meest flagrante verdraaiïngen van de feiten in, geslikt. En Jezus was iemand over wie na zijn dood steeds woestere verhalen werden verteld, tot hij zowaar aan de oorsprong van onze eigen religie kwam te staan.

Over de manier waarop de heilige van vandaag vaak de misdadiger van gisteren was - maar dan wel uitsluitend via de omweg van zijn executie - heeft de filosoof René Girard boeken vol geschreven. Over hoe het heilige en het gewelddadige zo dicht bij elkaar liggen dat ze, verbonden door een chronologisch verband, twee kanten van dezelfde medaille uitmaken: La Violence et le Sacré (1,972). Over hoe het toekomstig heilig te verklaren slachtoffer eerst door een fase moet waarin hij als een veroordeelde crimineel helemaal geïsoleerd komt te staan en geëxecuteerd wordt: Le Bouc Emissaire (1,982). Over de overeenkomsten en verschillen tussen al die mythische verhalen of historische gebeurtenissen, en het Passieverhaal uit het Christendom: Des Choses Cachées depuis la Fondation du Monde (1,978) en La Route Antique des Hommes Pervers (1,985). Het heeft iets fascinerends te zien hoe je diezelfde thema's steeds weer te zien krijgt.

En lo and behold, Saddam is als een vuige crimineel uit een gat in de grond gesleurd, en hij heeft een vernederende executie ondergaan, en er ging een sessie van bespotting aan vooraf, en de bezetter probeert de zaken voor te stellen alsof het eigenlijk "de Irakezen" zijn die Saddam hebben terechtgesteld, en voor het eerst in net geen vier jaar militaire bezetting zie je weer op grote schaal mensen met portretten van Saddam door de straten banjeren, en was er zelfs een plaats waar je een semi officiëel rouwbeklag kon bijwonen. De overeenkomsten zijn waarlijk treffend. Moeten we ons over dat soort ontwikkelingen bezorgd maken? Of naderen we op het punt waar we beseffen dat we hadden moeten nadenken voor, en niet na, we aan allerlei militaire avonturen beginnen? Je weet met militaire avonturen nu eenmaal altijd wel waarmee je begint, maar nooit waarmee je eindigt.

maandag 8 januari 2007

Enkele soorten maatschappelijke organizatie

Beeld je het leven in van één van die beschaafde samenlevingen van de laatste millennia, na de uitvinding van de beschaving zelf, een zestal millennia geleden (1). Het zijn landbouwsamenlevingen, en dat betekent hogere productiviteit dan bij jagers-verzamelaars. Er ontstaan overschotten, er ontstaan steden en structuren, er ontstaat een eerste vorm van welvaart.

Dat blijft lange tijd beperkt tot lokale beschavingscentra. Zeer ruw vind je die allemaal terug in een gordel rond, of noordelijk van, de dertigste breedtegaad. Van Marokko over Egypte via Mesopotamië en Perzië naar Indië en tenslotte China. Zowel zuidelijk (Bedoeïenen, Berbers, Arabische en Semitische volkeren) als noordelijk (Turken en Mongolen en de vele varianten daarop) tref je volkeren aan in primitievere fasen. Geleidelijk ondergaan ze de invloeden van de landbouwculturen en dan nemen ze die soms zelfs gewapenderhand in. Waarna ze zelf een beschaving stichten en de cyclus begon opnieuw.

Beeld je, dus, dat leven in zoals het er ongeveer zal uitgezien hebben, met een zekere beschaving, een zekere materiële welvaart, een zekere materiële en spirituele cultuur... maar ook met de kans dat op één of ander moment de Hunnen, Tartaren, Vikings, Bulgaren, Scythen en vele andere de hele zaak plat leggen. Letterlijk plat, wel te verstaan. Beschaafde mensen, met cultuur, met spiritualiteit, met verhalen, met filosofie en muziek - en op een dag staan de Mongolen voor de poort en ze slaan in alle richtingen hoofden af, je vrouw, je kinderen, jezelf, iedereen. Toch nog een ander soort moeilijkheden dan het ritueel slachten van schapen voor het offerfeest, nietwaar?

Het patroon duurde vele millennia lang, en voor er een definitieve oplossing kwam (buskruit en bijhorende kanonnen) tekende zich een welbepaalde cyclus af. De enige verdediging tegen de “barbaren” was een leger van zware cavalerie, gepantserd tegen de pijlen en speren van de barbaren, en gewapend met de lans om de bende uit elkaar te slaan. Als de lezer zich op dit punt afvraagt of het toeval is dat hier ooit een poging stond om dat met een stukje fictie uit te drukken, wel, neen, dat is geen toeval (2).

Wij kennen deze zware cavalerie vrij goed uit onze eigen middeleeuwen: het zijn de heren en ridders (lords en knights, hidalgos en caballeros...) van ons eigen verleden. Maar ze bestonden evengoed in het Perzië van het “Vijfde millennium” (1) en hun Byzantijnse tijdgenoten, enzovoort.

Alleen was de oplossing van het ene probleem – de zware cavalerie versus de barbaren – zelf weer de bron van een nieuw probleem. Zware cavalerie, dat zijn paarden die heel wat wakkerder zijn dan het Brabants Trekpaard. Dat zijn lansen en zwaarden en schilden van hoge kwaliteit. En dat zijn mannen die weten hoe ze die dingen moeten gebruiken: beeld je ook even in dat je op een paard in volle galop zit, met een staak van vier meter lang in je rechterhand, en dat je binnen enkele seconden tegen een horde andere ruiters knalt: op leven en dood. Lukt het een beetje? Voor mij is het moeilijk.

In het bijzonder in eenvoudige landbouwgemeenschappen is dat allemaal zeer duur. Wie een heel leven moet trainen – en het vechten zelf, natuurlijk – werkt niet op het veld. Wie moet leren speren en lansen en zwaarden te maken, en ze vervolgens ook werkelijk maakt, werkt niet op het veld. Hoefijzers, paarden, je noemt maar op: idem. Je hebt een specifiek soort organizatie nodig om te voorzien in het levensonderhoud van al die mensen, en daarvoor waren verschillende mogelijkheden.

De eerste soort is een feodaal systeem. Specifieke stukken land horen bij specifieke heren, die instaan voor de verdediging van dat stuk land, in ruil voor hun levensonderhoud. Daarin voorzien de boeren die dat land bewerken. Voor die boeren is het alternatief het leven dat je je aan het begin probeerde in te beelden, met je beetje materiële welvaart en om de paar jaar de Vikings op je dak. Weer zijn die ridders uit ons eigen verleden een voorbeeld van het feodaal systeem, maar de Perzen uit de tijd van de Sassaniden (500 AD) zijn dat evengoed. Het probleem met dat systeem is dat de lokale heren soms machtiger worden dan de nominale koning, en het centraal bestuur verbrokkelt.

Een andere mogelijkheid is een centraal geleid leger. Nu heb je een sterk centraal bestuur nodig, en een aanzienlijke economische basis, met steden, en handel: dingen die het centraal bestuur kan belasten. Met de inkomsten vul je de schatkist, en met de schatkist betaal je een beroepsleger. Alleen heb je nu een dilemma. Als je het leger onder controle van het centraal gezag wil houden zal je het in het centrum van het rijk willen legeren. Maar dan arriveer je er vaak genoeg pas mee in je bedreigde provincies wanneer de streek al verwoest is. Terwijl, als je je leger in de provincies opstelt de lokale generaals weer zo machtig worden, dat een opmars naar de hoofdstad en een nieuwe dynastie niet denkbeeldig is. De Romeinen en Byzantijnen wisten er alles van.

Wat ook veel voorkwam was dat de beschavingen probeerden de kandidaat plunderaars zelf in te lijven. Dat gaat goed zolang je de bendeleiders, overladen met titels, kralen en spiegeltjes voorbij de grenzen kan sturen, waar ze in het levensonderhoud van henzelf en hun legers voorzien door niet jouw bevolking te plunderen, maar wel die van de vijand. De Islam heeft vaak goed gebruik gemaakt van Bedoeïenen en Berberlegers, en andere Mamelukken en Janissaren. Ook de Romeinen en de Byzantijnen gebruikten het kunstje. De formule waarin het goed werkt is meteen ook de formule die zegt wanneer het fout gaat. Als er géén aangrenzende landen zijn die je kan plunderen is het moeilijk om te vermijden dat je legers toch nog je eigen volkeren en steden plunderen.

Al die oplossingen hebben in bepaalde tijdperken en bepaalde plaatsen gewerkt. En in andere tijdperken en plaatsen hebben ze niet gewerkt, en dan vielen de barbaren binnen, en dan viel de beschaving, minstens in dat deel van de wereld, en riepen de moraalridders dat het de schuld van de decadentie was. In werkelijkheid zien we een patroon dat vele beschavingen heeft getroffen, en dat oorzaken als “ze waren verslapt” ver overstijgt. En dus kregen we millennia van cyclerende bewegingen, van (meestal) noordelijke barbaren, van Mongolen via Turken tot Scythen, tegen zuidelijke stedelingen, van Chinezen over Indiërs en Perzen tot Europeanen, waarbij beide partijen soms de overhand haalden. En waarbij het concrete model van sociale organizatie dat uiteindelijk "gekozen" werd, afhing van een veelheid aan factoren.

Een cyclerende beweging van enkele millennia – het is nog niet genoeg om te zeggen dat het de menselijke geschiedenis heeft gedomineerd, maar het gaat er toch al flink naartoe. De cyclus eindigde pas met de overwinning van de beschavingen toen de stedelingen het buskruit uitvonden. En dan nog. De Chinezen van de tiende eeuw AD hadden eigenlijk ook al het buskruit uitgevonden, maar de toepassingen waren, zo op het eerste zicht, nog niet wat ze later zouden worden. Of misschien hadden zij gewoon pech? Toen er een eeuw of wat later bij hen barbaren binnenvielen waren die niet de eerste de beste. Het waren de Mongolen. Onder leiding van Djenghis Khan. Ik kan je verzekeren... Geef mij maar de problemen van 2,007.

-------------------------------------------------------
(1) http://speelsmaarserieus.blogspot.com/2006/05/het-zevende-millennium.html
(2) http://speelsmaarserieus.blogspot.com/search?q=gansburroch

zondag 7 januari 2007

Waar treffen we "alfamannetjes" aan?

Twee verschillende commentatoren merkten op dat “alfamannetjes” in de academische wereld niet zoveel voorkomen. Dat is interessant, omdat ik er in die termen nog nooit over had nagedacht. Ik kan me gemakkelijk veel varianten op de pseudogeleerde Italiaanse professor (1) uit die post voor de geest halen; zoals iedereen er waarschijnlijk nog wel een paar kent uit zijn eigen studietijd. Je weet wel, “ze veranderen nooit hun cursus” en dat soort dingen.

Maar dat ze bestaan is natuurlijk iets heel anders dan de vraag in welke mate ze in een bepaalde omgeving kunnen gedijen. Zo mogelijk nog interessanter is dat een derde commentator (het zou iets practischer zijn als mensen die niet onder eigen naam commentaar geven zichzelf een nick gaven, maar dit terzijde) vindt dat de politiek geen goed voorbeeld is van een omgeving waarin alfmannetjes veel voorkomen. Dat zal uitlopen op een fors meningsverschil, vrees ik, want hoewel de commentator zelfs vindt dat het “kant noch wal raakt”, zal de politiek in mijn ogen bij uitstek de omgeving blijven waarin ik overal alfamannetjes aantref.

Daartussenin heb ik me wel al afgevraagd hoe het zit met de bedrijfswereld. Aangezien ik economisch gesproken (maar niet in de partijpolitieke zin) een liberaal ben die in aanmerking komt voor de titel “marktfundamentalist” (hoewel ik denk dat ik net niet slaag voor dit examen) verwacht, en vind, ik dat het nogal meevalt. Het verschijnsel “alfamannetje” lijkt me iets te zijn dat in onze “menselijke natuur” zit. Het is een overlevingsstrategie die aanzienlijk succes moet kennen, want bij de chimpansees is het gewoon standaard. Dus is het niet zo vreemd dat het gaat om een neiging die nog in een aanzienlijk deel van onze eigen populatie zit – temeer daar het ook bij ons blijft werken, zoals we allemaal kunnen zien aan de manifest “erotiserende werking van de macht”.

Maar er is nu eenmaal niet alleen een menselijke natuur, maar ook de omgeving waarin die moet gedijen. En mijn opinie is dat er in een commerciële omgeving een belangrijke culturele factor is, en dat is de vraag of de sociale structuur winstgevend is. Natuurlijk zijn die culturele overwegingen veel recenter van aard dan de Darwinistische overlevingsstrategie, en dus kan de cultuur ze niet zomaar doen verdwijnen. Maar de culturele omgeving zal er wel een sterk selecterende uitwerking op hebben, en ik denk dat dat ook is wat je te zien krijgt. Buiten regelrechte “publieke” en dus politiek benoemde sociale structuren denk ik niet dat “alfamannetjes” in de bedrijfswereld buitensporig veel succes hebben. Het resultaat is dat je in de commerciële wereld nog steeds sociale structuren met veel ellebogenwerk en “politiek” te zien krijgt, maar dat er toch ook heel andere factoren zeer sterk meespelen.

Zeer oppervlakkig, en op basis van drie andere opinies, zou ik de volgende rangorde voorstellen. Alfamannetjes komen het minst voor in de academische (zo neem ik voor het gemak even aan) en/of commerciële wereld, omdat er zeer sterke andere factoren meespelen dan de simpele vraag wie er de hoogste in rang is. In ons soort politiek bestel zie je ze veel meer, omdat de kwestie van de hoogste posities veel zwaarder doorweegt. Hoe vaak zie je niet dat “in verkiezingsjaren geen beslissingen vallen” omdat het zich positioneren om de posities belangrijker is dan de beslissingen? Hoe vaak is de kunst niet zich met one-liners in de kijker te werken, zonder gehinderd te worden door veel kennis van zaken? Hoe vaak komen dossiers van duizenden bladzijden tot een besluit op basis van in verhouding zeer weinig studie, en veel (en nachtelijke, dus weinig efficiënte) onderhandelingen?

Al die dingen doen mij besluiten dat de overeenkomsten tussen politici en de chimpansees van Frans De Waals Chimpanzee Politics (2) veel groter zijn dan volgens die bepaalde commentator. En het meest van al tref ik alfmannetjes dan ook aan in het politiek bestel van samenlevingen die zelfs geen democratie hebben om het spel van de Hoogste Leider, met zijn macht over leven en dood, een beetje onder controle te hebben. En als we het er over eens waren dat die grote leiders eerder zelden hun positie te danken hebben aan inzicht, wijsheid en bekwaamheid – wat blijft er dan nog over, behalve de conclusie dat het verschil met de chimpansees nu wel erg klein is geworden?

-----------------------------------------------
(1) http://speelsmaarserieus.blogspot.com/2007/01/en-nog-mr-alfamannetjes.html
(2) http://speelsmaarserieus.blogspot.com/2006/10/chimpanzee-politics.html

zaterdag 6 januari 2007

Over "rassen" en "intelligentie"

In de Standaard van 5 januari 2,007 stond een artikel dat ging over het effect van ondervoeding op intellectuele ontwikkeling. Er waren meerdere factoren die “de werking en de ontwikkeling van de hersenen beïnvloeden”, maar laat me ondervoeding kiezen als voorbeeld. (Uit het blote hoofd denk ik te weten dat Sarah Hrdy er in Mother Nature, Natural Selection and the Female of the Species (1,999) ook melding van maakt.)

Het punt is, nog maar pas ging het hier over verbanden tussen huidskleur, beschaving en wie weet, ook nog intelligentie (1). Vaak ook gingen vroegere discussies op usenet over zeer simpele relaties tussen deze drie. Vaak constateerde iemand doodeenvoudig dat je IQ-testen kon afnemen bij blanken, zwarten, Aziaten, en nog een paar categorieën, en dat je steevast zou zien dat de blanken gemiddeld hogere scores haalden dan zwarten. Dat scheelde dan (steeds uit het blote hoofd) zoiets als tien of zelfs twintig punten.

En dus, vonden de gebruikers van de IQ test, spraken de feiten voor zich. Donkerder huidskleur betekende lagere intelligentie. Daar waren ook primitievere beschavingen; al die dingen stonden met elkaar in een vanzelfsprekend causaal verband, en wat we altijd al geweten hadden was nu ook nog bewezen. Trouwens, gingen ze verder, wat zou ik concluderen als we, pakweg, hardlooptesten hadden uitgevoerd? Als zwarten op de Olympische Spelen telkens weer harder kunnen lopen - dan concludeer ik toch ook dat ze een fysische aanleg hebben om beter te lopen? Dus, constateerden ze tevreden, zal het wel enkel één of ander “dom links” en “politiek correct” denken zijn, dat mij belette om precies dezelfde conclusie te trekken voor intelligentie.

Misschien, probeerde ik, maar heb je je ook afgevraagd wat je eigenlijk gemeten hebt? Als iemand slecht presteert in een hardloopwedstrijd, is dat dan omdat hij “van nature” slechter is, of is dat omdat hij, bijvoorbeeld, die nacht niet geslapen heeft? Die dag ziek is? Niet genoeg gegeten heeft? Al heel zijn leven ondervoed is?

Zeker, klinkt het dan, maar al die vragen beletten niet dat je voldoende tests kan organizeren. Als dan telkens weer blijkt dat zwarten harder kunnen lopen dan blanken, dan raakt het effect van individuele gevallen die te weinig slaap hadden toch uitgemiddeld? En dat is alweer heel juist. Intussen hebben we toch mogen nadenken over de vraag wat we nu eigenlijk gemeten hebben. Misschien was het ondervoeding, maar misschien ook niet, en dat bleek dan als we “voldoende” vaak zouden testen. Laten we op dat laatste nog even verder doordenken.

Het artikel in de Standaard toonde met een kaartje welke regio’s van de wereld welk percentage van ondervoede kinderen hadden. Veruit het grootste percentage aan ondervoede kinderen zit in zwart Afrika. Laat me daarom het voorstel om “voldoende” tests af te nemen nog uitbreiden, en een gedachtenexperiment organizeren. Hoe zouden de resultaten er uitzien indien we niet “voldoende” mensen testen, maar alle mensen testen? We laten alle honderden miljoenen zwarte Afrikanen een hardlooptest afleggen, en vergelijken het gemiddelde met het gemiddelde van alle honderden miljoenen blanke Europeanen en/of Amerikanen.

Is het niet denkbaar dat het gemiddelde resultaat van de zwarten er nu heel anders uitziet? Hoe zouden de hongerende zwarten in, pakweg, Zimbabwe, of Ethiopië de resultaten beïnvloeden? Of de verminkte mensen uit de oorlogsgebieden van Kongo, of Angola? Laat me, gewoon terwille van het argument, aannemen dat die effecten de gemiddeldes van de zwarten meer zouden neerhalen, dan de effecten van zwaarlijvigheid of andere luxeproblemen de resultaten van de blanken beïnvloeden. Dan heb ik nu cijfers waaruit blijkt dat blanken beter kunnen lopen dan zwarten.

Het probleem kan niet zijn dat ik meer moet testen: ik heb iedereen getest. Terwijl de Olympische Spelen een zeer geselecteerde groep atleten voorstelt, die integendeel een heel beperkte groep test. Ik heb alleen maar de conclusie overgenomen die ze zelf hadden getrokken om de invloed van omgevingsfactoren correct in te calculeren: méér testen, niet minder. Dus heb ik nu cijfers die deze factoren "correct incalculeren", en uit die cijfers blijkt dat blanken beter kunnen lopen. Gelooft iemand dat ik hieruit genetische conclusies kan trekken? Nee? Dus als iemand komt zwaaien met allerlei factoren als “ondervoeding” om te vermijden dat ik voor hardlopen genetische conclusies trek... Zou ik niet terecht de indruk krijgen dat enkel één of ander “dom rechts” en “politiek correct” denken hen verhindert om precies dezelfde conclusie te trekken voor intelligentie?

-----------------------------------------
(1) http://speelsmaarserieus.blogspot.com/2007/01/racisme-misdrijf-opinie-of-theorie.html

donderdag 4 januari 2007

En nog méér alfamannetjes!

Ik lees een verhaal waarbij in Indië een schaker is geschorst voor tien jaar. Hij speelde met een muts over zijn oren getrokken, en daarin zat een ontvanger waarmee iemand hem de zetten doorspeelde die een krachtige schaakcomputer aangaf. Onze man scoorde hoog in toernooien en officiële klassementen, en “de hele wereld” stond met verbazing te kijken naar de rijzende ster aan het firmament.

Mijn eerste vraag is: wat bezielt zo iemand? Hij doet het niet omdat hij daarmee een sterke schaker is, want dat is hij nu juist niet, en hij had zichzelf geen beter bewijs kunnen geven. Hij doet het dus ook niet om zichzelf te feliciteren met zijn goede resultaten, of met zijn hoog klassement, want hij weet dat het nep is. Het is eigenlijk niet moeilijk te begrijpen: hij doet het omdat hij met andere ogen wil bekeken worden. Niet langer wil hij in één van de “Open Toernooien” rondlopen als één figuurtje in de massa, halfweg nog altijd verwikkeld in een verbeten strijd om de achtendertigste plaats (een wreed noodlot dat mij herhaalde malen heeft getroffen – en als het dan nog de achtendertigste plaats was gewéést...).

Neen, hij wil hoofden zien draaien wanneer hij in de deuropening verschijnt; hij wil dat mensen een kampioen zien wanneer ze hèm zien, dat ze angst hebben om tegen hem uit te komen, en dat ze ontzag hebben voor zijn optreden, zijn manier van kijken, voor zijn nadenkend wandelen langs de borden wanneer hij niet aan zet is. Pure uiterlijke vertoning is wat hij wil, niet iets inhoudelijks.

Mij doet dat onmiddellijk aan andere anecdotes denken. Tot vandaag verwijt ik me dat ik het volgende verhaal niet heb uitgeknipt toen ik het ruim tien jaar geleden in een krant heb gelezen. Het ging over een vooraanstaande, zelfs beroemde Italiaanse professor in de rechtsfilosofie. Hij was een nationale authoriteit in zijn vakgebied, en hij kon, zo schreef het artikel uitdrukkelijk, “carrières maken of breken”. Dat laatste lijkt me belangrijk, want als ze het erbij zetten, dan zal dat maken en breken ook wel gebeurd zijn. Ik zie deze intellectuele oppergod gewoon voor me, vanuit zijn Olympos neerblikkend op het gewriemel van de academische vergaarbak, hij die met een hoofdknik de toegang tot de elite kon toe- of afwijzen.

Tot op nen schonen dag een Italiaan die ook Duits begreep de artikelen en boeken las van een onbekende, Duitse onderzoeker in de rechtsfilosofie, een onderzoeker wiens werk nooit op enige belangstelling van de Duitse academische wereld had kunnen rekenen. En wat bleek was dat de Italiaanse kampioen met punten en komma’s, met titels en voetnoten, de artikelen en boeken van de Duitse onderzoeker had overgeschreven. De hooggeleerde, zeer eminente professor stamelde nog wat uitvluchten en excuses, maar de zaak was zo flagrant dat hij beladen met het intellectuele equivalent van pek en veren afdroop. Tenminste, zo herinner ik het me, ik ben nog altijd boos dat ik het niet heb bijgehouden.

Wat bezielt hem? Het zal niet het plezier van de intellectuele vordering of het vervaardigen van een fraaie tekst zijn, waaraan sommige u bekende bloggers zelfs hun vrije tijd besteden. Neen, het ging om de positie, om precies dat kunnen “maken of breken van carrières”. Het ging om het ontzag dat hem toestraalde wanneer het genie, hijzelf, door de gangen van de universiteit schreed, bewonderd en gevreesd door assistenten, studenten en collega’s. Dàt was waar het allemaal om te doen was.

En alles wel beschouwd hebben we hier al eerder voorbeelden van dat soort gedrag gezien. Neem nu de post met als titel “Meloen” van destijds (1). Een groepje chimpansees vocht voor een meloen, maar toen iemand die eenmaal had verdeelde hij hem prompt onder al de anderen. Blijkbaar vochten ze niet om de meloen, maar wel om de positie waarin ze hem konden verdelen. En ik maakte de vergelijking met de “witte comité’s” uit de nadagen van de zaak Dutroux. Die versnipperden op de meest erbarmelijke wijze tot steeds kleinere scheurgroepjes. Blijkbaar streefden ze niet zozeer naar het lovenswaardig streven van een betere wereld voor onze kinderen, maar wel naar de positie waarbij dat streven uitgerekend rond henzelf was georganizeerd.

Natuurlijk krijgen we het spektakel ook in onze eigen lokale politiek te zien – tegenwoordig vooral gevoed vanuit de VLD, maar ook dat is ooit anders geweest. De één na de ander scheurt zich af, “verzamelt een aantal mensen rond zich” (men lette op de uitdrukking: het is rond henzelf, en daar is het dan ook om te doen), en probeert een eigen partij op te richten. Maar van de politiek verwachten we tenminste dat het vol alfamannetjes zit. We verwachten er de soort mannetjes voor wie hun eigen positie in het midden van de gebeurtenissen (en de belangstelling) zo cruciaal is, dat ze het verschil tussen die eigen positie, en het lovenswaardige streven dat er moest achter zitten al lang niet meer zien.

Maar daarmee hebben we wel het punt bereikt. Zowel de valsspeler in het schaaktoernooi als de pseudoprofessor bezielt één enkel ding: het is apengedrag. Ze zijn helemaal niet geïnteresseerd in het onderwerp waarin ze de strijd om de hoogste plaatsen van de hiërarchie uitvechten. Het is ze enkel om die hoogste plaatsen te doen. Alfamannetjes; hun enige aanspraak op belangrijkheid is dat ze aan de strijd om die hoogste plaatsen willen deelnemen, net zoals bij de chimpansees. Die doen zelfs niet alsof het allemaal in naam van één of ander hoger doel is, voor hen is het eenvoudig een Darwinistische strategie (2). Bij ons is het ook een Darwinistische strategie, alleen wil niet iedereen dat toegeven.

-------------------------------------------------
(1) http://speelsmaarserieus.blogspot.com/2006/05/meloen.html
(2) http://speelsmaarserieus.blogspot.com/2006/12/chimpanzee-politics-een-nieuwe.html

woensdag 3 januari 2007

Racisme: Misdrijf, Opinie of... Theorie?

Eerst de show verklappen. Racisme is een theorie!

(Koen bukt zich om de rondvliegende projectielen te ontwijken.)

Niet voor de eerste keer woedt er op usenet een discussie die zegt dat de oorzaak van de welvaartsverschillen op de wereld genetisch van aard is. Deze keer ging het er tamelijk bedachtzaam aan toe. En als iemand een goed punt maakt, dan verdient dat er even op in te gaan.

Ik probeer dat goed punt in eigen woorden. Een overzicht van de volkeren van de wereld, in één kolom gerangschikt naar BNP per hoofd (of welk criterium voor “beschaving” je maar wil gebruiken) en in een volgende kolom naar huidskleur, toont overeenstemming tussen lichtere kleuren en hogere welvaart. Als deel-oorzaak lees je vaak dat blanken een hoger IQ hebben dan Noord Afrikanen of Arabieren, terwijl die weer een hoger niveau halen dan zwarte Afrikanen. De theorie bezorgde zichzelf nog een air van eerbiedwaardigheid en objectiviteit met “de” (!) Aziaten die een hoger IQ hadden dan blanken, en na wat verwijzingen naar Aziatische groeimirakels was ook die flank gedekt.

Of je ervoor kan aangeklaagd worden weet ik niet, maar ik denk dat het wel klopt dat je een grotere kans hebt dat iemand welvarender is, naarmate zijn huidskleur lichter is. Als iemand het daar niet mee eens is kan hij me zeker overtuigen dit publiek terug te nemen. Eén methode is dreigen met zware straffen. Een andere methode is de tabel werkelijk op te stellen, de gebruikte criteria ondubbelzinnig en controleerbaar publiek te maken, en me zelf doen inzien dat de feiten niet kloppen. In afwachting neem ik aan dat ze wel kloppen.

Dus: een theorie. Er zijn waarnemingen, er is een correlatie, en de theorie zegt dat uit de correlatie ook nog een causaal verband blijkt. Dezelfde oorzaak (“ras”) van de kleur van onze huid, verklaart ook welk IQ en/of beschavingsniveau mensen (kunnen) halen.

En sta me toe (voor een laatste keer) mijn zaak nog erger te maken. Niet alleen is “racisme” (de theorie die al het bovenstaande beweert) een theorie; het is ook nog een wetenschappelijke theorie!

Dat laatste volgt uit een puur technisch criterium. Dat criterium stelt dat een theorie “wetenschappelijk” is, indien de onderzoekers rekening houden met de mogelijkheid dat de theorie fout is (1). Een theorie die zegt dat God de maker is van hemel en aarde, plus alles ertussenin, kan nooit fout zijn. Wat je ook te zien krijgt, God heeft het altijd zo gemaakt. Géén wetenschap, wel een geloof.

Tenslotte moet je weten dat ik al jaren van de daken schreeuw dat de theorie ook werkelijk fout is. Maar als je een theorie fout noemt – los van de vraag of dat terecht is – kan je (vanzelfsprekend) niet beweren dat de theorie “nooit fout kan zijn”. Daarom denk ik dat racisme een wetenschappelijke theorie is (die bovendien fout is).

Er zijn zoveel verschillende redenen waarom de theorie volgens mij fout is, dat ik ze hier niet allemaal kan behandelen – maar Google is your friend! Hier volgt slechts één van mijn kritieken.

De theorie vertrekt van een waarneming: de tabel waarover ik het had. Wij, de tabellenmakers van het jaar (pakweg) 2,000 zijn echter als een soort buitenaardse bezoekers, die één keer de planeet bezoeken, tabellen opstellen en alweer vertrekken naar de volgende. Hoe meer we deze procedure aanvaardbaar vinden; hoe meer we het opstellen van de tabel en de conclusies een correcte methode vinden, hoe meer ik nog een Socratisch vraagje heb.

Waarom zou de tabel, opgesteld door bezoekers uit het jaar 2,000 beter zijn dan een tabel uit een willekeurig ander tijdperk?

Onze soort Homo sapiens bestaat al (een grootte-orde van) 100,000 jaar. Dus is een verschil van één millennium één percent van de tijd sinds we bestaan. Bijgevolg is er geen enkele reden om aan te nemen dat de tabel uit 2,000 AD beter is dan de tabel uit 2,000 BC was, of dan de tabel die in 6,000 AD zal gemaakt worden. En we hoeven echt niet zover terug te gaan om heel andere tabellen te zien verschijnen. Een halve eeuw geleden leidden economisten uit de schrijnende armoede van Oost Azië een somberder toekomst voor, pakweg, Korea af dan voor Afrika; omdat een “verkeerde cultuur” en de bevolkingsdruk (2) de toestand er hopeloos maakte (3).

En als de tabel van het jaar 1960 op twee generaties tijd zo gediscrediteerd kan zijn, waarom zou dan uitgerekend de tabel van het jaar 2,000 ons de waarheid, en niets dan de waarheid vertellen?

Als we gaan naar een overzicht in termen van millennia wordt het Socratisch vraagje nog prangender. In het jaar 0 was het noorden van de Middellandse Zee het Centrum van de west-Euraziatische wereld. Maar naar het jaar 1,000 AD toe was dat noorden teruggevallen tot een toestand van quasi-barbarij, terwijl het zuiden mogelijk de meest vooraanstaande beschaving van de Aarde bevatte. Welke conclusies had de rassentheorie uit de tabel getrokken in resp. 0 en 1,000 AD?

En op het moment dat de beschavingen ontstonden, 6,000 jaar geleden (4), lagen die allemaal rond de dertigste breedtegraad (noorderbreedte). Dus: van Egypte, over “de Levant” naar Mesopotamië, en vandaar via Perzië en India tot in China. Het zou millennia duren voor de eerste tekenen van gelijkwaardige beschavingen verschenen in Europa. Welke conclusie had de rassentheorie getrokken in 4,000 BC, en in 3,000 BC, en in 2,000 BC? En als die conclusie er in het jaar 0 zo heel anders had uitgezien, en in 1,000 AD nog eens anders en in 2,000 AD wéér omgekeerd – wat zegt dat dan over de de conclusies die de rassentheorie vandaag met zoveel zelfzekerheid trekt?

Er bestaan op de theorie die ik “racisme” noem veel grondiger kritieken, van biologische of anthropologische aard. Deze post houdt het beperkter. Het is op zich een goed punt een tabel te maken met in één kolom de waarde van huidpigmenten van verschillende volkeren, en in een andere BNP per hoofd of IQ, of zoiets. Maar het is geen goed punt meer, als we de tabel van dat ene moment als zaligmakend beschouwen. Laat staan, zoals in dat soort discussies vaak gebeurt, krampachtige manoeuvres uithalen om de tabellen van de andere periodes weg te moffelen, om zo de gewenste “conclusies” te handhaven.

-----------------------------------------
(1) De filosofisch-technische term is “falsifiëerbaarheid”.
(2) Easterly, The Elusive Quest for Growth, Economists' Adventures and Disadventures in the Tropics, 2001, hoofdstuk 10, titel 6.
(3) Het is natuurlijk interessant te zien dat een soort “natuurlijk experiment” twee generaties nodig had om te tonen dat noch de toenmalige tabel, noch de cultuur of de bevolkingsdruk een goede voorspeller was van toekomstige (wan)prestaties, maar wel de aanwezigheid van een Marxistische dictatuur...
(4) http://speelsmaarserieus.blogspot.com/2006/05/het-zevende-millennium.html

dinsdag 2 januari 2007

Nieuwjaar, Zoenen en Andere Frustraties

Elk jaar met nieuwjaar gaan de leden van onze soort door een bepaald ritueel. We kloppen elkaar (bij wijze van spreken) op de schouder, we wisselen beste wensen en andere vrome uitdrukkingen van hoop op de toekomst uit, en vooral, we wisselen kussen, heel veel kussen uit.

Nu weet iedereen dat er tussen de leden van de soort Homo sapiens moeilijke, sociaal onaangepaste gevallen rondlopen, die, bijvoorbeeld, helemaal niet gesteld zijn op al dat druk sociaal verkeer in het algemeen, en op zoenen in het bijzonder. In de helft van de gevallen echter hebben die sociaal onaangepaste figuren - en iedereen heeft natuurlijk al lang door dat ik het kan weten - nog geluk. Er zit namelijk nogal wat culturele variatie op. Het ritueel behelst bij onze soort dat de vrouwtjes iedereen zoenen en door iedereen gezoend worden, terwijl de mannetjes alleen de vrouwtjes zoenen. In een professionele wereld waarin toch meer dan de helft van de populatie uit mannetjes bestaat, reduceert dat voor de sociaal moeilijke gevallen de grootste ellende toch al tot een mooie 40%.

Maar nu gebeurt er iets vreemds. Je moet weten dat het uiterst, uiterst zeldzaam is dat je met je moeilijk karakter iets anders bereikt dan dat iedereen je als een spelbreker beschouwt, die altijd alles beter weet en altijd zuur zit te kijken bij het vooruitzicht op uitgebreide sociale gebeurtenissen - zoals nieuwjaar. Je moet het maar eens zelf proberen - meet je eens een tijdje één of andere onschuldige excentriciteit aan. Ikzelf, bijvoorbeeld, heb vele jaren van mijn leven geen druppel alcohol gedronken. Gewoon omdat ik het niet lekker vind, dat moet toch kunnen, nietwaar? Tot vandaag drink ik alleen - maar wel met veel plezier! - rode wijn. Je kan je niet voorstellen hoeveel gezaag, gepleit, gemanoeuvreer, tot en met list (ze gieten een héél klein beetje rum in je cola en ze zijn er ècht van overtuigd dat jij niets zal merken...) je moet ondergaan, met geen andere bedoeling dan dat je precies gaat doen zoals alle anderen, zodat iedereen zich weer gerust voelt.

Allemaal door mensen die in rijen staan aan te schuiven om films als "Forrest Gump" of "Instinct" te gaan zien, waar de hopeloze uniformiteit van al die mensen in vraag wordt gesteld, natuurlijk.

Maar terug naar het onderwerp. Er gebeurt, dus, iets vreemds. Het moeilijk, wereldvreemd karakter zet nog maar eens zijn stekels op om zich tegen al te grote overdosissen normaal gedrag te beschermen. Berustend zet hij zich schrap tegen het feit dat hij nog maar eens zal beschuldigd worden van moeilijk doen, spelbrekerschap, apart willen zijn, enzovoort. Hij probeert de kusserij - door een sociale conventie (die via een gelukkig toeval eens een meevaller oplevert) vanzelf al tot een 40% gereduceerd - nog verder te beperken. Ja, hij heeft zelfs genoeg savoir vivre opgedaan om dat op diplomatieke manier te proberen: laat vooral niemand zich persoonlijk geviseerd voelen!

"Ah, gelukkig nieuwjaar, uim, ik veronderstel dat je op deze dagen al zoveel gekust wordt dat je het niet erg vind als ik niet zo'n kusser ben?"

En weet je wat? De minimum reactie is een genereus aanvaarden van het voorstel! "Nee hoor, ik vind dat helemààl niet erg, gelukkig nieuwjaar!". Je krijgt bovendien veel, opvallend veel, positieve reacties. "Oh, nee, help, ik vind dat zelfs heel goed, ik zit nu al aan honderd kussers!". En ook "ik betrap er mezelf op dat wanneer er hier weer één komt binnenwandelen, ik naar mijn scherm begin te kijken alsof mijn leven ervan afhangt."

Tot mijn grote verbazing merk ik dat ik met één van mijn afwijkingen van de sociale norm in de smaak val! En nog wel bij de vrouwtjes! (Hé, zijn er nog mensen die het stom vinden om soep op te dienen voor het eten? Eerst je maag volgieten met warm water, en dan aan de maaltijd beginnen - "waar zijn we mee bezig"?) Zelfs sociaal moeilijke gevallen blijken wel eens gelijk te krijgen!

Dus sta me toe, in een uitdrukking van enthousiasme, alle lezers een breed glimlachend en welgemeend gelukkig nieuwjaar te wensen, en alle vrouwelijke lezers daarbij een knallende maar virtuele zoen te geven! Hola! Gewoon op de wang, hé.

zaterdag 30 december 2006

Herman Wouk

Het voordeel van wat in de muziek “tone-deaf” heet, maar dan toegepast op de literatuur, is dat je zo complexloos kan genieten van een goed verhaal – zonder dat soort halve schuldgevoel waarmee de Beethoven en Rachmaninov liefhebber in mij zich ook kan verheugen in de deuntjes van Abba of de dreuntjes van The Stones. Zo dus ook The Winds of War (1971) en War and Remembrance (1978) van Herman Wouk: twee kanjers van 1,000 bladzijden.

Het boek speelt zich af doorheen de Tweede Wereldoorlog, en vertelt het verhaal van twee Amerikaanse families die er in betrokken raken. De ene is de Amerikaanse tak van een wijd verspreide joodse familie, die nog contacten onderhoudt met haar Europese verwanten, en dus, bijvoorbeeld, (in september 1939), één van haar leden op het vliegtuig naar Warschau ziet zitten. Of (in 1943), op de trein naar nog veel ergere bestemmingen. De andere is een familie met een lange traditie in de marine: een vader en twee volwassen zoons, en de lezer kan zich al inbeelden welke mogelijkheden dat biedt om het militaire deel van de oorlog in beeld te brengen.

Het is het perspectief dat Wouk er aan weet te geven dat het meest indruk maakt. We gaan naar de Slag bij Midway, en hoofdpersonage Victor Henry staat op de brug van de zware kruiser waarover hij het bevel voert. Met zijn zoon Warren, vliegtuigpiloot op één van de Amerikaanse vliegdekschepen, heeft hij een code afgesproken. Als Warren heelhuids van de zoveelste sortie terugkomt maakt hij een omweggetje over het schip van zijn vader en wiegelt met zijn vleugels.

Zoals dat gaat tijdens de oorlog weet niemand wat er tijdens de eigenlijke strijd aan het gebeuren is – en in het bijzonder voor een vader aan boord van een schip dat weinig meer dan administratieve taken heeft, terwijl zijn zoon in een vliegtuig de vijand opzoekt, is het wachten ondragelijk. En dan, vele uren onzekerheid later, weten ze dat het hoogtepunt van de strijd moet bezig zijn, want de admiraals lanceren de ene sortie na de andere, en er komen nog maar heel weinig Dauntless torpedovliegtuigen terug. En geen ervan passeert over de brug van Victor Henry.

Het hele schip wéét waarom hun kapitein, zijn handen op de reling geklemd dat zijn knokkels er wit van worden, in de richting van de Japanners staat te staren, maar allemaal doen ze alsof ze niets gemerkt hebben. Dan meldt een uitkijk dat er uit de andere richting een Dauntless nadert, en die scheert over de brug en wiebelt met zijn vleugels, en als Kapitein Henry met een hand langs zijn ogen strijkt wendt iedereen zich discreet af.

Die levendigheid weet hij niet alleen te creëren bij de militaire operaties. Als het verhaal van Natalie Jastrow, na haar onvoorstelbare odyssee nog levend van tussen de lijken uit de beestenwagen geplukt, aan de oren van haar Amerikaanse verwanten komt, roept een brave mevrouw iets uit als “en te bedenken dat al die dingen een Amerikaans meisje overkomen zijn!”. De implicatie dat hetzelfde lot ergens wel geschikt lijkt voor Poolse of Duitse meisjes, maar toch niet voor beschaafde Amerikanen creëert opnieuw een sterk perspectief. Het leven door de ogen van de burger in de VS waar de vernieling nooit heeft huisgehouden, en die de adem inhoudt wanneer een glimp van wat oorlog zoal betekent tot zijn verstand doordringt.

En er is de andere zoon, Byron Henry die in 1939 onder de bommen van de Duitse Stuka’s in belegerd Warschau terechtkomt, en vandaar op zijn diplomatiek paspoort naar het vredige Berlijn reist, waar hij zich, nog ontzet van het meemaken van heuse gevechten en beschietingen, wijdt aan de studie van de toenmalige politieke actualiteit. Een bevriende intellectueel bezorgt hem een lijst met Hegel en Fichte en Nietzsche en vele andere namen: “ze zullen in het jaar 2,000 boeken schrijven” over de vragen die de vragen van die dag zijn. En pas nadat je het las dringt tot je door dat het jaar 2,000 intussen al gepasseerd is – zo krachtig komt dat beeld van de realiteit van Berlijn in 1939 tot leven, waar nog niemand weet wat voor oorlog er zit aan te komen. Er is dus nog tijd voor filosofie en geschiedenis.

Zo kan ik er nog veel opnoemen: Natalie die verweest achterblijft op de kaaien in Lissabon als Byron met zijn onderzeeboot afvaart. Victor Henry die als waarnemer het Russisch front bezoekt en ermee eindigt vanuit een kerktoren instructies voor de artillerie door te geven. Byron op zwerftocht door het platgeschoten Europa van 1945 in een hopeloze poging zijn zoon terug te vinden. Het komt allemaal zo tot leven dat het één van die boeken is die ik enkele keren van begin tot einde heb teruggelezen. Er is destijds zelfs een televisieserie van gemaakt, met Robert Mitchum in de rol van Kapitein Henry, maar tot mijn spijt lijkt die niet meer te vinden.

Een hele tijd geleden heb ik voorgesteld dat voor een kwotering op 5 sterren (zoals gebruikt op Amazon) een drie al een behoorlijk goed boek is, omdat de gemiddelde score toch minstens betekent dat het boek terecht de heel zware selectieprocedure is gekomen (1). Met dat in het achterhoofd krijgt Wouk van mij zonder twijfel vier daverende sterren.

-------------------------------
(1) http://speelsmaarserieus.blogspot.com/2006/03/kwotering.html

donderdag 28 december 2006

De Parabel van de Overspelige Vrouw

Ik heb een theorie. De theorie zegt dat een literair beeld sterker in ons bewustzijn aanwezig is, naarmate dat beeld ofwel emotioneel geladen is, ofwel een resultante is van heel diverse, mogelijk zelfs contradictorische betekenissen.

Ik verklaar. Een “literair beeld” betekent: alles wat je een verhaal kan noemen. En een beeld is “sterker in ons bewustzijn”, naarmate iedereen altijd meteen weet waarover je het hebt, al lees je maar een fractie van een zin uit dat verhaal voor. Een emotionele lading lijkt me evident hetzelfde te zijn als een “sterke betekenis”, dus de andere “ofwel” lijkt me boeiender. Als je een heel sterk beeld hebt, dan verzoent dat ene beeld een weelde aan betekenissen, symbolen, ideeën... whatever.

Snel een disclaimer. Ik heb de theorie niet zelf verzonnen, het is een idee van Freud. Hijzelf paste ze toe op de betekenissen van dromen. Zijn ideeën dateren van rond het jaar 1,900 en ik denk te weten dat de moderne psychologie heel wat verder staat dan Freud, maar daar gaat het nu niet om. Het gaat er om dat Freud dacht dat de beelden uit dromen die je je het best kon herinneren ook de beelden waren waarvan je je moest afvragen welke betekenis ze hadden, omdat hun sterke aanwezigheid suggereerde dat die betekenis(sen) er nu eenmaal waren. En ik pas dat alleen maar toe op beelden uit verhalen, in plaats van alleen maar dromen.

Hier is een voorbeeld. “Toen brachten ze een vrouw bij hem die op overspel was betrapt”. Wedden? Wedden dat de grote meerderheid van de lezers onmiddellijk weet over welk verhaal dit gaat, in welk boek het staat, hoe het verder gaat, en hoe het afloopt? Natuurlijk kunnen we de theorie meteen verifiëren. De vele betekenissen die hierin zitten zijn, onder andere: Jezus, de barmhartige. Jezus, de man die zonden kan vergeven. Jezus, de universele geest (voor wie ieder mens, ook de zondaar, ook de tollenaar, ook de Romein) de moeite waard is. Ja, gewoon even schudden, en de betekenissen rollen er uit als rijpe appels.

Bovendien zijn er volgens mij nog veel méér betekenissen. Bekijk de scène waarin allen rondom het slachtoffer staan, iedereen met een voorraadje stenen. Scènes waarbij een menigte een slachtoffer executeert door hem in een cirkel op te sluiten zijn schering en inslag in de antieke literatuur. Denk aan de officiële, werkelijke terechtstelling, bekend bij Grieken en Romeinen, waarbij de veroordeelde van een rots werd geworpen: vaak gebeurde dat door hem vanuit een halve cirkel steeds dichter naar de rand te dringen, tot er geen ruimte meer bleef voor iets anders dan naar beneden vallen. Maar van soortgelijke scènes puilen de antieke mythen evengoed uit.

Zie je dan ook de overeenkomst met de steniging? Ik bedoel niet alleen de cirkel, ik bedoel ook de manier waarop aan het einde niemand de doder is. Immers, iederéén heeft met stenen gegooid, de collectieve actie is cruciaal, want als iedereen het heeft gedaan, dan heeft tegelijk ook niemand het gedaan, en dat is een belangrijk punt.

Zo belangrijk dat het terugkomt in een boek over de wandaden van de twintigste eeuw: Glover, Humanity, A Moral History of the Twentieth Century (1999). Ooit vertelde ik het in eigen woorden na op een manier die me goed genoeg leek om het nog eens opnieuw te proberen. Wat je nodig hebt voor een massamoord is eigenlijk een serie banaliteiten (de term zelf in deze context is van Hannah Arendt). Iemand pakt alleen maar een stel illegalen op. Iemand anders zorgt er alleen maar voor dat de treinen op tijd rijden. Iemand anders wijst in de stad Oswiecim (1) alleen maar naar links of naar rechts. Nog iemand anders draait alleen maar wat knoppen om en op het einde heb je zes miljoen doden en - niemand heeft het gedaan.

Terug naar de scène waarin Jezus het Goddelijk charisma van de vergeving van de zonden uitoefent. Merk je op dat hij zich daarbij ook een groot kenner van de menselijke psyche toont? Het lijkt wel alsof hij de regel “als iedereen het gedaan heeft, dan heeft niemand het gedaan” heel goed begrijpt! Goedgoed, zegt hij, we gaan haar execturen, de wet is de wet. Laat hij die zonder zonde is de eerste steen werpen. (Ha! Nog een betekenis! Wij zijn alleen zondaars – wie zijn wij dan om anderen te oordelen?) En iedereen kijkt mekaar aan, en niemand werpt de eerste steen, en als niemand de eerste steen werpt vliegen er helemaal geen stenen door de lucht.

Mirakuleus moet de interventie wel geleken hebben! Jezus, de man die de zonden kan vergeven. Zeker, zeker, en dat hij zich bij het uitoefenen van zijn Goddelijke macht laat bijstaan door zijn inzicht in de menselijke psychologie zal zeker geen kwaad gedaan hebben...

(Nog een disclaimer. Als één of andere lezer de hele tijd moet denken aan de filosoof René Girard, dan is dat géén toeval. Ik weet bijna zeker dat ik deze betekenis van de parabel van de overspelige vrouw ergens in zijn werk heb gelezen – maar vind dat maar eens terug...)

------------------------------------------
(1) Oswiecim ligt in Polen, en als ik dat goed heb spreekt het uit als “Osj – vjent – sjiem”. Duitsers die dat moeilijk uit te spreken vinden verbasteren het wel eens tot Auschwitz. Dus, iemand wijst in die stad in Polen alleen maar naar links of naar rechts... etcetera.

woensdag 27 december 2006

Het Ottomaanse Rijk

Nu mijn boek van Bernard Lewis (1) bijna uit is, gaan de borrelende lotgevallen van het Ottomaanse Rijk door mijn hoofd. De Islam als beschaving is altijd erg verdeeld geweest; religieus, sociaal, ethnisch, maar ook politiek. Verschillende volkeren hebben doorheen de tijd belangrijke rollen gespeeld: Arabieren, natuurlijk, maar ook Perzen, Egyptenaren en, met de Ottomanen, de Turken. Zij kwamen, in verschillende golven, als onderdeel van die voortdurende invasies uit het noorden, die alle beschavingen van de meer zuidelijke gordel van Eurazië gedurende millennia hebben geteisterd.

De Turken werden al snel na hun veroveringen opgevangen en beschaafd door de Islam, en na de nodige vijven en zessen kwamen ze zelfs aan het hoofd van één van de grootste rijken die de Islam heeft gekend: de Ottomanen. Als je de kaart met hun gebieden bekijkt zie je ongeveer het Byzantijnse Rijk van de tijd voor Mohammed: een heel stuk van Zuidoost Europa (tot bij Wenen...), plus Turkije, Syrië en Egypte, verder Irak en nog grote stukken van het Arabisch schiereiland.

Op dat gebied vertoonden ze de wisselende wedervarigheden van alle grote imperia uit de geschiedenis: hoogtepunten en dieptepunten. Gevolgd door de soort ineenstorting die werkelijk maakt dat je voor de Turken sympathie krijgt. Niet dat ze geen hoop dingen verkeerd deden. Ze vertoonden niet de politieke ondernemingslust of de technologische en wetenschappelijke dadendrang van het Westen, en dus raakten ze achterop. Maar ze hadden in heel wat opzichten toch ook wel pech.

Om te beginnen was er veel interne verdeeldheid binnen de Islam, juist op het moment waarop de Turken beseften dat ze achterop begonnen te lopen. Het was een periode van grote spanningen en regelrechte oorlogen met het rijk van de Perzen. En uitgerekend dat was het ogenblik waarop ze van verschillende kanten werden aangevallen door Westerse grootmachten: Oostenrijkers vanuit het noordwesten, Britten en/of Fransen vanuit westen (via Noord Afrika) en Russen vanuit het oosten en het noordoosten.

Om de ramp compleet te maken ontstonden ook binnen het rijk spanningen die er eerder niet waren. Grote stukken als Egypte maakten zich meer en meer los van het centraal gezag. En tenslotte – naar Lewis zegt, onder invloed van Westerse ideeën zoals bijvoorbeeld die van de Franse Revolutie – ontstonden er spanningen tussen bevolkingsgroepen die tot dan vaak loyale onderdanen van het rijk waren geweest.

Onder de Ottomanen hadden die volkeren elk een eigen statuut, dat vaak verbonden was aan hun religie. Er waren de Turken zelf, en de Ararbieren, en tussen beide was er, gezien hun moslimgeloof, geen werkelijk onderscheid. “Turk” of “Arabier” waren termen die de leden van de stedelijke elites reserveerden voor de primitievere mensen uit de woestijnen en achterlijke plattelandsgebieden. Ze kwamen pas in zwang met de idealen rond de natievorming die kwamen overwaaien uit Europa. Parallel met die versnippering ontstonden er problemen met de andere volkeren uit het rijk. Dat waren voornamelijk Grieken, Armeniërs en Joden (als ik dat nu goed heb, in die volgorde). Elk van die drie was één van de “volkeren uit het boek”, dat wil zeggen, volkeren die van God een monotheïstische Openbaring hadden ontvangen. Als zodanig kregen ze een voorkeurbehandeling in het rijk, van een soort die niet-Grieken onder, bijvoorbeeld, de Byzantijnen nooit gekregen hadden.

Die religieuze, culturele en sociale tolerantie maakte dat Grieken, Armeniërs en Joden op hun beurt enthousiast deelnamen aan het politiek en/of economisch leven van het rijk. In het bijzonder de Grieken bezetten vaak hoge posities in het bestuur. Om een lang verhaal kort te maken, met het ontwaken van het nationalistisch gedachtengoed ontstonden bevrijdingsbewegingen, en brokje per brokje verloren de Ottomanen hun Europese gebieden (Griekenland, Bulgarije, Yougoslavië...). Ook de Joden begonnen vanaf de negentiende eeuw te dromen van de terugkeer naar hun antieke thuislanden. En het droevigste verhaal is dat van de Armeniërs, die meer verspreid woonden dan (bijvoorbeeld) de Grieken, en minder de steun hadden van Westerse grootmachten. Temidden van de spanningen en de oorlogen waren ze één van de volkeren waarmee de zwaarbelaagde Ottomanen problemen hadden, en ze besloten tot een deportatie van Armeniërs naar plaatsen waar ze minder kwaad konden. Het resultaat was dat honderdduizenden tot meer dan een miljoen Armeniërs omkwamen. (Overigens is Lewis van oordeel dat dat niet het gevolg was van een geplande volkerenmoord, maar wel één van de vele dingen die in oorlogen nu eenmaal gigantisch verknoeid worden, en dat is hem zelfs al op een veroordeling wegens ontkenning van volkerenmoord te staan gekomen.)

Het resultaat van al die spanningen en oorlogen was een totale ineenstorting van het Ottomaanse rijk, tot de brokstukken (“de Levant”; “Mesopotamië”) zelf (onder invloed van de Westerse grootmachten) nog versnipperden in “Libanon”, “Syrië”, “Palestina”, “Egypte”, “Jordanië”, “Koeweit”, “Irak”, tot er behalve Turkije zelf alleen in het Arabisch schiereiland nog een Islambewind aan de macht was. Het klinkt zelfs bijna als een wonder dat er op dat moment een Ataturk opstond, die er in slaagde van het hedendaags Turkije een functionerende, en zelfs relatief welvarende staat te maken. Met Ataturk ontstond de voorlopig enige Islamstaat die de scheiding van kerk en staat heeft weten doorvoeren, en waar de elite heeft gekozen voor de waarden en prestaties van het Westen, eerder dan voor het obscurantisme en de armoede waarin zoveel delen van hun vroegere rijk maar blijven wegzinken.

Ja, ze zijn een heel eind gekomen, die Turken, sinds ze als primitieve steppevolkeren te paard de beschavingen deden beven van de schrik. En veel geluk hebben ze op het eerste zicht niet gehad. Zoals sommige andere rijken met problemen vertoonden ze volgens Lewis duidelijke tekenen dat ze probeerden er iets aan te doen. Maar met Westerse grootmachten die langs alle kanten opdrongen, oorlogen tegen de Perzen en interne versnippering, allemaal tegelijk, was de uitdaging te groot, en na de eerste wereldoorlog heeft het er even naar uitgezien dat er helemaal niets van zou overblijven.

Waarheen, Turkije? Het is een land met een heel interessante geschiedenis. Het verhaal van de Turken zelf begint pas rond het jaar 1,000 – maar wie hier de posts over “De Perzische oorlogen” heeft gevolgd weet dat het al véél langer een een bijzonder boeiende geschiedenis heeft. Wat kan een mens anders doen dan ze ook een mooie toekomst toewensen?

------------------------------------------------
(1) Lewis, The Middle East, 2000 Years of History from the Rise of Christianity to the Present Day, 1995

dinsdag 26 december 2006

Koran of Geschiedenis

Ik lees dat in Denemarken de Koran één van de favoriete kerstcadeau's was. Dat zou te maken hebben met de rel rond "de Deense cartoons". De mensen willen proberen te begrijpen wat er aan de hand is.

Ik denk dat ze de juiste reflex hebben, maar vrees dat ze de verkeerde methode kiezen. Sociale wetenschappen zijn geen natuurwetenschappen. Als je de natuurwetenschappen wil begrijpen, dan begin je met de bijhorende wiskunde te bestuderen. Mensen die de cartooncrisis willen begrijpen door de Koran te lezen zullen volgens mij van een kale reis thuiskomen, omdat ze dit principe uit de natuurwetenschap ten onrechte overhevelden naar een onderwerp van de sociale wetenschap.

De sociale wetenschappen zijn in veel opzichten geen natuur-, maar wel historische wetenschappen. De toestand zoals we die aantreffen wordt niet (in de eerste plaats) beschreven door een mathematische formule, maar is sterk afhankelijk van een concreet gevolgd pad, dat evengoed heel anders had kunnen zijn. Er zit een grote component toeval in, of invloeden die van buitenaf komen, en in se niets met het onderwerp te maken hadden. Een beetje zoals de oorzaak van het uitsterven van de dinosaurussen heel weinig met de evolutie van de dinosaurussen te maken had, en heel met de astronomie - maar intussen is de toestand van het leven op Aarde wel heel sterk beïnvloed door dat uitsterven.

Zo ook, dus, met de politieke toestand in de wereld vandaag. Natuurlijk lijkt het me een goed idee de Koran te lezen; ongeveer zoals het me een goed idee lijkt toch een béétje te weten wat er in de Bijbel staat. Maar het verband tussen wat er in de Koran staat en de politieke toestand is even vaag als het verband tussen wiskunde en de concrete toestand van het leven op Aarde. Veel doorslaggevender is de vraag hoe de Koran door zijn aanhangers momenteel wordt gelezen. Precies zoals dat voor de Christelijke Bijbel altijd het geval is geweest, zijn er ruimdenkende en fundamentalistische manieren om dat soort stichtingsdocumenten te lezen en toe te passen. Veel doorslaggevender, dus, dan de vraag wat er precies instaat, is de vraag waarom hij momenteel op een bepaalde manier wordt gelezen. En dat wordt dan weer sterk bepaald door historische factoren.

Bij de pleidooien voor bevolkingsgroei

Wanneer mensen pleiten voor een stijgende bevolking, dan krijg je vaak twee punten opgediend. Het eerste punt is sussend: een kleine groei zou al kunnen volstaan. Bijvoorbeeld, een groei van één percent per jaar zou al kunnen volstaan. En het tweede punt is constructief. Ja, geeft dat punt toe, een stijgende bevolking kan een probleem zijn in de zin dat een (niet altijd voldoende snel stijgende) welvaart moet verdeeld worden over meer deelnemers, maar er is een aanzienlijke keerzijde. De fout die mensen zoals ikzelf maken is dat we meer mensen zien als problemen, terwijl we ze moeten leren zien als oplossingen!

Immers, meer mensen, dat zijn ook grotere markten. Meer mensen, dat zijn ook grotere probabiliteiten dat er Einsteins onder ons opstaan, en dus mensen die de problemen ook weten op te lossen. En, zo vernemen we, dat is precies wat er altijd is gebeurd; die problemen zijn ook altijd opgelost. Ik heb daarbij twee problemen en één tegenaanval (in de metaforische zin, welteverstaan, ik zie dit als een debat tussen serieuze mensen, niet zoals wanneer je over evolutietheorie praat met Jehova’s) in petto.

Het eerste probleem is de constante verdubbeling waarover ik het al een paar keer had (1). Eén percent per jaar is voldoende? Uitstekend, de bevolking verdubbelt op een 70 jaar tijd. En dan heeft een bevolking die in het jaar 1300 bestaat uit één miljoen inwoners (2) er in het jaar 2,006 1,024,000,000. Het lijkt er op dat België, dat toch nog geen Chinese of Indische bevolkingsaantallen vertoont, zijn economische groei heeft gecreërd met een stuk minder dan één percent per jaar, nietwaar?

Het tweede probleem is de stelling dat de problemen immers ook werkelijk "altijd" zijn opgelost. Dat lijkt heel overtuigend, maar dat is alleen maar een geval van selectie effect (3). Het is nogal logisch dat de wereld die wij waarnemen alleen maar de voorbeelden laat zien die tot nu toe hun problemen hebben opgelost. De samenlevingen die in het verleden hun problemen niet hebben opgelost zijn er immers gewoon niet meer; ze zijn door hun problemen weggeselecteerd. Kortom, een veel realistischer beeld is dat van Jared Diamond (4). Die geeft een overzicht van samenlevingen “die hun problemen hebben opgelost” en bijgevolg nog bestaan, en andere samenlevingen die ze niet hebben opgelost, en er dus niet meer zijn. Op die waaier heb je, vanzelfsprekend, ook nog de samenlevingen die hun problemen hebben “opgelost” door ze te exporteren (denk aan de Spartanen), hetgeen ook maar een tijdelijke oplossing is. In alle varianten zal je nooit iemand aantreffen die niet de indruk heeft dat de problemen “altijd” zijn opgelost. Dus is dat helemaal geen sterk argument, integendeel.

En ik heb nog een groot probleem met die roep naar “mensen die oplossingen zijn”. Dat argument zou ook op mij indrukwekkend lijken, als het tenminste een beetje consequent werd gebruikt. Als ik echter even afrond, dan zie ik dat er op de wereld één miljard mensen rondlopen die in een positie zijn om zich dit soort vragen te stellen. Dat betekent dat er nu al vijf tot zes miljard zijn die niet in een dergelijke positie zijn. Een aanzienlijk deel daarvan lijdt, tot op de dag van vandaag, honger. En al die mensen zijn eigenlijk oplossingen! Een zeker percentage daarvan moet uit potentiële Einsteins bestaan! En ik vergat nog het enorme potentiëel aan markten dat in al die mensen zit!

Met andere woorden, de positieve gevolgen van de bevolkingsaangroei, als we even voor het gemak aannemen dat ze bestaan, zijn niet iets dat we moeten promoten, en waar we vervolgens een generatie op moeten wachten. Die positieve gevolgen; die mogelijke marktpartijen, potentiële oplossingen en mogelijke Einsteins lopen ook nu al rond op de planeet. Wanneer zien we de pleiters voor bevolkingsaangroei ook pleiten voor aanzienlijke investeringen in onderwijs en ontwikkeling van de – laten we dat er even bijzetten – niet-blanke, niet-christelijke medemens? Mag ik haastig hopen dat het probleem alleen maar is dat ze daarvoor niet willen betalen; dat de reden waarom ze zo weinig consequent zijn alleen maar de benepenheid van hun portefeuille is?

------------------------------------------------
(1) http://speelsmaarserieus.blogspot.com/2006/12/waarom-vinden-ze-bevolkingsgroei-zo.html
(2) Maddison, The World Economy, Historical Statistics, 2,003 schat de bevolking van België in 1,500 op 1.4 mio inwoners.
(3) http://speelsmaarserieus.blogspot.com/2006/11/selectie-effect.html
(4) Diamond, Collapse, How Societies Choose to Fail or Survive, 2,005

maandag 25 december 2006

Remember die dolfijn, "geen vis maar een zoogdier"?

De nu volgende post heeft geen zin zonder de context van de post:

http://speelsmaarserieus.blogspot.com/2006/11/een-dolfijn-is-geen-vis-maar-een.html

Na die post schreef lezer Axxyanus (een gediplomeerde scepticus, als je het mij vraagt) dat het niet zo moeilijk was om een kind te leren het juiste etiket te plakken, maar dat het heel wat moeilijker was ervoor te zorgen dat ze ook nog wisten wat het betekende.

En dat was zo waar dat ik niet wist wat ik er nog op te zeggen had.

Maar nu kan ik aankondigen dat op het familiale kerstfeestje de volgende dialoog zich heeft afgespeeld.

Nonkel Koen: "Hannah, kom eens hier, er is iets dat je me nog moet vertellen"

(Nichtje Hannah, nog steeds vijf jaar, derde kleuterklas, komt vol verwachting aangetrippeld.)

Nonkel Koen: "Je had me verteld over de dolfijn, dat dat geen vis was maar een zoogdier, nietwaar?"
Nichtje Hannah: (knikt vol overtuiging van ja)
NK: "Maar wat is dan nu eigenlijk het verschil tussen een vis en een zoogdier?
NH: "Kijk, hé, een vis - vissen leggen eitjes."
NK: "Ah, ja, dat is ook weer waar. Maarreh... hoe zit het dan met zoogdieren?"
NH: "Wu, wel, wu... maar zoogdieren drinken bij de mama!"
NK: "Ja, ja, dat zal wel, maar daarom kunnen ze toch nog wel eitjes leggen?"
NH: "Nee, want zoogdieren zitten in de buik van de mama, en daar komen ze dan uit!"

Zoals ik al schreef in die post:
"Nonkel Koen terug naar af. In zijn tijd speelde de kleuters van vijf jaar met een snottebel aan hun neus met de pottekes."

zondag 24 december 2006

Een Kerstmetafoor voor de Wetenschap

Hier volgt een wetenschappelijke analyse van een verzameling kerstballen, vers uit de supermarkt. Die begint met een beschrijving van de feiten. Het blijkt dat de verzameling uit verschillende kleuren bestaat: blauw, wit, geel, rood en oranje. Geen groen, en dat kunnen we verklaren: groen steekt onvoldoende af tegen de kleur van de kerstboom. Er zijn drie afmetingen: groot, gemiddeld en klein. En stel dat je regelmatigheden vindt als “alle rode ballen zijn groot of klein, maar nooit gemiddeld”. Of ook dat blauwe en witte ballen altijd groot zijn, terwijl alle kleine ballen rood zijn. Kunnen we daar een reden voor bedenken zoals dat kon voor de afwezigheid van groene ballen?

De kans bestaat dat dat niet kan, omdat er geen reden voor is: “Het blijkt dat”. Hoogstens kan je sprookjes vertellen: “Hoe De Reus Alle Grote Gele Ballen Stuk Sloeg”, eindigend met “en daarom zijn er geen grote gele kerstballen, en ze leefden nog lang en gelukkig”. En waarom ook niet, als het uiteindelijk kan afgehangen hebben van het humeur van een ontwerper?

Beeld je dan nu in dat iemand kwam vertellen dat het raadsel toch oplosbaar is. Na een hoop warrige verhalen vol onduidelijke fysische mechanismen concludeert hij dat de verschijning van de verschillende kerstballen het resultaat is van een evolutionair proces! De grote rode ballen waren eigenlijk ooit middelgrote gele en oranje ballen, maar ze zijn (na die onduidelijke fysische mechanismen) geëvolueerd tot groot en rood. Hetzelfde geldt voor al je andere kerstballen, en de samenstelling van de nieuw gekochte doos volgt uitsluitend uit de fase waarin elke gegeven kerstbal zich bevindt.

Zou je dààr niet beteuterd op staan kijken?

Wel, dan weet je hoe sommige mensen zich voelden toen Darwin stelde dat alle levensvormen afstamden van één oervorm, en dat de huidige diversiteit van het leven terug te voeren was op de mate van aanpassing die ze doorheen hun verleden hadden ondergaan. Ik heb het dus niet eens over religieuze problemen die ontstaan als de mens tegelijk de uitdrukking van Gods beeld en een soort aap is, of niet in een daad van Goddelijke Liefde is geschapen. Ik heb het alleen over hoe redelijk of absurd een bepaald idee er ook zonder religieuze dogma's kan uitzien in de ogen van fatsoenlijke mensen.

Kortom, de verzameling kerstballen waarop we een evolutietheorie toepassen helpt in te zien waarom je geen kwezel hoeft te zijn om die toepassing op onderwerpen als “het ontstaan van de soorten” te verwerpen. Maar helpen mijn kerstballen ook om verder te komen dan dit eerste, nogal triviaal inzicht?

Sta me toe een blik te werpen op een volwaardige, quasi ongecontesteerde wetenschap als de astronomie. We hoeven niet veel aan het verhaal van de kerstballen te veranderen. We vervangen ze gewoon door het woord “zichtbare sterren”, en (aanhalingstekens open) het blijkt dat de verzameling uit verschillende kleuren bestaat: blauw, wit, geel, rood en oranje. Geen groen (aanhalingstekens dicht). Hier kan de metafoor ons op het verkeerde spoor zou zetten, als we beweren dat groene sterren onvoldoende afsteken tegen de kosmische achtergrond. Gelukkig hoeven metaforen niet punt per punt correct te zijn – heeft het niet iets grappigs dat ik eigenlijk begonnen was met de verzameling waarneembare sterren, en in de beschrijving het woord “sterren” stiekem heb vervangen door “kerstballen?

En het is niet dat ik ermee aan het spelen ben, want het is wel degelijk zo dat er sterren van verschillende afmetingen bestaan, en dat die kenmerken vertonen zoals in de metafoor. Bijvoorbeeld dat rode sterren doorgaans groot zijn, en af en toe klein, maar nooit gemiddeld. En als een ster blauw of wit is, dan mag je er vertrouwen in hebben dat ze ook groot is. Dus ik heb werkelijk eigenschappen van een bestaande realiteit (de waarneembare sterren) genomen, en ik heb er werkelijk een verhaal van gemaakt dat suggereert dat die eigenschappen onmogelijk iets anders dan pure willekeur kunnen zijn, en dààrmee kom ik onze verbeeldingskracht uitdagen:

Als de beschrijfbare eigenschappen van de verzameling kerstballen (a) onmogelijk iets anders dan willekeur kunnen zijn, terwijl (b) exact dezelfde verzameling eigenschappen ook van toepassing is op de waarneembare sterren – moeten we dan besluiten dat de eigenschappen van de waarneembare sterren niet verder beredeneerbaar zijn, en dat we er hoogstens sprookjes over kunnen vertellen?

Het is maar goed dat de astronomie niet deze weg heeft gevolgd, en geconcludeerd heeft dat we het voorkomen van de sterren alleen maar bewonderend kunnen ondergaan, in termen van “het is nu eenmaal zo”. Want, grote verrassing, het blijkt dat de verschillende verschijningsvormen van de sterren bepaald wordt door een evolutionair (zij het niet in Darwiniaanse zin) proces! De vraag welke kleur en grootte de sterren hebben is afhankelijk van de vraag met welke massa ze hun bestaan zijn begonnen, en vanaf dan is het quasi uitsluitend een kwestie van in welke fase van hun bestaan ze zich bevinden.

Bijvoorbeeld, onze eigen zon, die een gewone, oranje ster van middelgrote afmetingen is, zal binnen zoveel miljard jaar veranderen in een grote rode ster. Dat is puur terug te voeren op de nucleaire processen die zich binnen een ster afspelen. Sterren zijn een soort evenwicht tussen de explosie die gepaard gaat met de genoemde nucleaire processen, en de implosie die gepaard gaat met de gigantische gravitatiekracht van zoveel massa. De nucleaire processen zijn op hun beurt een functie van de samenstelling van de materie die in de ster die nucleaire processen ondergaat. Met de tijd verandert die samenstelling, zoals een haardvuur met de tijd minder hout, en meer as te zien geeft. In de diverse fasen van het bestaan van een ster zijn er verschillende evenwichten tussen explosie en implosie, afhankelijk van de samenstelling van de materie; en de grootte van de ster wijzigt naarmate de gravitatie de overhand heeft op de kernfusie, dan wel omgekeerd.

Kortom, zeg dus nooit “nooit” tegen een evolutionair proces. Als het niet mag van de lokale godheid is het natuurlijk iets anders, ga er vooral niet voor branden in de hel. Maar als het alleen maar een kwestie is van “het is nauwelijks te geloven”, denk dan terug aan de kerstballen. Het zijn dezelfde verschijningsvormen die (verteld als een verzameling kerstballen) onmogelijk het gevolg kunnen zijn van een evolutionair proces, die tegelijk (verteld als een verzameling sterren) quasi niets anders zijn dan het gevolg van een evolutionair proces.