"En zeg eens wat er aan de hand is" zei de pediater terwijl baby Thomas op de tafel werd uitgekleed.
Tja. Daar op die tafel lag één bonkske krijsende woede, roodaangelopen, spartelend met voetjes en knuistjes, en snerpend dat je er een drilboor voor cadeau zou geven. In onze ogen was dat meer dan genoeg als antwoord op de vraag. Maar dat kon de dokter niet weten.
"Dit" zei de papa van baby Thomas op plechtige toon "is een baby die in de drie weken dat hij oud is, alles bij elkaar geen 5 minuten (= 300 seconden) geweend heeft. Nog niet als hij honger heeft, ook niet 's nachts, niet als peuter Sarah met haar volle gewicht op zijn buikske duwt, zelfs niet als hij uit zijn badje komt."
Ik moet mijn punt gemaakt hebben: pediaters kennen natuurlijk iets van baby's, en wat in de ogen van papa nog iets grappigs had - wel, ik zag haar schrikken. Als het "niet normaal" is bij baby's, dan lachen ze er blijkbaar niet mee. Hm, wel, eens kijken, toch de eerste vragen die naar het antwoord "reflux" moeten leiden, maar dan, wat is dat? Baby Thomas heeft koorts! OK, het is niet buitengewoon veel, 38 graden en oneffen, maar ziedaar, dat is drie weken oud, dat krijgt borstvoeding en dat heeft koorts...
En nadat er nog een paar andere symptomen positief scoorden moest hij daar in het ziekenhuis blijven!
En nu zit ik hier met een heel klein hartje te bloggen. In feite denken mijn vrouw en ik dat er niets aan de hand zal zijn: we waren allebei nogal verkouden en Sarah had ook 39 graden koorts, maar toch... Hij woont hier nog maar drie weken, maar hij laat nu al een enorme leegte na in de auto waar zijn maxicosi had moeten staan. Ik moet me de hele tijd inhouden om niet naar zijn wiegje te gaan kijken ("we hebben hem alweer zo lang niet meer gehoord"), en dan pas dringt door, ah nee, hij is er niet.
Nu pas krijg ik een begin van een idee wat mensen moeten voelen wanneer hun kinderen echt iets ernstigs overkomt.
(Jaja, je herkent het type: een groot bakkes, maar oh zo'n klein hartje.)
Nu ligt hij daar in dat ziekenhuis met een naald in zijn armpje en een verband er rond om een voetbalploeg mee te verzorgen, en allemaal van die kordate vreemde madammen in het wit om hem heen.
Zo'n klein prutske :-(
"once help is assured to such an extent that it is apt to reduce individuals' efforts, it seems an obvious corollary to compel them to insure (or otherwise provide) against those common hazards of life." (F.A. Hayek, The Constitution of Liberty, hoofdstuk 19, over een mandaat tot verplichte ziekteverzekering)
maandag 23 juli 2007
Een Slechte Nacht voor Baby Thomas
Tot nu toe was baby Thomas een voorbeeldige slaper: als we geluk hebben wordt hij één keer per nacht wakker, en als we pech hebben is het twee keer per nacht. Voor de rest zou hij iets meer mogen drinken per beurt, zodat ook overdag de tussenpauzes wat langer kunnen worden, maar iedereen begrijpt: wie zou er durven klagen.
Maar gisteren ging het mis. Tijdens het eten verslikte hij zich, en daarna heeft hij een hele tijd gejammerd. Merkwaardig genoeg, de rest van de dag sliep hij veel en hoefde hij pas om de vier uur eten te hebben. Dus alles zag er zelfs heel goed uit.
Maar deze nacht was het één constant gekreun en gejammer en gekrijs. Eten hielp niet, rondwandelen hielp niet, een tutje hielp niet, hij was hoogstens enkele minuten stil, en dan begon het feest opnieuw.
En dus zit ik nu om half zes 's nachts, wanneer een beschaafd Christenmensch slaapt, te bloggen. Baby Thomas ligt te kreunen in zijn wieg: maar wat kan ik er aan doen, wat we ook proberen, hij kermt verder. Terwijl, als hij in zijn wieg beneden kreunt, dan bestaat er tenminste een kans dat mijn vrouw boven wat slaap meeneemt.
Tot peuter Sarah wakker wordt, natuurlijk.
UPDATE het is intussen 06.00 uur, en onder zijn dekentje slaapt baby Thomas (die hier inderdaad een half uurke heeft liggen krijsen), als een roos.
Hij doet het met opzet om mij te pesten.
(Maar hij ziet er wel ontzettend schattig uit met dat knuistje dat van onder zijn dekentje komt uitpiepen.)
Maar gisteren ging het mis. Tijdens het eten verslikte hij zich, en daarna heeft hij een hele tijd gejammerd. Merkwaardig genoeg, de rest van de dag sliep hij veel en hoefde hij pas om de vier uur eten te hebben. Dus alles zag er zelfs heel goed uit.
Maar deze nacht was het één constant gekreun en gejammer en gekrijs. Eten hielp niet, rondwandelen hielp niet, een tutje hielp niet, hij was hoogstens enkele minuten stil, en dan begon het feest opnieuw.
En dus zit ik nu om half zes 's nachts, wanneer een beschaafd Christenmensch slaapt, te bloggen. Baby Thomas ligt te kreunen in zijn wieg: maar wat kan ik er aan doen, wat we ook proberen, hij kermt verder. Terwijl, als hij in zijn wieg beneden kreunt, dan bestaat er tenminste een kans dat mijn vrouw boven wat slaap meeneemt.
Tot peuter Sarah wakker wordt, natuurlijk.
UPDATE het is intussen 06.00 uur, en onder zijn dekentje slaapt baby Thomas (die hier inderdaad een half uurke heeft liggen krijsen), als een roos.
Hij doet het met opzet om mij te pesten.
(Maar hij ziet er wel ontzettend schattig uit met dat knuistje dat van onder zijn dekentje komt uitpiepen.)
zondag 22 juli 2007
En wat ik nog niet begrepen heb...
Misschien moet ik maar eens haastig mezelf in orde brengen met het citaatrecht. Het verhaal dat ik hier recent heb neergezet (1), waaraan je kan zien waarom de hedendaagse natuurkunde, sinds Einstein, met zulke niet-intuïtieve begrippen rond ruimte en tijd werkt, komt vanzelfsprekend niet van mezelf, maar is in eigen woorden naverteld uit twee boeken waarnaar ik eerder heb verwezen (2).
Het punt was, bepaalde verschijnselen die werden waargenomen konden we niet vatten in onze dagdagelijkse, intuïtieve begrippen over ruimte en tijd: de rekeningen klopten gewoon niet. Zoals lezer Delirium er al bijzette, dat komt omdat er in onze berekeningen een assumptie zit, zo groot als een huis. De ruimte is drie-dimensionaal en oneindig, de tijd is één-dimensionaal en ook oneindig, dat soort dingen: Delirium noemde deze assumpties “Euclidisch” naar de Griekse wiskundige die er millennia geleden de bijhorende wiskunde van neerschreef.
Die assumptie lijkt zo massief correct, dat we geneigd zijn het niet als een assumptie te beschouwen, maar als een simpele beschrijving van de realiteit. Immers, nooit in onze dagelijkse waarnemingen, en nooit in onze evolutionaire geschiedenis, hebben we er ook maar één uitzondering op ontmoet. En dus zitten die assumpties “geprogrammeerd” in ons verstand – en voelen we ons niet zelden erg geïrriteerd wanneer we voor de eerste keer met verhalen zoals uit die posts geconfronteerd worden.
Maar het blijkt dat de realiteit toch zo is, en wat we de wetenschap bij monde van Einstein zagen doen was de assumptie vervangen door een betere. Als we gewoon kunnen waarnemen dat de lichtsnelheid voor alle waarnemers constant is, met welke snelheid ze zelf ook de metingen doen, dan lossen we dat probleem op met een niet-Euclidische assumptie. Tijd en ruimte zijn niet langer absoluut en de rest van de bende, maar zijn zelf functies van de verhoudingen tussen waarnemers en waarnemingen. Tijd kan met andere woorden sneller of trager gaan voor de ene dan voor de andere, en ruimte kan heel diverse vormen aannemen en wat nog meer. De reden waarom ik deze assumptie “beter” noem dan de Euclidische, is dat we er nog steeds heel precies de dagdagelijkse verschijnselen mee kunnen analyseren (aan zeer kleine fracties van de lichtsnelheid maakt het allemaal geen verschil), terwijl we er bovendien gebeurtenissen op kosmische schaal, mee kunnen analyseren.
Alleen signaleert Greene in The Elegant Universe nog het volgende probleem. Als A iemand anders (B, dus) aan grote snelheid ziet voorbijkomen, ziet A dat de klokken van B trager lopen dan die van hemzelf; zoals beschreven in de posts onder (1). Maar B zelf ziet natuurlijk ook A even snel bewegen ten opzichte van hemzelf, als A dat zag van B. De fysicus op de trein zag evengoed de waanemers op het perron met grote snelheid ten opzichte van hemzelf bewegen, als omgekeerd. En dus is de conclusie dat niet alleen A de klokken van B zal langzamer zien bewegen dan die van hemzelf, maar dat B tegelijk ook de klokken van A zal langzamer zien bewegen dan die van hemzelf!
Daarmee lijken we in een logische paradox te zitten die veel erger is dan het feit dat het intuïtief vreemd is. En ik kan er nog inkomen dat we dit oplossen door er op te wijzen dat er in dit denken nu eenmaal geen objectieve, absolute tijd meer is. Als ze allebei waarnamen dat de klok van de ander trager ging dan de absolute tijd, dan denk ik dat je stilaan een logische contradictie had aangetoond. Maar als ze allebei alleen maar een tragere tijd dan een eigen subjectief tijdsverloop waarnemen, dan wil ik best nog altijd meegaan.
En zelfs Greenes voorbeeld kan ik in principe nog volgen. Dus, A ziet B passeren aan hoog tempo, en meet dat de klok van B langzamer loopt dan de zijne. Maar B denkt precies hetzelfde over de klok van A. Kunnen ze de “tegenstrijdigheid” aantonen? Wel, A klokt af wanneer B passeert, en wacht een seconde. Op dat moment ziet hij dat er bij B nog geen seconde is gepasseerd. Zie je wel, denkt hij, B kan nu zelf zien dat mijn klok al verder staat dan die van hem. Alleen, opdat B dat kan zien moet eerst het licht dat de klok van A naar B zendt ook bij B gearriveerd zijn. En als B aan hoge snelheid van A wegbeweegt, dan doet ook het licht dat de beëindigde seconde aan B gaat aankondigen daar almaar meer tijd over. Dus dat licht vertrekt bij A wanneer bij B de seconde nog niet verstreken is, maar het arriveert bij B pas nadat diens seconde wel al verstreken is. En dus “ziet” B dat A’s seconde verstreken is nadat hij zijn eigen seconde heeft zien verstrijken, en dus denkt B dat de klok van A trager loopt dan die van hem. Dat alles dus uit het voorbeeld van Greene.
Uim, ja. Ik twijfel er geen moment aan dat het de wetenschap is die dit probleem goed en scherp heeft doorgedacht, en dat ik het ben die hier iets gemist heeft. Namelijk heb ik het gevoel dat dat prachtig werkt wanneer B van A wegbeweegt, terwijl het principe moet werken voor alle snelbewegende waarnemers, onafhankelijk van hun onderliggende richting. Dus als A en B deze metingen doen wanneer ze zich naar elkaar toe bewegen, dan moeten ze ook elkaars klokken langzamer zien tikken dan die van henzelf - en nu mis ik Greenes techniek om dat ook te laten blijken.
En dus: ik moet passen. Maar als iemand er meer van weet, dan heel graag.
--------------------------------------------------
(1) http://speelsmaarserieus.blogspot.com/2007/07/filosferen-over-ruimte-en-tijd.html
EN http://speelsmaarserieus.blogspot.com/2007/07/en-toen-werd-het-ontzettend-vreemd.html
EN http://speelsmaarserieus.blogspot.com/2007/07/meer-over-de-constante-lichtsnelheid.html
(2) Greene, The Elegant Universe, 2000
EN Greene, The Fabric of the Cosmos, 2004
Het punt was, bepaalde verschijnselen die werden waargenomen konden we niet vatten in onze dagdagelijkse, intuïtieve begrippen over ruimte en tijd: de rekeningen klopten gewoon niet. Zoals lezer Delirium er al bijzette, dat komt omdat er in onze berekeningen een assumptie zit, zo groot als een huis. De ruimte is drie-dimensionaal en oneindig, de tijd is één-dimensionaal en ook oneindig, dat soort dingen: Delirium noemde deze assumpties “Euclidisch” naar de Griekse wiskundige die er millennia geleden de bijhorende wiskunde van neerschreef.
Die assumptie lijkt zo massief correct, dat we geneigd zijn het niet als een assumptie te beschouwen, maar als een simpele beschrijving van de realiteit. Immers, nooit in onze dagelijkse waarnemingen, en nooit in onze evolutionaire geschiedenis, hebben we er ook maar één uitzondering op ontmoet. En dus zitten die assumpties “geprogrammeerd” in ons verstand – en voelen we ons niet zelden erg geïrriteerd wanneer we voor de eerste keer met verhalen zoals uit die posts geconfronteerd worden.
Maar het blijkt dat de realiteit toch zo is, en wat we de wetenschap bij monde van Einstein zagen doen was de assumptie vervangen door een betere. Als we gewoon kunnen waarnemen dat de lichtsnelheid voor alle waarnemers constant is, met welke snelheid ze zelf ook de metingen doen, dan lossen we dat probleem op met een niet-Euclidische assumptie. Tijd en ruimte zijn niet langer absoluut en de rest van de bende, maar zijn zelf functies van de verhoudingen tussen waarnemers en waarnemingen. Tijd kan met andere woorden sneller of trager gaan voor de ene dan voor de andere, en ruimte kan heel diverse vormen aannemen en wat nog meer. De reden waarom ik deze assumptie “beter” noem dan de Euclidische, is dat we er nog steeds heel precies de dagdagelijkse verschijnselen mee kunnen analyseren (aan zeer kleine fracties van de lichtsnelheid maakt het allemaal geen verschil), terwijl we er bovendien gebeurtenissen op kosmische schaal, mee kunnen analyseren.
Alleen signaleert Greene in The Elegant Universe nog het volgende probleem. Als A iemand anders (B, dus) aan grote snelheid ziet voorbijkomen, ziet A dat de klokken van B trager lopen dan die van hemzelf; zoals beschreven in de posts onder (1). Maar B zelf ziet natuurlijk ook A even snel bewegen ten opzichte van hemzelf, als A dat zag van B. De fysicus op de trein zag evengoed de waanemers op het perron met grote snelheid ten opzichte van hemzelf bewegen, als omgekeerd. En dus is de conclusie dat niet alleen A de klokken van B zal langzamer zien bewegen dan die van hemzelf, maar dat B tegelijk ook de klokken van A zal langzamer zien bewegen dan die van hemzelf!
Daarmee lijken we in een logische paradox te zitten die veel erger is dan het feit dat het intuïtief vreemd is. En ik kan er nog inkomen dat we dit oplossen door er op te wijzen dat er in dit denken nu eenmaal geen objectieve, absolute tijd meer is. Als ze allebei waarnamen dat de klok van de ander trager ging dan de absolute tijd, dan denk ik dat je stilaan een logische contradictie had aangetoond. Maar als ze allebei alleen maar een tragere tijd dan een eigen subjectief tijdsverloop waarnemen, dan wil ik best nog altijd meegaan.
En zelfs Greenes voorbeeld kan ik in principe nog volgen. Dus, A ziet B passeren aan hoog tempo, en meet dat de klok van B langzamer loopt dan de zijne. Maar B denkt precies hetzelfde over de klok van A. Kunnen ze de “tegenstrijdigheid” aantonen? Wel, A klokt af wanneer B passeert, en wacht een seconde. Op dat moment ziet hij dat er bij B nog geen seconde is gepasseerd. Zie je wel, denkt hij, B kan nu zelf zien dat mijn klok al verder staat dan die van hem. Alleen, opdat B dat kan zien moet eerst het licht dat de klok van A naar B zendt ook bij B gearriveerd zijn. En als B aan hoge snelheid van A wegbeweegt, dan doet ook het licht dat de beëindigde seconde aan B gaat aankondigen daar almaar meer tijd over. Dus dat licht vertrekt bij A wanneer bij B de seconde nog niet verstreken is, maar het arriveert bij B pas nadat diens seconde wel al verstreken is. En dus “ziet” B dat A’s seconde verstreken is nadat hij zijn eigen seconde heeft zien verstrijken, en dus denkt B dat de klok van A trager loopt dan die van hem. Dat alles dus uit het voorbeeld van Greene.
Uim, ja. Ik twijfel er geen moment aan dat het de wetenschap is die dit probleem goed en scherp heeft doorgedacht, en dat ik het ben die hier iets gemist heeft. Namelijk heb ik het gevoel dat dat prachtig werkt wanneer B van A wegbeweegt, terwijl het principe moet werken voor alle snelbewegende waarnemers, onafhankelijk van hun onderliggende richting. Dus als A en B deze metingen doen wanneer ze zich naar elkaar toe bewegen, dan moeten ze ook elkaars klokken langzamer zien tikken dan die van henzelf - en nu mis ik Greenes techniek om dat ook te laten blijken.
En dus: ik moet passen. Maar als iemand er meer van weet, dan heel graag.
--------------------------------------------------
(1) http://speelsmaarserieus.blogspot.com/2007/07/filosferen-over-ruimte-en-tijd.html
EN http://speelsmaarserieus.blogspot.com/2007/07/en-toen-werd-het-ontzettend-vreemd.html
EN http://speelsmaarserieus.blogspot.com/2007/07/meer-over-de-constante-lichtsnelheid.html
(2) Greene, The Elegant Universe, 2000
EN Greene, The Fabric of the Cosmos, 2004
Debat is nodig...
... zegt Ivan Janssens in een post (1) die nog wel naar een oudere verzuchting van mezelf (2) verwijst. En dat is ook zo. Wij, "kritisch rationalisten" (in de termen van wetenschapsfilosoof Karl Popper, die daarmee toch in de hogere regionen van het filosofisch pantheon is geëindigd) denken immers niet dat we veel vooruitgang zullen maken door steeds weer onze eigen Waarheden (jaja: met hoofdletter) te herkauwen, maar integendeel door ze af te zetten tegen andere opinies en mogelijke problemen. Alle grote intellectuele doorbraken zijn er tenslotte gekomen door voor die problemen de oplossing te vinden, en niet door het credo te herhalen dat op die problemen botste. En over de overeenstemming die Ivan en ik daarover voelen heb ik het hier ook al gehad (3).
Maar nu ontstaat een ander probleem. Het is het probleem waaraan al zoveel forums, usenet op kop, zijn aan kapot gegaan. Naarmate de ruimte voor debat meer open gaat, komen er ook meer stemmen op die, laten we nu eens gewoon eerlijk zijn, niet alleen helemaal niets hebben toe te voegen, maar dat niets ook zo luid uitschreeuwen dat je al van ver voelt: ze hebben eigenlijk alleen maar aandacht nodig.
En dus raakten forums en blogs binnen de kortste keren overspoeld door dit soort stemmen, en het medium bij uitstek dat de zo broodnodige debatten had kunnen toelaten ging terug naar af. Precies het soort dingen waarvan Ivan ook een voorbeeld geeft: op een bepaald moment verzinken de verdedigers van één of andere waanzinnige stelling zo in de woordenkramerij dat er geen enkele inhoudelijke betekenis meer in de discussie zit.
Mensen zoals ik hopen dat het internet, door geleidelijke evolutie, alsnog die belofte zal waarmaken. Bijvoorbeeld doordat er een blogosfeer ontstaat, waar de nadelen van al die individuele blogs op hun beurt overstegen raken. De bloggers en hun commentatoren raken in conversatie met elkaar, en ze zullen heus niet teveel tijd steken in "AIDS bestaat niet" en "de Aarde is plat" en "de evilutietheorie is weerlegd": géén tikfout, dat is gewoon hun niveau.
En we zullen allemaal ons best moeten doen! Want die dingen hierboven bestaan, en ze vormen zelfs het merendeel van wat er op het net te vinden is. En dus is de verleiding groot om alle opinies waar we het niet mee eens zijn daar maar meteen bij te plaatsen, en onze veroordeling luidkeels van de daken te schreeuwen. Precies het soort gedrag dat we als kritisch rationalisten wilden vermijden.
We zouden integendeel moeten zuinig zijn op luciede gesprekspartners, die de zaken vanuit een heel andere hoek bekijken. En tegelijk denk ik dat we obscurantisten die potentiëel gevaarlijk zijn ("we moeten de scheppingstheorie op school onderwijzen op hetzelfde niveau als de evolutietheorie (4)") moeten bestrijden. Hier hebben we nu te maken met fundamentalisten die (anders dan in het voorbeeld van Ivan) niet kunnen zeggen welke uitzonderingen en potentiële problemen er met hun theorieën zijn.
Maar dat "zuinig zijn", ik geef het op mijn blote knieën toe, is buitengewoon, moeilijk. Juist omdat we er zo vaak in falen dragen we zelf bij aan het afschrikken van "het debat", datzelfde debat waarover we de hele tijd zeggen dat het "nodig" is, en dat we niet zelden in termen van "vrije meningsuiting" verdedigen.
-----------------------------------
(1) http://www.ivanjanssens.be/dutch/nartikel.asp?link=141
(2) http://speelsmaarserieus.blogspot.com/2007/06/ik-mis-een-nederlandstalige-blogosfeer.html
(3) http://www.ivanjanssens.be/dutch/nartikel.asp?link=122
EN: http://speelsmaarserieus.blogspot.com/2007/06/wat-is-een-marktfundamentalist.html
(4) http://speelsmaarserieus.blogspot.com/2007/05/nogmaals-natuurlijke-selectie.html
Maar nu ontstaat een ander probleem. Het is het probleem waaraan al zoveel forums, usenet op kop, zijn aan kapot gegaan. Naarmate de ruimte voor debat meer open gaat, komen er ook meer stemmen op die, laten we nu eens gewoon eerlijk zijn, niet alleen helemaal niets hebben toe te voegen, maar dat niets ook zo luid uitschreeuwen dat je al van ver voelt: ze hebben eigenlijk alleen maar aandacht nodig.
En dus raakten forums en blogs binnen de kortste keren overspoeld door dit soort stemmen, en het medium bij uitstek dat de zo broodnodige debatten had kunnen toelaten ging terug naar af. Precies het soort dingen waarvan Ivan ook een voorbeeld geeft: op een bepaald moment verzinken de verdedigers van één of andere waanzinnige stelling zo in de woordenkramerij dat er geen enkele inhoudelijke betekenis meer in de discussie zit.
Mensen zoals ik hopen dat het internet, door geleidelijke evolutie, alsnog die belofte zal waarmaken. Bijvoorbeeld doordat er een blogosfeer ontstaat, waar de nadelen van al die individuele blogs op hun beurt overstegen raken. De bloggers en hun commentatoren raken in conversatie met elkaar, en ze zullen heus niet teveel tijd steken in "AIDS bestaat niet" en "de Aarde is plat" en "de evilutietheorie is weerlegd": géén tikfout, dat is gewoon hun niveau.
En we zullen allemaal ons best moeten doen! Want die dingen hierboven bestaan, en ze vormen zelfs het merendeel van wat er op het net te vinden is. En dus is de verleiding groot om alle opinies waar we het niet mee eens zijn daar maar meteen bij te plaatsen, en onze veroordeling luidkeels van de daken te schreeuwen. Precies het soort gedrag dat we als kritisch rationalisten wilden vermijden.
We zouden integendeel moeten zuinig zijn op luciede gesprekspartners, die de zaken vanuit een heel andere hoek bekijken. En tegelijk denk ik dat we obscurantisten die potentiëel gevaarlijk zijn ("we moeten de scheppingstheorie op school onderwijzen op hetzelfde niveau als de evolutietheorie (4)") moeten bestrijden. Hier hebben we nu te maken met fundamentalisten die (anders dan in het voorbeeld van Ivan) niet kunnen zeggen welke uitzonderingen en potentiële problemen er met hun theorieën zijn.
Maar dat "zuinig zijn", ik geef het op mijn blote knieën toe, is buitengewoon, moeilijk. Juist omdat we er zo vaak in falen dragen we zelf bij aan het afschrikken van "het debat", datzelfde debat waarover we de hele tijd zeggen dat het "nodig" is, en dat we niet zelden in termen van "vrije meningsuiting" verdedigen.
-----------------------------------
(1) http://www.ivanjanssens.be/dutch/nartikel.asp?link=141
(2) http://speelsmaarserieus.blogspot.com/2007/06/ik-mis-een-nederlandstalige-blogosfeer.html
(3) http://www.ivanjanssens.be/dutch/nartikel.asp?link=122
EN: http://speelsmaarserieus.blogspot.com/2007/06/wat-is-een-marktfundamentalist.html
(4) http://speelsmaarserieus.blogspot.com/2007/05/nogmaals-natuurlijke-selectie.html
vrijdag 20 juli 2007
Meer over de constante lichtsnelheid
Laat me herinneren aan de twee vorige posts, waarin een beetje spelen met tijd en ruimte ons in vreemde situaties bracht. We bestudeerden een foton in een voorbijrazende trein, en ontdekten dat de snelheid van dat foton onveranderd blijft: of we nu meten vanuit de trein, dan wel stilstaand naast de sporen (1). Dat is zo ontzettend vreemd dat iedereen die het de eerste keer hoort zijn mond zou moeten voelen openvallen van verbazing (probeer desnoods die posts terug te lezen). Je mag natuurlijk ook gewoon de volgende post over baby Thomas afwachten, daar niet van. Ieder zijn hobby, nietwaar?
Intussen stonden de resultaten er zoals ze er stonden, en hoe vreemd ze ook waren, ze gingen niet weg door er opnieuw naar te kijken, laat staan hard te roepen dat het niet waar was. Dus de mensheid zat ermee, en ging het ermee moeten doen. En nu kreeg een ambtenaar in Bern een idee. Hij bekeek opnieuw de formule:
S = dr/dt
En hij redeneerde als volgt.
“S” ligt voor het licht blijkbaar vast: Zelfs als je het laat vertrekken op een platform dat reist aan 250,000 km per seconde, dan nog is het een seconde later even ver als licht dat op hetzelfde punt en hetzelfde moment vertrok van een stilstaand platform. Leer er mee leven.
Er ontstaat een probleem wanneer we op ons perron één seconde laten voorbijgaan (“dt”), en meten welke afstand het foton op de trein heeft afgelegd. De conclusie was dat het nog maar een deel van de afstand hA – B – hC (in termen van de vorige post) heeft afgelegd (anders was het foton, gemeten op het perron, sneller dan de lichtsnelheid gegaan). En bijgevolg is het voor de fysicus op de trein nog niet terug op het stuiterpunt h, wanneer op het perron de seconde voorbij is.
Laat me dat probleem concreet uitdrukken, steeds bouwend op het voorbeeld uit de vorige post. We plaatsen naast ons op het perron (punt B) een heel preciese klok. In feite bestaan er nauwelijks preciesere klokken dan klokken die zich baseren op de lichtsnelheid: denk terug aan “dt = dr/S”! Tijd is alleen uitdrukbaar in termen van een snelheid, en een afstand. Dus we zetten twee spiegels naast ons op het perron, en we maken het hoogteverschil gelijk aan de lengte “hh” op de trein. Als het foton een smurfiljard keer heen en weer is gegaan, dan is er één seconde voorbij: dt = dr/S. Zeg dat we dan een pieptoon horen. Zo staan we nu naast een vrolijk piep – piep – piep... te kijken naar de voorbijrijdende trein, waarin de fysicus eenzelfde opstelling bestudeert.
En we hebben net gezien dat, op het ogenblik dat ons foton de afstand hh heeft afgelegd (en onze klok piep zegt, en er dus een seconde gepasseerd is), het foton op de trein nog niet het punt hB bereikt heeft. Ergo: als de fysicus op de trein ook een pieptoon aan zijn opstelling heeft verbonden, die ook afgaat wanneer het foton de afstand heen en terug heeft afgelegd, en de hoogte tussen de twee spiegels ook zo heeft afgesteld dat de pieptoon elke seconde klinkt... Wat blijft er dan over dan te concluderen dat wij op het perron al een pieptoon zullen horen wanneer het foton op de trein nog niet de hele afstand heeft afgelegd; wanneer de fysicus op de trein nog geen pieptoon zal horen?
Maar ook de fysicus op de trein noemt zijn opstelling een heel nauwkeurige klok (het is immers dezelfde opstelling), waarbij één seconde gepasseerd is als het foton een smurfiljard keer heen en weer is gegaan, en wanneer hij (bijgevolg) een pieptoon hoort. En dus moeten we concluderen dat de seconde in de trein nog niet verstreken is, als de seconde op het perron wel al verstreken is. Met nog andere woorden: dat de tijd op de snelrijdende trein langzamer gaat dan op het perron. (Aldus de ambtenaar in Bern, de man met een idee.)
En dat klopt perfect met de formule! dt = dr/S! Als we ons afvragen hoeveel tijd er is verlopen, is “dt” de vraag en geeft “dr/S” ons de formule om de cijfers in te vullen die het probleem oplossen. Na één seconde op onze klok (ons foton heeft onze afstand “hh” afgelegd) heeft het foton op de trein nog maar een een deel van de afstand (“dr”) hA – B – hC afgelegd. Dat wil zeggen, het heeft op dat moment voor de fysicus op de trein nog niet de afstand “hh” afgelegd. Maar dan moet de fysicus op de trein op dat moment in de formule “dt = dr/S” een kleinere teller invullen voor een gelijkblijvende noemer, en de formule geeft hem een “dt” die kleiner is dan onze “dt” op het perron. En aangezien dt van bij het begin niets anders was dan het verlopen van de tijd, concluderen we dat er voor de fysicus op de trein minder tijd verloopt dan voor ons. Of opnieuw: de tijd op de snelrijdende trein loopt trager dan op het perron.
Nu, dat waren de bedenksels van de ambtenaar uit Bern. De lezer die al lang met een wijsvinger tegen zijn voorhoofd zit te te tikken kunnen we meteen geruststellen. De ambtenaar uit Bern was niets anders dan een gewone, simpele ambtenaar, wiens studies van zodanige bedenkelijk niveau waren, dat er voor hem geen plaats in de academische wereld was. Komaan, zeg, de tijd gaat langzamer op de snelrijdende trein dan hier op het perron – wat krijgen we nog meer?
Natuurlijk, het volgt ook wel rechtstreeks uit de simpele, dagdagelijkse formule, maar toch: het is veel redelijker aan te nemen dat onze metingen onzuiver zijn dan dat de tijd vertraagt op die trein, nietwaar? En als die ambtenaar zo ongelofelijk slim was – waarom had hij dan geen positie aan één van die Europese topuniversiteiten waar in die periode zoveel fundamenteel onderzoek in de fysica plaatsvond?
Wel, dat laatste is wat ik ook wel eens wou willen weten. Het jaartal was 1,905. De naam van de (wetenschappelijk gesproken) titelloze, positieloze ambtenaar in Bern was Albert Einstein, en het idee dat ik net beschreef legde de basis aan de relativiteitstheorie. Dus als er voor hem geen plaats was aan de universiteiten van Europa – om dat te begrijpen zal er meer nodig zijn dan het inzicht dat tijd geen absolute entiteit is...
---------------------------------------------------
(1) http://speelsmaarserieus.blogspot.com/2007/07/filosferen-over-ruimte-en-tijd.html
EN http://speelsmaarserieus.blogspot.com/2007/07/en-toen-werd-het-ontzettend-vreemd.html
Intussen stonden de resultaten er zoals ze er stonden, en hoe vreemd ze ook waren, ze gingen niet weg door er opnieuw naar te kijken, laat staan hard te roepen dat het niet waar was. Dus de mensheid zat ermee, en ging het ermee moeten doen. En nu kreeg een ambtenaar in Bern een idee. Hij bekeek opnieuw de formule:
S = dr/dt
En hij redeneerde als volgt.
“S” ligt voor het licht blijkbaar vast: Zelfs als je het laat vertrekken op een platform dat reist aan 250,000 km per seconde, dan nog is het een seconde later even ver als licht dat op hetzelfde punt en hetzelfde moment vertrok van een stilstaand platform. Leer er mee leven.
Er ontstaat een probleem wanneer we op ons perron één seconde laten voorbijgaan (“dt”), en meten welke afstand het foton op de trein heeft afgelegd. De conclusie was dat het nog maar een deel van de afstand hA – B – hC (in termen van de vorige post) heeft afgelegd (anders was het foton, gemeten op het perron, sneller dan de lichtsnelheid gegaan). En bijgevolg is het voor de fysicus op de trein nog niet terug op het stuiterpunt h, wanneer op het perron de seconde voorbij is.
Laat me dat probleem concreet uitdrukken, steeds bouwend op het voorbeeld uit de vorige post. We plaatsen naast ons op het perron (punt B) een heel preciese klok. In feite bestaan er nauwelijks preciesere klokken dan klokken die zich baseren op de lichtsnelheid: denk terug aan “dt = dr/S”! Tijd is alleen uitdrukbaar in termen van een snelheid, en een afstand. Dus we zetten twee spiegels naast ons op het perron, en we maken het hoogteverschil gelijk aan de lengte “hh” op de trein. Als het foton een smurfiljard keer heen en weer is gegaan, dan is er één seconde voorbij: dt = dr/S. Zeg dat we dan een pieptoon horen. Zo staan we nu naast een vrolijk piep – piep – piep... te kijken naar de voorbijrijdende trein, waarin de fysicus eenzelfde opstelling bestudeert.
En we hebben net gezien dat, op het ogenblik dat ons foton de afstand hh heeft afgelegd (en onze klok piep zegt, en er dus een seconde gepasseerd is), het foton op de trein nog niet het punt hB bereikt heeft. Ergo: als de fysicus op de trein ook een pieptoon aan zijn opstelling heeft verbonden, die ook afgaat wanneer het foton de afstand heen en terug heeft afgelegd, en de hoogte tussen de twee spiegels ook zo heeft afgesteld dat de pieptoon elke seconde klinkt... Wat blijft er dan over dan te concluderen dat wij op het perron al een pieptoon zullen horen wanneer het foton op de trein nog niet de hele afstand heeft afgelegd; wanneer de fysicus op de trein nog geen pieptoon zal horen?
Maar ook de fysicus op de trein noemt zijn opstelling een heel nauwkeurige klok (het is immers dezelfde opstelling), waarbij één seconde gepasseerd is als het foton een smurfiljard keer heen en weer is gegaan, en wanneer hij (bijgevolg) een pieptoon hoort. En dus moeten we concluderen dat de seconde in de trein nog niet verstreken is, als de seconde op het perron wel al verstreken is. Met nog andere woorden: dat de tijd op de snelrijdende trein langzamer gaat dan op het perron. (Aldus de ambtenaar in Bern, de man met een idee.)
En dat klopt perfect met de formule! dt = dr/S! Als we ons afvragen hoeveel tijd er is verlopen, is “dt” de vraag en geeft “dr/S” ons de formule om de cijfers in te vullen die het probleem oplossen. Na één seconde op onze klok (ons foton heeft onze afstand “hh” afgelegd) heeft het foton op de trein nog maar een een deel van de afstand (“dr”) hA – B – hC afgelegd. Dat wil zeggen, het heeft op dat moment voor de fysicus op de trein nog niet de afstand “hh” afgelegd. Maar dan moet de fysicus op de trein op dat moment in de formule “dt = dr/S” een kleinere teller invullen voor een gelijkblijvende noemer, en de formule geeft hem een “dt” die kleiner is dan onze “dt” op het perron. En aangezien dt van bij het begin niets anders was dan het verlopen van de tijd, concluderen we dat er voor de fysicus op de trein minder tijd verloopt dan voor ons. Of opnieuw: de tijd op de snelrijdende trein loopt trager dan op het perron.
Nu, dat waren de bedenksels van de ambtenaar uit Bern. De lezer die al lang met een wijsvinger tegen zijn voorhoofd zit te te tikken kunnen we meteen geruststellen. De ambtenaar uit Bern was niets anders dan een gewone, simpele ambtenaar, wiens studies van zodanige bedenkelijk niveau waren, dat er voor hem geen plaats in de academische wereld was. Komaan, zeg, de tijd gaat langzamer op de snelrijdende trein dan hier op het perron – wat krijgen we nog meer?
Natuurlijk, het volgt ook wel rechtstreeks uit de simpele, dagdagelijkse formule, maar toch: het is veel redelijker aan te nemen dat onze metingen onzuiver zijn dan dat de tijd vertraagt op die trein, nietwaar? En als die ambtenaar zo ongelofelijk slim was – waarom had hij dan geen positie aan één van die Europese topuniversiteiten waar in die periode zoveel fundamenteel onderzoek in de fysica plaatsvond?
Wel, dat laatste is wat ik ook wel eens wou willen weten. Het jaartal was 1,905. De naam van de (wetenschappelijk gesproken) titelloze, positieloze ambtenaar in Bern was Albert Einstein, en het idee dat ik net beschreef legde de basis aan de relativiteitstheorie. Dus als er voor hem geen plaats was aan de universiteiten van Europa – om dat te begrijpen zal er meer nodig zijn dan het inzicht dat tijd geen absolute entiteit is...
---------------------------------------------------
(1) http://speelsmaarserieus.blogspot.com/2007/07/filosferen-over-ruimte-en-tijd.html
EN http://speelsmaarserieus.blogspot.com/2007/07/en-toen-werd-het-ontzettend-vreemd.html
donderdag 19 juli 2007
En toen werd het ontzettend vreemd...
Als vervolg op mijn post over snelheid, ruimte en tijd (1) volgt nu iets waarmee ik serieus dreig te verdwalen in regionen die zich ver boven mijn intellectuele stand afspelen. Maar wie niet waagt leert nooit iets bij, nietwaar? En naast het feit dat proberen het uit te drukken helpt, is het al voorgekomen dat behulpzame lezers me nog een eindje vooruit helpen. Dus laten we maar eens een beetje zot doen.
Ik begin met een rijdende trein, waarin de wereldkampioen basketball de tijd staat te doden met vingeroefeningen. En zeg dat het één seconde duurt om de bal van zijn hand naar de grond te stuiteren en terug. Dus hebben we nu een afstand (hand tot hand; noem dat “hh”) en we hebben een tijdsverschil (er passeert één seconde voor de bal opnieuw bij de hand is), en dus hebben we een snelheid volgens de formule in die post:
S = dr/dt
Namelijk is de snelheid van de bal gelijk aan hh per seconde. En dus is het 60hh per minuut en 3,600 hh per uur. Einde eerste bedrijf.
We laten onze trein in snel tempo door een station zoeven, en daar op het perron staat op punt B de voltallige ploeg lezers van Speels maar Serieus naar de sporen te kijken. Op het moment dat de trein ons passeert raakt de bal in de trein de bodem: op punt B, dus. Dat wil zeggen dat de bal aan de hand van de speler was op een punt A voor de trein het station binnenreed, en weer ter hoogte van de hand zal komen op een punt C na dat de trein het station weer verlaten heeft.
Ik hoop dat alleen de meest luie, hopeloze lezer afhaakt zonder even te bedenken dat de route die de bal beschrijft van de punten hA – B – hC een driehoekige vorm heeft, met B als naar beneden gerichte punt. Bijgevolg zien de waarnemers op punt B in de formule “S = dr/dt” niet het cijfer “hh/dr”, maar wel het grotere "hAhC/dr" staan. Met een gelijkblijvende noemer (dat is allemaal nog steeds tijdens die ene seconde gebeurd), betekent dat dat zij een basketbal zien met een grotere snelheid dan de speler in de trein ziet. En toch is het dezelfde basketbal in dezelfde seconde!
Dat is iets dat al sinds de tijd van Galileï geen mysterie meer is. Zoals ik schreef in een vroegere post: Galileï wist al dat “gemeenschappelijke beweging” (in casu de beweging van de trein waar de speler zelf op zit) niet wordt waargenomen door de speler (2). Dus, de speler in de trein houdt geen rekening met de beweging van de trein van A naar C, en meet dus enkel de afstand “hh”. Maar de lezers van Speels maar Serieus weten wel wat Galileï ermee te maken heeft, en ze rekenen dus wel de beweging van de trein mee, en dus zien ze een hogere snelheid dan de speler in de trein, voor dezelfde bal. Snelheid is relatief, zoals Galileï al zei, en ze leefden allemaal nog lang en gelukkig. Einde tweede bedrijf.
Onze speler kiest voor een nieuwe carrière en wordt fysicus. In plaats van een basketbal kaatst hij een lichtstraal, in de vorm van één enkel foton, heen en weer tussen een spiegel op de grond in de trein, en een spiegel in zijn hand. Aangezien dat foton sneller gaat dan een basketbal stuitert het op één seconde veel vaker dan één keer. Zeg dat het één seconde duurt om een smurfiljard keer te stuiteren. Dus: de fysicus ziet een bepaalde afstand (dr = een smurfiljard keer hh) en hij ziet een bepaalde tijdsspanne (dt = één seconde), dus (overeenkomstig de formule S = dr/dt): de snelheid van het foton is één smurfiljard keer de lengte hh per seconde.
Intussen zien de lezers – die vragen zich nog steeds op punt B af waarom ze dit artikel eigenlijk lezen – de trein voorbijzoeven, en zij zien het foton de route hA – B – hC volgen. Precies zoals bij de basketbal concluderen ze dat de snelheid van het foton in werkelijkheid één smurfiljard maal de lengte hAhC is. Snelheid is relatief, en dus verwachten ze een hogere snelheid voor licht dat passeert op een voorbijrijdende trein.
Als één van die lezers echter de snelheid van het foton op de trein zou meten, dan zou die 300,000 kilometer per seconde vinden: de lichtsnelheid. Terwijl, als ze zouden meten aan welke snelheid het foton reist, gemeten door de waarnemers op punt B naast de trein, dan vinden ze niet (zoals dat voor de basketbal wel het geval was) “de lichtsnelheid plus de snelheid van de trein”, maar wel “de lichtsnelheid, plus nul komma niks”. Of het foton nu op een rijdende, dan wel stilstaande trein vertrekt, de lichtsnelheid is altijd precies dezelfde!
Dat is zo ontzettend vreemd dat de lezer die dat niet intuïtief aanvoelt zich eens moet afvragen wat hij zou denken indien we hem vertelden dat de snelheid van de basketbal, gemeten op het perron, gelijk was aan de snelheid gemeten in de trein, zelfs als die trein aan 250,000 kilometer per seconde voorbij raast.
Dat zou precies even vreemd zijn als in een auto die tegen 50 per uur frontaal tegen een andere auto botst, en die ook 50 per uur reed, een klap van niet meer dan 50 per uur registreren.
En toch is dat exact wat we vaststellen met de snelheid van het licht (maar niet van de basketbal, en niet van de auto, enzovoort). Als je in een stilstaande auto je lichten aanschakelt, dan schiet dat licht van je weg aan 300,000 km per seconde. En als je auto aan 250,000 kilometer per uur aan het rijden was, en je schakelt je lichten aan, dan zou dat licht zich ook met een snelheid van 300,000 km per seconde van je weg bewegen. Ik hoop dat je het verschrikkelijk weird vindt, want dat is het ook. Als het je niet kan schelen, wel, probeer voetbal, of wielrennen. Maar iedereen die het wel kon schelen, en die fysicus werd om met zijn eigen ogen te zien dat het niet waar was, heeft vervolgens erkend: ja, het is toch waar. Het is honderdduizend keer gemeten en geverifiëerd, en hoe weird het ook is: Het. Is. Toch. Waar.
Bij mijn weten was dit iets waar de fysici zich voor de eerste keer over de kop stonden te krabben tegen het einde van de negentiende eeuw. Het was de eerste keer ook, denk ik, dat de mensheid zich realizeerde dat het universum waarin we leven veel, en veel, en nog een keer veel vreemder is dan we ons inbeeldden. Je weet wel, in die goede oude tijd toen het universum bestond uit een soort vergrote biljartballen, en de natuurkunde nog een tiental problemen op te lossen had, en dan ging het gedaan zijn...
---------------------------------------------------
(1) http://speelsmaarserieus.blogspot.com/2007/07/filosferen-over-ruimte-en-tijd.html
(2) http://speelsmaarserieus.blogspot.com/2007/06/niets-nieuws-onder-de-zon.html
Ik begin met een rijdende trein, waarin de wereldkampioen basketball de tijd staat te doden met vingeroefeningen. En zeg dat het één seconde duurt om de bal van zijn hand naar de grond te stuiteren en terug. Dus hebben we nu een afstand (hand tot hand; noem dat “hh”) en we hebben een tijdsverschil (er passeert één seconde voor de bal opnieuw bij de hand is), en dus hebben we een snelheid volgens de formule in die post:
S = dr/dt
Namelijk is de snelheid van de bal gelijk aan hh per seconde. En dus is het 60hh per minuut en 3,600 hh per uur. Einde eerste bedrijf.
We laten onze trein in snel tempo door een station zoeven, en daar op het perron staat op punt B de voltallige ploeg lezers van Speels maar Serieus naar de sporen te kijken. Op het moment dat de trein ons passeert raakt de bal in de trein de bodem: op punt B, dus. Dat wil zeggen dat de bal aan de hand van de speler was op een punt A voor de trein het station binnenreed, en weer ter hoogte van de hand zal komen op een punt C na dat de trein het station weer verlaten heeft.
Ik hoop dat alleen de meest luie, hopeloze lezer afhaakt zonder even te bedenken dat de route die de bal beschrijft van de punten hA – B – hC een driehoekige vorm heeft, met B als naar beneden gerichte punt. Bijgevolg zien de waarnemers op punt B in de formule “S = dr/dt” niet het cijfer “hh/dr”, maar wel het grotere "hAhC/dr" staan. Met een gelijkblijvende noemer (dat is allemaal nog steeds tijdens die ene seconde gebeurd), betekent dat dat zij een basketbal zien met een grotere snelheid dan de speler in de trein ziet. En toch is het dezelfde basketbal in dezelfde seconde!
Dat is iets dat al sinds de tijd van Galileï geen mysterie meer is. Zoals ik schreef in een vroegere post: Galileï wist al dat “gemeenschappelijke beweging” (in casu de beweging van de trein waar de speler zelf op zit) niet wordt waargenomen door de speler (2). Dus, de speler in de trein houdt geen rekening met de beweging van de trein van A naar C, en meet dus enkel de afstand “hh”. Maar de lezers van Speels maar Serieus weten wel wat Galileï ermee te maken heeft, en ze rekenen dus wel de beweging van de trein mee, en dus zien ze een hogere snelheid dan de speler in de trein, voor dezelfde bal. Snelheid is relatief, zoals Galileï al zei, en ze leefden allemaal nog lang en gelukkig. Einde tweede bedrijf.
Onze speler kiest voor een nieuwe carrière en wordt fysicus. In plaats van een basketbal kaatst hij een lichtstraal, in de vorm van één enkel foton, heen en weer tussen een spiegel op de grond in de trein, en een spiegel in zijn hand. Aangezien dat foton sneller gaat dan een basketbal stuitert het op één seconde veel vaker dan één keer. Zeg dat het één seconde duurt om een smurfiljard keer te stuiteren. Dus: de fysicus ziet een bepaalde afstand (dr = een smurfiljard keer hh) en hij ziet een bepaalde tijdsspanne (dt = één seconde), dus (overeenkomstig de formule S = dr/dt): de snelheid van het foton is één smurfiljard keer de lengte hh per seconde.
Intussen zien de lezers – die vragen zich nog steeds op punt B af waarom ze dit artikel eigenlijk lezen – de trein voorbijzoeven, en zij zien het foton de route hA – B – hC volgen. Precies zoals bij de basketbal concluderen ze dat de snelheid van het foton in werkelijkheid één smurfiljard maal de lengte hAhC is. Snelheid is relatief, en dus verwachten ze een hogere snelheid voor licht dat passeert op een voorbijrijdende trein.
Als één van die lezers echter de snelheid van het foton op de trein zou meten, dan zou die 300,000 kilometer per seconde vinden: de lichtsnelheid. Terwijl, als ze zouden meten aan welke snelheid het foton reist, gemeten door de waarnemers op punt B naast de trein, dan vinden ze niet (zoals dat voor de basketbal wel het geval was) “de lichtsnelheid plus de snelheid van de trein”, maar wel “de lichtsnelheid, plus nul komma niks”. Of het foton nu op een rijdende, dan wel stilstaande trein vertrekt, de lichtsnelheid is altijd precies dezelfde!
Dat is zo ontzettend vreemd dat de lezer die dat niet intuïtief aanvoelt zich eens moet afvragen wat hij zou denken indien we hem vertelden dat de snelheid van de basketbal, gemeten op het perron, gelijk was aan de snelheid gemeten in de trein, zelfs als die trein aan 250,000 kilometer per seconde voorbij raast.
Dat zou precies even vreemd zijn als in een auto die tegen 50 per uur frontaal tegen een andere auto botst, en die ook 50 per uur reed, een klap van niet meer dan 50 per uur registreren.
En toch is dat exact wat we vaststellen met de snelheid van het licht (maar niet van de basketbal, en niet van de auto, enzovoort). Als je in een stilstaande auto je lichten aanschakelt, dan schiet dat licht van je weg aan 300,000 km per seconde. En als je auto aan 250,000 kilometer per uur aan het rijden was, en je schakelt je lichten aan, dan zou dat licht zich ook met een snelheid van 300,000 km per seconde van je weg bewegen. Ik hoop dat je het verschrikkelijk weird vindt, want dat is het ook. Als het je niet kan schelen, wel, probeer voetbal, of wielrennen. Maar iedereen die het wel kon schelen, en die fysicus werd om met zijn eigen ogen te zien dat het niet waar was, heeft vervolgens erkend: ja, het is toch waar. Het is honderdduizend keer gemeten en geverifiëerd, en hoe weird het ook is: Het. Is. Toch. Waar.
Bij mijn weten was dit iets waar de fysici zich voor de eerste keer over de kop stonden te krabben tegen het einde van de negentiende eeuw. Het was de eerste keer ook, denk ik, dat de mensheid zich realizeerde dat het universum waarin we leven veel, en veel, en nog een keer veel vreemder is dan we ons inbeeldden. Je weet wel, in die goede oude tijd toen het universum bestond uit een soort vergrote biljartballen, en de natuurkunde nog een tiental problemen op te lossen had, en dan ging het gedaan zijn...
---------------------------------------------------
(1) http://speelsmaarserieus.blogspot.com/2007/07/filosferen-over-ruimte-en-tijd.html
(2) http://speelsmaarserieus.blogspot.com/2007/06/niets-nieuws-onder-de-zon.html
woensdag 18 juli 2007
Filosoferen over Ruimte en Tijd
Als je de verslagen leest van waar de hedendaagse fysici mee bezig zijn, dan valt af en toe de uitdrukking “de onredelijke efficientie van de wiskunde”. Daar zijn redenen voor die mijn pet ver te boven gaan, maar je kan ook een beetje zien waar dat over gaat op een zeer simpel niveau.
Neem nu snelheid. Dat heeft de volgende mathematische definitie:
S = dr/dt
Zoals bij een eerdere gelegenheid (1) wijs ik er op dat we ons niet moeten laten afschrikken door een formule van, ocharme, zeven karakters. Bovendien betekent S niets anders dan snelheid, “=” is het “is gelijk aan” teken, en het schuine streepje duidt op de deling. “r” betekent “ruimte” en “t” betekent “tijd”. Zeg nu zelf, dat is allemaal nog normaal Nederlands, alleen een beetje verkort.
De enige term waarmee werelden van wiskundige betekenis opengaan is de term “d”, maar in deze context hebben we zelfs dat allemaal niet nodig. Het is de “d” van “difference”; van “verschil”. Dus wat er staat, véél korter dan in al deze woorden, is dat snelheid een verschil in ruimte (in de volksmond “afstand” genaamd) is, gedeeld door een verschil in tijd.
En dat is ook zo! Voor mensen met een beetje gevoel voor wiskunde is dat even triviaal als ademen. Maar mensen zoals ik verbazen zich eindeloos over hoe we zomaar twee totaal verschillende dingen onder één noemer brengen. Zonder dat we met de vermenging van beide in de grootst mogelijke kletskoek terechtkomen, maar integendeel in een uiterst efficiënte systeem om mee te werken. De fietser reist aan 20 kilometer per uur? Uitstekend, na één uur heeft hij 20 km gedaan, als we hem na 2 uur dringend nodig hebben moeten we hem 40 km verder zoeken, en iedereen kan meteen uitrekenen waar hij zit na om het even welk aantal uren.
En dat is wiskunde! Als de snelheid gegeven is, en de afstand wordt gevraagd voor een gegeven tijdsverloop, dan is het algebra van de allersimpelste soort om van de formule te maken:
S * dt = dr
En... de uitkomst zal juist zijn! De berekende, voorspelde uitkomst (dr) zal overeenkomen met waar de fietser zich werkelijk bevindt na een gespecifiëerd aantal uren (dt), tenminste, als de opgegeven snelheid (S) inderdaad de snelheid is waarmee hij reist.
Maar laat me dan nog eens iets proberen. Op basis van dezelfde algebra van het allersimpelste niveau krijg ik:
dt = dr/S
Is dat nu niet vreemd? Welke lezer heeft zich nooit vragen gesteld als “wat is tijd”? Zowel in de fysica als in de filosofie wordt deze vraag tot de allergrootste kwesties gerekend. En hier, op het allersimpelste niveau, hebben we zomaar een formule die ons daar antwoord op geeft! Tijd, zegt de formule, of beter gezegd, een tijdsverschil, en dus het verlopen van de tijd, dat is eigenlijk een ruimtelijk verschil, gedeeld door een snelheid.
Kunnen we daar niet meteen een touw aan vastknopen? Geeft niet, soms moeten we ergens over slapen voor we er duidelijkheid in zien. Wat mij onmiddellijk opviel was iets dat ik een hele tijd geleden in een postje had geschreven (2). Tijd is iets dat we niet kunnen uitdrukken zonder beroep te doen op ruimte, terwijl het omgekeerde wel kan. Bijvoorbeeld, een uurwerk met wijzers is iets waarop we weliswaar beweren “tijd” af te lezen, maar waarop we in werkelijkheid alleen maar een verandering in de ruimte (dr!) zien van een stel wijzers (waarbij we de snelheid (S!) als bekend veronderstellen). “Tijdsverloop”, is een “ruimtelijk verschil”, gedeeld door een “snelheid”! "dt = dr/S"! En dat geldt voor alle klokken, ongeacht of ze nu werken met wijzertjes of cijfertjes, of slingers, ja, zelfs met een koekoek. Ze hebben achter het scherm allemaal een mechanisme dat zo nauwkeurig mogelijk een bepaalde snelheid vastlegt, en vervolgens uit de afstanden die het mechanisme aflegt afleidt hoeveel tijd er verlopen is.
Is dat nu niet vreemd?
Volgens Plato begint filosofie met verwondering. Er zullen een hoop mensen zijn die zich haarkrabbend zitten af te vragen: waar hééft hij het in godsnaam over? Het is best mogelijk dat ik er (voor sommigen, tenminste) niet in slaag mijn verwondering te laten zien. Maar zelf kan ik me eindeloos verwonderen over hoe “tijd” (of misschien beter gezegd: ons meten van tijd) niets anders is dan een operatie in de ruimte. En nu zit ik me eindeloos te verwonderen over hoe je dat mirakel op mathematisch zeer simpele wijze afleest uit een al even simpele formule uit de fysica. Natuurlijk, als de fysici zelf zich verwonderen over die “onredelijke efficiëntie van de wiskunde”, dan gaat het om voorbeelden die op de schaal van gesofisticeerdheid ver, ver boven de schaal van Speels maar Serieus liggen. Maar het feit dat je even contact voelt alleen al is voor mij genoeg om er voor naar naar de horizon te gaan staren...
------------------------------------------------------
(1) http://speelsmaarserieus.blogspot.com/2007/02/wiskunde-wat-valt-het-snelst.html
(2) http://speelsmaarserieus.blogspot.com/2006/03/ruimte-en-tijd.html
Neem nu snelheid. Dat heeft de volgende mathematische definitie:
S = dr/dt
Zoals bij een eerdere gelegenheid (1) wijs ik er op dat we ons niet moeten laten afschrikken door een formule van, ocharme, zeven karakters. Bovendien betekent S niets anders dan snelheid, “=” is het “is gelijk aan” teken, en het schuine streepje duidt op de deling. “r” betekent “ruimte” en “t” betekent “tijd”. Zeg nu zelf, dat is allemaal nog normaal Nederlands, alleen een beetje verkort.
De enige term waarmee werelden van wiskundige betekenis opengaan is de term “d”, maar in deze context hebben we zelfs dat allemaal niet nodig. Het is de “d” van “difference”; van “verschil”. Dus wat er staat, véél korter dan in al deze woorden, is dat snelheid een verschil in ruimte (in de volksmond “afstand” genaamd) is, gedeeld door een verschil in tijd.
En dat is ook zo! Voor mensen met een beetje gevoel voor wiskunde is dat even triviaal als ademen. Maar mensen zoals ik verbazen zich eindeloos over hoe we zomaar twee totaal verschillende dingen onder één noemer brengen. Zonder dat we met de vermenging van beide in de grootst mogelijke kletskoek terechtkomen, maar integendeel in een uiterst efficiënte systeem om mee te werken. De fietser reist aan 20 kilometer per uur? Uitstekend, na één uur heeft hij 20 km gedaan, als we hem na 2 uur dringend nodig hebben moeten we hem 40 km verder zoeken, en iedereen kan meteen uitrekenen waar hij zit na om het even welk aantal uren.
En dat is wiskunde! Als de snelheid gegeven is, en de afstand wordt gevraagd voor een gegeven tijdsverloop, dan is het algebra van de allersimpelste soort om van de formule te maken:
S * dt = dr
En... de uitkomst zal juist zijn! De berekende, voorspelde uitkomst (dr) zal overeenkomen met waar de fietser zich werkelijk bevindt na een gespecifiëerd aantal uren (dt), tenminste, als de opgegeven snelheid (S) inderdaad de snelheid is waarmee hij reist.
Maar laat me dan nog eens iets proberen. Op basis van dezelfde algebra van het allersimpelste niveau krijg ik:
dt = dr/S
Is dat nu niet vreemd? Welke lezer heeft zich nooit vragen gesteld als “wat is tijd”? Zowel in de fysica als in de filosofie wordt deze vraag tot de allergrootste kwesties gerekend. En hier, op het allersimpelste niveau, hebben we zomaar een formule die ons daar antwoord op geeft! Tijd, zegt de formule, of beter gezegd, een tijdsverschil, en dus het verlopen van de tijd, dat is eigenlijk een ruimtelijk verschil, gedeeld door een snelheid.
Kunnen we daar niet meteen een touw aan vastknopen? Geeft niet, soms moeten we ergens over slapen voor we er duidelijkheid in zien. Wat mij onmiddellijk opviel was iets dat ik een hele tijd geleden in een postje had geschreven (2). Tijd is iets dat we niet kunnen uitdrukken zonder beroep te doen op ruimte, terwijl het omgekeerde wel kan. Bijvoorbeeld, een uurwerk met wijzers is iets waarop we weliswaar beweren “tijd” af te lezen, maar waarop we in werkelijkheid alleen maar een verandering in de ruimte (dr!) zien van een stel wijzers (waarbij we de snelheid (S!) als bekend veronderstellen). “Tijdsverloop”, is een “ruimtelijk verschil”, gedeeld door een “snelheid”! "dt = dr/S"! En dat geldt voor alle klokken, ongeacht of ze nu werken met wijzertjes of cijfertjes, of slingers, ja, zelfs met een koekoek. Ze hebben achter het scherm allemaal een mechanisme dat zo nauwkeurig mogelijk een bepaalde snelheid vastlegt, en vervolgens uit de afstanden die het mechanisme aflegt afleidt hoeveel tijd er verlopen is.
Is dat nu niet vreemd?
Volgens Plato begint filosofie met verwondering. Er zullen een hoop mensen zijn die zich haarkrabbend zitten af te vragen: waar hééft hij het in godsnaam over? Het is best mogelijk dat ik er (voor sommigen, tenminste) niet in slaag mijn verwondering te laten zien. Maar zelf kan ik me eindeloos verwonderen over hoe “tijd” (of misschien beter gezegd: ons meten van tijd) niets anders is dan een operatie in de ruimte. En nu zit ik me eindeloos te verwonderen over hoe je dat mirakel op mathematisch zeer simpele wijze afleest uit een al even simpele formule uit de fysica. Natuurlijk, als de fysici zelf zich verwonderen over die “onredelijke efficiëntie van de wiskunde”, dan gaat het om voorbeelden die op de schaal van gesofisticeerdheid ver, ver boven de schaal van Speels maar Serieus liggen. Maar het feit dat je even contact voelt alleen al is voor mij genoeg om er voor naar naar de horizon te gaan staren...
------------------------------------------------------
(1) http://speelsmaarserieus.blogspot.com/2007/02/wiskunde-wat-valt-het-snelst.html
(2) http://speelsmaarserieus.blogspot.com/2006/03/ruimte-en-tijd.html
dinsdag 17 juli 2007
De Wet van Parkinson
Ik heb een theorie die zegt dat Godfried Bomans zich stilistisch sterk liet inspireren door Parkinson: in het midden van de twintigste eeuw uitvinder van de gelijknamige wet. In een stijl die variëert tussen parodie, ironie, sarcasme en pure slapstick neemt Parkinson kleine en grote hebbelijkheden van de menselijke soort op de korrel, en vaak lig je al minuten slap van het lachen om zo veel absurde humor, voor je begint te beseffen dat het eigenlijk bloedserieus is.
De eerste wet – ook genaamd DE wet – van Parkinson zegt dat de hoeveelheid werk die voor een bepaalde taak nodig is rechtstreeks afhangt van de hoeveelheid tijd die er voor beschikbaar is. Dat is alvast boeiend, omdat we dat gewoonlijk, en met de grootste vanzelfsprekendheid, anders zien. “Veel werk => veel tijd” en “weinig werk => weinig tijd”, en niet omgekeerd.
Maar, zegt Parkinson, beschouw het verschil tussen twee kaartjes die hier gearriveerd zijn. Het eerste komt van mijn vriend de CEO van zijn zelf opgericht informatica bedrijfje, en zegt: gefeliciteerd met de geboorte van Thomas, John. Ik was blij en vereerd dat John, vele jaren geleden één van mijn favoriete filosofievrienden, de gebeurtenis belangrijk genoeg heeft gevonden om er 38 seconden zéér kostbare tijd aan te besteden.
Het andere kaartje ging van “Liefste Koen en Raïs en Sarah en Thomas. Enzovoort enzovoort enzovoort, drie kantjes en een half lang, en getekend door Nonkel Odilon en Tante Eulalie, en verder nog de hond, de kat, de twee parkieten, de hamster en de goudvis, allemaal bij naam.
En, gaat Parkinson verder, daarmee is gepaard gegaan “een verwoede jacht op de schrijfbril”, een zware worsteling met de formulering van al die gelukwensen en levenswijshedelijke beschouwingen, een diepzinnige beslissing over het prentje op de kaart, het formaat van de enveloppe en de vorm en kleur van de postzegel. Ja, er kan gemakkelijk een hele dag voor nodig geweest zijn!
Nu zou dat allemaal heel weinig belang hebben, als dat niet ook de ijzeren wet van de administraties aller landen was. Er is een bepaalde kwestie, iemand schrijft een nota, iemand voegt er commentaren aan toe, iemand puurt er een voorstel uit, vier anderen werken het voorstel uit, wijzigingen worden voorgesteld, fouten verbeterd, diplomatieke wegen bewandeld en ’s avonds gaat iedereen naar huis, na een zware dag werken aan iets dat door één persoon in zijn eentje ook wel kon gedaan worden. Eerlijk gezegd, ik denk dat als je je hier niet iets bij kan voorstellen, je nog niet in een grote organisatie gewerkt hebt.
En toen waren er nog niet eens IT-departementen.
Maar aangenomen dat je vindt dat ik niet alleen overdrijf (ik geef het toe! Het heet “een stijlfiguur”) maar gewoon (samen met Parkinson) de boel bedonder, Parkinson geeft ook nog een hoop cijfers. Die hebben ongeveer de volgende vorm. Voor een serie jaartallen geeft hij het effectief aan schepen van de Britse vloot (remember, in die dagen stelde dat ook nog iets voor) en het effectief van het aantal administratieve ambtenaren dat die vloot ondersteunt. Doorheen de jaren stijgt het aantal ambtenaren om de vergelijking met de entropiewet in herinnering te brengen, terwijl het aantal schepen op en neer fluctueert met de oorlogen en vredes die we van de Europese geschiedenis kennen.
Dus zal er toch wel iets van waar zijn, nietwaar? Zelfs als ik rekening houd met de mogelijkheid dat ik teveel op zoek ben naar de aap in de mens (en dus overal om me heen probeer niet de menselijke samenleving te zien, maar wel de Zoo), dan nog zie je aan kleine, dagdagelijkse dingen dat De Wet zeer vaak van toepassing is. Zo heb ik me jarenlang afgevraagd waarom ik me aan het volgende regeltje hield: Als je de keuze hebt tussen aanschuiven in verschillende rijen, kies dan de rij met het minste ouders met kinderen. (En daarna het kleinste aantal gepensioneerden, maar na het minste kinderen.)
De reden is, vanzelfsprekend, dat ik daarmee in de snelst vorderende rijen terecht kom en blijf komen. Maar de vraag is: hoe komt dat? En het antwoord, zo viel me op een dag in, is De Wet en niets anders dan De Wet. Mensen die met kinderen staan aan te schuiven zijn waarschijnlijk niet bezig hun kostbare minuten middagpauze te spenderen, en dus hebben ze veel tijd, en dus vraagt het afrekenen bij de kassa van een supermarkt veel tijd.
Alomtegenwoordig, gewoon, die Wet.
De eerste wet – ook genaamd DE wet – van Parkinson zegt dat de hoeveelheid werk die voor een bepaalde taak nodig is rechtstreeks afhangt van de hoeveelheid tijd die er voor beschikbaar is. Dat is alvast boeiend, omdat we dat gewoonlijk, en met de grootste vanzelfsprekendheid, anders zien. “Veel werk => veel tijd” en “weinig werk => weinig tijd”, en niet omgekeerd.
Maar, zegt Parkinson, beschouw het verschil tussen twee kaartjes die hier gearriveerd zijn. Het eerste komt van mijn vriend de CEO van zijn zelf opgericht informatica bedrijfje, en zegt: gefeliciteerd met de geboorte van Thomas, John. Ik was blij en vereerd dat John, vele jaren geleden één van mijn favoriete filosofievrienden, de gebeurtenis belangrijk genoeg heeft gevonden om er 38 seconden zéér kostbare tijd aan te besteden.
Het andere kaartje ging van “Liefste Koen en Raïs en Sarah en Thomas. Enzovoort enzovoort enzovoort, drie kantjes en een half lang, en getekend door Nonkel Odilon en Tante Eulalie, en verder nog de hond, de kat, de twee parkieten, de hamster en de goudvis, allemaal bij naam.
En, gaat Parkinson verder, daarmee is gepaard gegaan “een verwoede jacht op de schrijfbril”, een zware worsteling met de formulering van al die gelukwensen en levenswijshedelijke beschouwingen, een diepzinnige beslissing over het prentje op de kaart, het formaat van de enveloppe en de vorm en kleur van de postzegel. Ja, er kan gemakkelijk een hele dag voor nodig geweest zijn!
Nu zou dat allemaal heel weinig belang hebben, als dat niet ook de ijzeren wet van de administraties aller landen was. Er is een bepaalde kwestie, iemand schrijft een nota, iemand voegt er commentaren aan toe, iemand puurt er een voorstel uit, vier anderen werken het voorstel uit, wijzigingen worden voorgesteld, fouten verbeterd, diplomatieke wegen bewandeld en ’s avonds gaat iedereen naar huis, na een zware dag werken aan iets dat door één persoon in zijn eentje ook wel kon gedaan worden. Eerlijk gezegd, ik denk dat als je je hier niet iets bij kan voorstellen, je nog niet in een grote organisatie gewerkt hebt.
En toen waren er nog niet eens IT-departementen.
Maar aangenomen dat je vindt dat ik niet alleen overdrijf (ik geef het toe! Het heet “een stijlfiguur”) maar gewoon (samen met Parkinson) de boel bedonder, Parkinson geeft ook nog een hoop cijfers. Die hebben ongeveer de volgende vorm. Voor een serie jaartallen geeft hij het effectief aan schepen van de Britse vloot (remember, in die dagen stelde dat ook nog iets voor) en het effectief van het aantal administratieve ambtenaren dat die vloot ondersteunt. Doorheen de jaren stijgt het aantal ambtenaren om de vergelijking met de entropiewet in herinnering te brengen, terwijl het aantal schepen op en neer fluctueert met de oorlogen en vredes die we van de Europese geschiedenis kennen.
Dus zal er toch wel iets van waar zijn, nietwaar? Zelfs als ik rekening houd met de mogelijkheid dat ik teveel op zoek ben naar de aap in de mens (en dus overal om me heen probeer niet de menselijke samenleving te zien, maar wel de Zoo), dan nog zie je aan kleine, dagdagelijkse dingen dat De Wet zeer vaak van toepassing is. Zo heb ik me jarenlang afgevraagd waarom ik me aan het volgende regeltje hield: Als je de keuze hebt tussen aanschuiven in verschillende rijen, kies dan de rij met het minste ouders met kinderen. (En daarna het kleinste aantal gepensioneerden, maar na het minste kinderen.)
De reden is, vanzelfsprekend, dat ik daarmee in de snelst vorderende rijen terecht kom en blijf komen. Maar de vraag is: hoe komt dat? En het antwoord, zo viel me op een dag in, is De Wet en niets anders dan De Wet. Mensen die met kinderen staan aan te schuiven zijn waarschijnlijk niet bezig hun kostbare minuten middagpauze te spenderen, en dus hebben ze veel tijd, en dus vraagt het afrekenen bij de kassa van een supermarkt veel tijd.
Alomtegenwoordig, gewoon, die Wet.
maandag 16 juli 2007
Het Falen van de "Hogere Machten"
Als we terugdenken aan de post over Lee Smolin (1), en we kijken naar een aantal onwaarschijnlijk “toevallige” eigenschappen die ons universum heeft, en moet hebben om leven mogelijk te maken, dan dringt zich één conclusie op. Het lijkt er op, zonder de minste ironie, dat het universum is uitgetekend om leven mogelijk te maken! Het lijkt er zelfs heel sterk op.
Dus is de vraag hoe dat zou kunnen komen. Toeval? In vergelijking hiermee is de kans dat je de lotto wint zo groot als het Fort van Breendonk. Hogere machten? Dat is natuurlijk fijn als je je probleem een naam wil geven (“de Grote Kabouter heeft het allemaal zo in elkaar gezet”), maar behalve ruzies over of die hogere macht nu Quetzàcoatl heet, dan wel Odin, Vishnu of whatever kan je er alleen nog wat mensen levend om verbranden, en daarmee is intellectueel gesproken de koek op.
Dat is krachtige taal, maar dat is tegelijk ook heel makkelijk in te zien. Dus laten we dat proberen.
Een belangrijk principe uit de kennisfilosofie is dat uitspraken, om betekenis te hebben, een risico moeten lopen dat ze fout zijn. Mijn favoriet voorbeeld is de “voorspelling” dat het morgen ofwel zal regenen, ofwel niet zal regenen. Dat is een “voorspelling” waarmee ik zeker zal gelijk krijgen, en dat soort voorspellingen kan ik maken voor jaren in de toekomst! Maar alle spotternij op een stokje, iedereen ziet meteen in dat de uitspraak zo algemeen is, dat ze nooit fout kan zijn, en daarom niets toevoegt. Een beetje zoals de astrologie, zeg maar: “uw horoscoop”.
In de “wetenschap” is dit ongeveer het laatste waar we naar op zoek zijn, samen met het geheim van de eenhoorn. Herinner je, bijvoorbeeld, mijn verhaal van lang geleden over de kosmologie (2). Daar was de vraag hoe het kwam dat alle melkwegen die we waarnemen uit elkaar weg lijken te bewegen, en wel met een grotere snelheid naarmate ze zich al verder uit elkaar bevonden. De theorie die er al snel bijhoorde was de theorie van een explosie: de Big Bang. Die werd erg serieus genomen vanaf het moment dat er uitspraken bestonden van de vorm “als dat waar is, dan moeten we zus en zo kunnen waarnemen (waarbij “zus en zo” heel erg specifieke en waarneembare dingen zijn), en anders is het niet waar.
Natuurlijk wordt een theorie pas echt serieus genomen wanneer ze voor dat soort tests ook slagen, maar als ze die voorafgaande, “betekenistest” niet ook passeren, dan wordt er niet eens naar gekeken.
En dat is het droeve lot van al die “hogere machten” theorieën, in de kosmologie even goed als in de biologie. Want zeg nu zelf, als je ergens een verklaring voor nodig hebt, en je zegt “God heeft het zo in elkaar gezet”... Wat is dan het verschil met “de dondergod is de oorzaak van de donder”? En wat is het verschil met “de grote kabouter heeft het zo in elkaar gezet”, of “de God van de Vikings heeft het zo in elkaar gezet”?
Alleen al op dit niveau voegt de uitspraak niets toe - maar er is meer. Er is ook geen verschil met mijn favoriete “dat het morgen ofwel zal regenen, ofwel niet zal regenen”. Immers, beschouw een willekeurig probleem. Als je het oplost met “God heeft het gedaan”, dan moet je je ook eens afvragen wat je zou gezegd hebben als je precies het omgekeerde had vastgesteld? We hebben, bijvoorbeeld, een kosmische achtergrondstraling, en die bedraagt 3 graden Kelvin. Wat is daar de oorzaak van? God heeft het gedaan. En als het nu eens vijf graden Kelvin was geweest? Dan had God het ook gedaan! En ook bij 10 graden, en 250 graden, en bij zes miljoen graden had je nog altijd kunnen beweren: God heeft het zo in elkaar gezet. Je zal dat altijd kunnen beweren, want het is nooit fout.
Maar juist daarom, zoals “dat het morgen ofwel zal regenen, ofwel niet zal regenen” wordt het ook niet serieus genomen. Ik zie heel vaak gelovige fundamentalisten heel verongelijkt doen over hoe de “wetenschap” (uitgerekend hun) God niet serieus neemt, maar ik heb er nog nooit één gezien die op dit punt kan antwoorden.
Terwijl de Big Bang theorie had gezegd: als deze theorie waar is, dan moet die straling bij drie kelvin liggen. Misschien twee en een beetje; misschien dicht bij drie, maar liever geen acht of tien en in geen geval enkele honderden, duizenden of meer. Want dan is de theorie niet waar.
Dat is toch een stuk overtuigender dan wanneer het altijd juist is, nietwaar? Laat staan dat “wetenschappelijke” uitspraken daarmee een doelwit bieden voor wetenschappelijke concurrenten die willen controleren of de theorieën wel waar zijn. Onze fundamentalisten lopen wel vaak te mokken over wetenschap die altijd maar zijn gelijk loopt te herhalen, maar de grote wetenschappelijke prestaties zijn in werkelijkheid altijd spectaculaire weerleggingen van wat “algemeen bekend was” geweest.
Natuurlijk, als antwoord op de vraag die Smolin ons daar voorschotelt zijn we hiermee geen stap vooruit geraakt. Misschien lukt het me nog wel daar ook nog iets over te zeggen.
--------------------------------------------------
(1) http://speelsmaarserieus.blogspot.com/2007/07/vragen-allemaal-vragen.html
(2) http://speelsmaarserieus.blogspot.com/2006/01/kosmologie-een-anecdote.html
Dus is de vraag hoe dat zou kunnen komen. Toeval? In vergelijking hiermee is de kans dat je de lotto wint zo groot als het Fort van Breendonk. Hogere machten? Dat is natuurlijk fijn als je je probleem een naam wil geven (“de Grote Kabouter heeft het allemaal zo in elkaar gezet”), maar behalve ruzies over of die hogere macht nu Quetzàcoatl heet, dan wel Odin, Vishnu of whatever kan je er alleen nog wat mensen levend om verbranden, en daarmee is intellectueel gesproken de koek op.
Dat is krachtige taal, maar dat is tegelijk ook heel makkelijk in te zien. Dus laten we dat proberen.
Een belangrijk principe uit de kennisfilosofie is dat uitspraken, om betekenis te hebben, een risico moeten lopen dat ze fout zijn. Mijn favoriet voorbeeld is de “voorspelling” dat het morgen ofwel zal regenen, ofwel niet zal regenen. Dat is een “voorspelling” waarmee ik zeker zal gelijk krijgen, en dat soort voorspellingen kan ik maken voor jaren in de toekomst! Maar alle spotternij op een stokje, iedereen ziet meteen in dat de uitspraak zo algemeen is, dat ze nooit fout kan zijn, en daarom niets toevoegt. Een beetje zoals de astrologie, zeg maar: “uw horoscoop”.
In de “wetenschap” is dit ongeveer het laatste waar we naar op zoek zijn, samen met het geheim van de eenhoorn. Herinner je, bijvoorbeeld, mijn verhaal van lang geleden over de kosmologie (2). Daar was de vraag hoe het kwam dat alle melkwegen die we waarnemen uit elkaar weg lijken te bewegen, en wel met een grotere snelheid naarmate ze zich al verder uit elkaar bevonden. De theorie die er al snel bijhoorde was de theorie van een explosie: de Big Bang. Die werd erg serieus genomen vanaf het moment dat er uitspraken bestonden van de vorm “als dat waar is, dan moeten we zus en zo kunnen waarnemen (waarbij “zus en zo” heel erg specifieke en waarneembare dingen zijn), en anders is het niet waar.
Natuurlijk wordt een theorie pas echt serieus genomen wanneer ze voor dat soort tests ook slagen, maar als ze die voorafgaande, “betekenistest” niet ook passeren, dan wordt er niet eens naar gekeken.
En dat is het droeve lot van al die “hogere machten” theorieën, in de kosmologie even goed als in de biologie. Want zeg nu zelf, als je ergens een verklaring voor nodig hebt, en je zegt “God heeft het zo in elkaar gezet”... Wat is dan het verschil met “de dondergod is de oorzaak van de donder”? En wat is het verschil met “de grote kabouter heeft het zo in elkaar gezet”, of “de God van de Vikings heeft het zo in elkaar gezet”?
Alleen al op dit niveau voegt de uitspraak niets toe - maar er is meer. Er is ook geen verschil met mijn favoriete “dat het morgen ofwel zal regenen, ofwel niet zal regenen”. Immers, beschouw een willekeurig probleem. Als je het oplost met “God heeft het gedaan”, dan moet je je ook eens afvragen wat je zou gezegd hebben als je precies het omgekeerde had vastgesteld? We hebben, bijvoorbeeld, een kosmische achtergrondstraling, en die bedraagt 3 graden Kelvin. Wat is daar de oorzaak van? God heeft het gedaan. En als het nu eens vijf graden Kelvin was geweest? Dan had God het ook gedaan! En ook bij 10 graden, en 250 graden, en bij zes miljoen graden had je nog altijd kunnen beweren: God heeft het zo in elkaar gezet. Je zal dat altijd kunnen beweren, want het is nooit fout.
Maar juist daarom, zoals “dat het morgen ofwel zal regenen, ofwel niet zal regenen” wordt het ook niet serieus genomen. Ik zie heel vaak gelovige fundamentalisten heel verongelijkt doen over hoe de “wetenschap” (uitgerekend hun) God niet serieus neemt, maar ik heb er nog nooit één gezien die op dit punt kan antwoorden.
Terwijl de Big Bang theorie had gezegd: als deze theorie waar is, dan moet die straling bij drie kelvin liggen. Misschien twee en een beetje; misschien dicht bij drie, maar liever geen acht of tien en in geen geval enkele honderden, duizenden of meer. Want dan is de theorie niet waar.
Dat is toch een stuk overtuigender dan wanneer het altijd juist is, nietwaar? Laat staan dat “wetenschappelijke” uitspraken daarmee een doelwit bieden voor wetenschappelijke concurrenten die willen controleren of de theorieën wel waar zijn. Onze fundamentalisten lopen wel vaak te mokken over wetenschap die altijd maar zijn gelijk loopt te herhalen, maar de grote wetenschappelijke prestaties zijn in werkelijkheid altijd spectaculaire weerleggingen van wat “algemeen bekend was” geweest.
Natuurlijk, als antwoord op de vraag die Smolin ons daar voorschotelt zijn we hiermee geen stap vooruit geraakt. Misschien lukt het me nog wel daar ook nog iets over te zeggen.
--------------------------------------------------
(1) http://speelsmaarserieus.blogspot.com/2007/07/vragen-allemaal-vragen.html
(2) http://speelsmaarserieus.blogspot.com/2006/01/kosmologie-een-anecdote.html
zondag 15 juli 2007
Vragen... Allemaal Vragen...
Sinds ik een tijdje geleden de vraag “Waarom is het Universum interessant?” bij de grote vragen van de filosofie rangschikte (1), ben ik nog eens in het boek gaan lezen waar ik die vraag had uitgehaald. In The Life of the Cosmos (1,997) filosofeert Lee Smolin over het ongelofelijk ongerijmde van het feit dat er sterren bestaan. Zonder sterren (in casu de zon) zou er geen leven op Aarde kunnen zijn. En tegelijk zit het universum vol sterren (2), met vele, vele miljarden tegelijk. Dat is evenwel absoluut niet vanzelfsprekend, maar wel integendeel. Om maar één voorbeeld te noemen, na de Big Bang was er een soort nevel van protonen, en die hadden een zekere massa, en dus ondervonden ze zwaartekracht.
Zonder zwaartekracht hadden ze nooit in de soort nevels kunnen clusteren waaruit ze nog later tot sterren ontvlamden (3). Maar tegelijk is die zwaartekracht uiterst, uiterst miniem. Smolin vermeldt een getal van een nul, gevolgd door 38 nullen na de komma. Dat is een getal dat zo “belachelijk klein” is dat je op het eerste zicht zal denken dat het wel niet veel verschil zou gemaakt hebben als het 37 of zelfs 36 nullen waren geweest. Zwak blijft zwak, nietwaar?
Maar het is wel degelijk belangrijk, want als de protonen inderdaad een zwaartekracht hadden uitgeoefend die tien keer sterker was dan wat het in werkelijkheid is, dan zou dat maken dat er heel veel minder nodig waren om de ophopende gaswolken tot sterren te doen verbranden. En dan zouden er veel minder protonen in die sterren zitten, en aangezien de voorraad protonen ook de voorraad brandstof vertegenwoordigt, zou dat maken dat sterren veel minder lang leefden. Om precies te zijn zouden de sterren, voor een tien keer sterkere zwaartekracht, duizend keer korter leven. Dus als een typische ster nu 10 miljard jaar leeft, dan zou het met 37 nullen na de komma 10 miljoen jaar zijn, en met 36 nullen na de komma zou het 10,000 jaar zijn.
En aangezien we weten dat het leven op Aarde na het ontstaan van het zonnestelsel een miljard jaar heeft nodig gehad om tot stand te komen – wel, wat denk je zelf?
De kracht van de gravitatie tussen protonen is iets dat we enkel kennen omdat we het kunnen meten. We hebben er geen flauw benul van waarom die kracht uitgerekend die sterkte heeft, alle 38 nullen na de komma, en niemand weet een antwoord op de vraag of het niet evengoed 37 of 36 nullen hadden geweest kunnen zijn. Alleen zouden die kleine verschillen enorme gevolgen gehad hebben. En het wil toch maar lukken dat juist met de waarde die ze werkelijk hebben de protonen het soort sterren maken die op hun beurt tot leven kunnen leiden.
Van dat soort stoten geeft hij verschillende voorbeelden. We weten niet waarom de bouwstenen van de atomen (protonen en neutronen en electronen) de massa’s hebben die ze hebben, maar indien ze zelfs maar licht andere verhoudingen hadden vertoond, dan hadden sterren (en dus leven, en dus wij) niet kunnen ontstaan. En zo is er ook nog de “cosmologische constante” en er is de “zwakke kernkracht” en er zijn er nog meer, en telkens krijgen we een soortgelijk effect. Al die parameters hebben heel preciese waarden, die vaak enorm ver uit elkaar liggen. We hebben geen enkele theoretische reden, dus geen enkel begrip, waarom die waarden uitgerekend zo groot zijn als ze in werkelijkheid zijn. En tenslotte blijkt ook steeds weer dat slechts lichte (vaak minuscule) verschillen in die waarden, sterren in het algemeen, en leven in het bijzonder, onmogelijk zou maken.
Straf, toch?
-----------------------------------------------------
(1) http://speelsmaarserieus.blogspot.com/2007/05/overzicht-der-overzichten.html
(2) http://speelsmaarserieus.blogspot.com/2006/11/zandkorrels-of-sterren.html
(3) http://speelsmaarserieus.blogspot.com/2007/03/wij-zijn-sterrenstof.html
Zonder zwaartekracht hadden ze nooit in de soort nevels kunnen clusteren waaruit ze nog later tot sterren ontvlamden (3). Maar tegelijk is die zwaartekracht uiterst, uiterst miniem. Smolin vermeldt een getal van een nul, gevolgd door 38 nullen na de komma. Dat is een getal dat zo “belachelijk klein” is dat je op het eerste zicht zal denken dat het wel niet veel verschil zou gemaakt hebben als het 37 of zelfs 36 nullen waren geweest. Zwak blijft zwak, nietwaar?
Maar het is wel degelijk belangrijk, want als de protonen inderdaad een zwaartekracht hadden uitgeoefend die tien keer sterker was dan wat het in werkelijkheid is, dan zou dat maken dat er heel veel minder nodig waren om de ophopende gaswolken tot sterren te doen verbranden. En dan zouden er veel minder protonen in die sterren zitten, en aangezien de voorraad protonen ook de voorraad brandstof vertegenwoordigt, zou dat maken dat sterren veel minder lang leefden. Om precies te zijn zouden de sterren, voor een tien keer sterkere zwaartekracht, duizend keer korter leven. Dus als een typische ster nu 10 miljard jaar leeft, dan zou het met 37 nullen na de komma 10 miljoen jaar zijn, en met 36 nullen na de komma zou het 10,000 jaar zijn.
En aangezien we weten dat het leven op Aarde na het ontstaan van het zonnestelsel een miljard jaar heeft nodig gehad om tot stand te komen – wel, wat denk je zelf?
De kracht van de gravitatie tussen protonen is iets dat we enkel kennen omdat we het kunnen meten. We hebben er geen flauw benul van waarom die kracht uitgerekend die sterkte heeft, alle 38 nullen na de komma, en niemand weet een antwoord op de vraag of het niet evengoed 37 of 36 nullen hadden geweest kunnen zijn. Alleen zouden die kleine verschillen enorme gevolgen gehad hebben. En het wil toch maar lukken dat juist met de waarde die ze werkelijk hebben de protonen het soort sterren maken die op hun beurt tot leven kunnen leiden.
Van dat soort stoten geeft hij verschillende voorbeelden. We weten niet waarom de bouwstenen van de atomen (protonen en neutronen en electronen) de massa’s hebben die ze hebben, maar indien ze zelfs maar licht andere verhoudingen hadden vertoond, dan hadden sterren (en dus leven, en dus wij) niet kunnen ontstaan. En zo is er ook nog de “cosmologische constante” en er is de “zwakke kernkracht” en er zijn er nog meer, en telkens krijgen we een soortgelijk effect. Al die parameters hebben heel preciese waarden, die vaak enorm ver uit elkaar liggen. We hebben geen enkele theoretische reden, dus geen enkel begrip, waarom die waarden uitgerekend zo groot zijn als ze in werkelijkheid zijn. En tenslotte blijkt ook steeds weer dat slechts lichte (vaak minuscule) verschillen in die waarden, sterren in het algemeen, en leven in het bijzonder, onmogelijk zou maken.
Straf, toch?
-----------------------------------------------------
(1) http://speelsmaarserieus.blogspot.com/2007/05/overzicht-der-overzichten.html
(2) http://speelsmaarserieus.blogspot.com/2006/11/zandkorrels-of-sterren.html
(3) http://speelsmaarserieus.blogspot.com/2007/03/wij-zijn-sterrenstof.html
Flesje
Toen peuter Sarah zag dat baby Thomas een tussendoorflesje kreeg raakte ze echt van streek. Ze is normaal gemakkelijk te troosten, en nu was dat eigenlijk nog zo, maar deze keer was het toch veel moeilijker dan anders. Hoewel ik het flesje gaf was ze boos op mijn vrouw, en een beetje later kwam ze heel nadrukkelijk met mij spelen, en weigerde ze het spel uit te breiden naar haar.
Het is gemakkelijk als volwassene je te ergeren aan het "lastige" gedrag van je kind, en aan hoeveel aandacht ze nodig hebben. Maar als je je even probeert in te denken hoe het er voor zo'n kleine kabouter uitziet, dan krijg je toch wel echt medelijden.
Voor peuter Sarah moeten er momenteel enorme scheuren in het universum zitten. Haar hele leven lang waren er mama en papa en flesjes en dodo en spelen. Vanaf een bepaald moment wou mama haar minder en minder pakken: maar het concept van zwangere buiken konden we haar niet uitleggen. Daarna was er het ontzettende over en weer gerij tussen crèches, grootouders en het ziekenhuis, waar mama ineens de hele tijd zo'n klein mormel vasthoudt, en waar iedereen de hele tijd rond staat te glunderen. Het volgende wat er gebeurt is dat ze dat mormel nog meenemen naar huis ook, en (to add insult to injury) nu krijgt hij zomaar een flesje!
Dat flesje, dat moet er zo'n beetje uitgezien hebben als haar laatste privilege - ik moet terugdenken aan dr. Zhivago die van het front terugkeert en ontdekt dat de communisten zijn huis hebben aangeslagen, en dat hij er nog net in een kamer kan intrekken.
En dus was het grote crisis, en peuter Sarah blijft wanhopig op haar korte beentjes heel het huis ronddribbelen, op zoek naar een plaatske onder de zon.
Het is gemakkelijk als volwassene je te ergeren aan het "lastige" gedrag van je kind, en aan hoeveel aandacht ze nodig hebben. Maar als je je even probeert in te denken hoe het er voor zo'n kleine kabouter uitziet, dan krijg je toch wel echt medelijden.
Voor peuter Sarah moeten er momenteel enorme scheuren in het universum zitten. Haar hele leven lang waren er mama en papa en flesjes en dodo en spelen. Vanaf een bepaald moment wou mama haar minder en minder pakken: maar het concept van zwangere buiken konden we haar niet uitleggen. Daarna was er het ontzettende over en weer gerij tussen crèches, grootouders en het ziekenhuis, waar mama ineens de hele tijd zo'n klein mormel vasthoudt, en waar iedereen de hele tijd rond staat te glunderen. Het volgende wat er gebeurt is dat ze dat mormel nog meenemen naar huis ook, en (to add insult to injury) nu krijgt hij zomaar een flesje!
Dat flesje, dat moet er zo'n beetje uitgezien hebben als haar laatste privilege - ik moet terugdenken aan dr. Zhivago die van het front terugkeert en ontdekt dat de communisten zijn huis hebben aangeslagen, en dat hij er nog net in een kamer kan intrekken.
En dus was het grote crisis, en peuter Sarah blijft wanhopig op haar korte beentjes heel het huis ronddribbelen, op zoek naar een plaatske onder de zon.
donderdag 12 juli 2007
Leven: Toch niet zo onwaarschijnlijk?
Tevreden lees ik in Wonderful Life van Stephen Gould dat leven op de Aarde, gegeven onze afstand tot de zon, de grootte van de planeet en de samenstelling van de materie (en zo nog wel een paar, ongetwijfeld) volgens hem wel haast “moest” ontstaan. Dus: leven is iets dat zeer waarschijnlijk tot noodzakelijk is, indien tenminste de omstandigheden een beetje meezitten.
Neem een muntstuk dat je opgooit. De kans is één op twee dat het kruis (of munt) is. De structuur van je munt is zodanig dat “kruis en munt” wel (maar “vijf en zes”, of “loper en paard” niet) mogelijk zijn. Bovendien volstaat het X aantal keer te gooien, en kruis en munt “moeten” wel voorkomen: het is "zeer waarschijnlijk tot noodzakelijk". Met een standaard dobbelsteen is “vijf of zes" wel, maar "zeven" (of kruis en munt) niet mogelijk, en de structuur is zodanig dat mits voldoende keer gooien elk mogelijk cijfer tussen één en zes er wel “moet” uitkomen: "zeer waarschijnlijk tot noodzakelijk". En bij AD&D ("Advanced Dungeons and Dragons") had de grootste dobbelsteen 20 kanten. Je zou wat langer gooien nodig hebben, maar 20 “moest” er af en toe wel uitkomen, en deed dat ook.
Volgens Gould, dus, lijkt het ontstaan van leven een beetje op een dobbelsteen met nog heel veel meer kanten, maar dan toch ook weer niet zo buitensporig veel. Immers, mits de juiste omstandigheden EN voldoende tijd, rolt het gewenste resultaat er volgens hem alsnog uit. Terwijl ikzelf al lang weer vergeten was dat ik dat zoveel jaar geleden in zijn boek had gelezen, zodat ik dacht dat de meeste mensen het als zo onwaarschijnlijk beschouwden (1), dat het vermoedelijk wel alleen op Aarde, en verder nooit meer zal gebeurd zijn.
De reden waarom dat interessant is, is omdat het het concept “metafysica” (2) illustreert, en meer nog waarom “metafysica” belangrijk is. Als leven werkelijk zo onwaarschijnlijk was, dan zijn alle pogingen om er nog meer van in het universum te situeren pure science fiction (en dan kan ik mijn eigen bedenksels daarover goedgehumeurd blijven neerknallen). Maar als het wel haast “moest” ontstaan – wel, er zijn honderden miljarden sterren, alleen al in onze melkweg, nietwaar? Dus met deze metafysica ziet onze fysica (hoe verbazingwekkend, eigenlijk, dat een uiterst respectabel onderdeel van de filosofie zo op science fiction kan lijken...) er ineens heel anders uit. De Melkweg (en de onze niet alleen...) moet nu zowat uitpuilen van leven! Het is "zeer waarschijnlijk tot noodzakelijk"! En in dat geval moet er misschien wel een deel “intelligent” en “technologisch vaardig” enzovoort geworden zijn?
Heb je ooit wel van die games gespeeld waarin je de ruimte ging kolonizeren, en daarbij op buitenaardse “rassen” (als iemand nog ideeën heeft voor een goede Nederlandse vertaling van het woord “alien” (3), in deze context...) stootte? Dat waren dan typisch “insecten”, of als de makers een beetje nadachten “insectoiden” – dat maakte het makkelijker om ze als vijanden te zien, en ze totterdood te bestrijden. Maar hier komt mijn vraag: neem nu eens aan dat ze op vier voeten lopen, één kop hebben, en twee ogen en een mond. Dat is allemaal niet zo absurd, als consequentie van enkele simpele fysische realiteiten. (“Vier poten lijkt een minimum om toch stabiel te zijn”; electromagnetische straling lijkt zo alompresent dat wij wel niet de enigen zullen zijn die daarvan gebruik maken om te zien” (4)...)
Dus, hop, ik heb nu een stel “aliens” (hey, het is “metafysica”, hé, het is science fiction als je precies wil zijn), en zeg dat ze sprekend op één of andere soort apen lijken. Kan iemand me nu vertellen of mijn buitenbaards ras “apen” (zoals wijzelf, dus) zijn? Of moeten we ze “apoïden” noemen, omdat “apen” nu eenmaal een woord is voor zoogdieren van de planeet Aarde, met DNA-gebaseerd genetisch materiaal?
Ik durf wedden dat dat bij sommigen als bijzonder triviale kwesties overkomt. Maar beeld het je maar eens in, dat ze hier morgen staan: ze zijn in jouw hof geland. Dat is metafysica, hé, het is niet stommer dan beweren dat God (de Vader) boven ons de boekhouding der menselijke zonden zit bij te houden – en de mensen gingen er echt om persjonkelen, nietwaar? En als we kunnen aannemen dat mensen persjonkelen in naam van de eeuwige en enige ware God, dan vind ik dat ik mag vragen je in te beelden dat ze morgen landen, en nog wel in jouw hof, en ze zien er in alle opzichten als één of andere soort apen uit, compleet met hun sociaal gedrag, mentaliteit en culinaire en seksuele voorkeur. Maar allemaal door “parallelle evolutie”! (Denk aan de “metafysica”, het “persjonkelen”, de “science fiction”.) Per bewering is het zo: ze zijn in alle opzichten apen, maar ze zijn niet van de Aarde en ze hebben géén DNA (maar wel iets anders, natuurlijk) als de basis van hun erfelijk materiaal, en ze zijn ook in jouw hof geland.
Zijn het apen, of lijken ze op apen?
-------------------------------------------------------
(1) http://speelsmaarserieus.blogspot.com/2007/05/hoe-onwaarschijnlijk-is-leven.html
(2) http://speelsmaarserieus.blogspot.com/2007/02/metafysica-rare-jongens-die-filosofen.html
EN: http://speelsmaarserieus.blogspot.com/2007/04/de-metafyscia-van-het-persjonkelen.html
(3) http://speelsmaarserieus.blogspot.com/2006/12/een-bruikbaar-nederlands-woord-voor.html
(4) http://speelsmaarserieus.blogspot.com/2007/07/het-ontstaan-van-de-lichtgevoelige-cel.html
Neem een muntstuk dat je opgooit. De kans is één op twee dat het kruis (of munt) is. De structuur van je munt is zodanig dat “kruis en munt” wel (maar “vijf en zes”, of “loper en paard” niet) mogelijk zijn. Bovendien volstaat het X aantal keer te gooien, en kruis en munt “moeten” wel voorkomen: het is "zeer waarschijnlijk tot noodzakelijk". Met een standaard dobbelsteen is “vijf of zes" wel, maar "zeven" (of kruis en munt) niet mogelijk, en de structuur is zodanig dat mits voldoende keer gooien elk mogelijk cijfer tussen één en zes er wel “moet” uitkomen: "zeer waarschijnlijk tot noodzakelijk". En bij AD&D ("Advanced Dungeons and Dragons") had de grootste dobbelsteen 20 kanten. Je zou wat langer gooien nodig hebben, maar 20 “moest” er af en toe wel uitkomen, en deed dat ook.
Volgens Gould, dus, lijkt het ontstaan van leven een beetje op een dobbelsteen met nog heel veel meer kanten, maar dan toch ook weer niet zo buitensporig veel. Immers, mits de juiste omstandigheden EN voldoende tijd, rolt het gewenste resultaat er volgens hem alsnog uit. Terwijl ikzelf al lang weer vergeten was dat ik dat zoveel jaar geleden in zijn boek had gelezen, zodat ik dacht dat de meeste mensen het als zo onwaarschijnlijk beschouwden (1), dat het vermoedelijk wel alleen op Aarde, en verder nooit meer zal gebeurd zijn.
De reden waarom dat interessant is, is omdat het het concept “metafysica” (2) illustreert, en meer nog waarom “metafysica” belangrijk is. Als leven werkelijk zo onwaarschijnlijk was, dan zijn alle pogingen om er nog meer van in het universum te situeren pure science fiction (en dan kan ik mijn eigen bedenksels daarover goedgehumeurd blijven neerknallen). Maar als het wel haast “moest” ontstaan – wel, er zijn honderden miljarden sterren, alleen al in onze melkweg, nietwaar? Dus met deze metafysica ziet onze fysica (hoe verbazingwekkend, eigenlijk, dat een uiterst respectabel onderdeel van de filosofie zo op science fiction kan lijken...) er ineens heel anders uit. De Melkweg (en de onze niet alleen...) moet nu zowat uitpuilen van leven! Het is "zeer waarschijnlijk tot noodzakelijk"! En in dat geval moet er misschien wel een deel “intelligent” en “technologisch vaardig” enzovoort geworden zijn?
Heb je ooit wel van die games gespeeld waarin je de ruimte ging kolonizeren, en daarbij op buitenaardse “rassen” (als iemand nog ideeën heeft voor een goede Nederlandse vertaling van het woord “alien” (3), in deze context...) stootte? Dat waren dan typisch “insecten”, of als de makers een beetje nadachten “insectoiden” – dat maakte het makkelijker om ze als vijanden te zien, en ze totterdood te bestrijden. Maar hier komt mijn vraag: neem nu eens aan dat ze op vier voeten lopen, één kop hebben, en twee ogen en een mond. Dat is allemaal niet zo absurd, als consequentie van enkele simpele fysische realiteiten. (“Vier poten lijkt een minimum om toch stabiel te zijn”; electromagnetische straling lijkt zo alompresent dat wij wel niet de enigen zullen zijn die daarvan gebruik maken om te zien” (4)...)
Dus, hop, ik heb nu een stel “aliens” (hey, het is “metafysica”, hé, het is science fiction als je precies wil zijn), en zeg dat ze sprekend op één of andere soort apen lijken. Kan iemand me nu vertellen of mijn buitenbaards ras “apen” (zoals wijzelf, dus) zijn? Of moeten we ze “apoïden” noemen, omdat “apen” nu eenmaal een woord is voor zoogdieren van de planeet Aarde, met DNA-gebaseerd genetisch materiaal?
Ik durf wedden dat dat bij sommigen als bijzonder triviale kwesties overkomt. Maar beeld het je maar eens in, dat ze hier morgen staan: ze zijn in jouw hof geland. Dat is metafysica, hé, het is niet stommer dan beweren dat God (de Vader) boven ons de boekhouding der menselijke zonden zit bij te houden – en de mensen gingen er echt om persjonkelen, nietwaar? En als we kunnen aannemen dat mensen persjonkelen in naam van de eeuwige en enige ware God, dan vind ik dat ik mag vragen je in te beelden dat ze morgen landen, en nog wel in jouw hof, en ze zien er in alle opzichten als één of andere soort apen uit, compleet met hun sociaal gedrag, mentaliteit en culinaire en seksuele voorkeur. Maar allemaal door “parallelle evolutie”! (Denk aan de “metafysica”, het “persjonkelen”, de “science fiction”.) Per bewering is het zo: ze zijn in alle opzichten apen, maar ze zijn niet van de Aarde en ze hebben géén DNA (maar wel iets anders, natuurlijk) als de basis van hun erfelijk materiaal, en ze zijn ook in jouw hof geland.
Zijn het apen, of lijken ze op apen?
-------------------------------------------------------
(1) http://speelsmaarserieus.blogspot.com/2007/05/hoe-onwaarschijnlijk-is-leven.html
(2) http://speelsmaarserieus.blogspot.com/2007/02/metafysica-rare-jongens-die-filosofen.html
EN: http://speelsmaarserieus.blogspot.com/2007/04/de-metafyscia-van-het-persjonkelen.html
(3) http://speelsmaarserieus.blogspot.com/2006/12/een-bruikbaar-nederlands-woord-voor.html
(4) http://speelsmaarserieus.blogspot.com/2007/07/het-ontstaan-van-de-lichtgevoelige-cel.html
woensdag 11 juli 2007
Peuter Sarah heeft 39 graden koorts
Peuter Sarah is werkelijk aandoenlijk in haar reactie op de komst van baby Thomas. Ze is heel erg lief voor baby Thomas, ze geeft hem kusjes en ze aait hem over zijnen bol. Maar tegelijk voelen we dat ze zich verschrikkelijk onzeker voelt over haar positie in huis. Ze is zeer aanhankelijk en als je haar vlugger op haar voetjes zet dan ze zelf had geanticipeerd begint ze hartverscheurend te wenen.
Dat "hartverscheurend" mag je letterlijk nemen. Het gezichtje betrekt, de traantjes rollen over de wangen, en wij die heel goed weten wat de context van het verhaal is, kunnen met de beste wil van de wereld niet vinden dat ze alleen maar irritant is. Het toppunt is, natuurlijk, dat we als zovele ouders hebben rondgelopen met de vraag "is het fysisch mogelijk dat nieuwe babytje even graag te zien als we Sarah zien?" Maar peuter Sarah kan dat niet weten, ze ziet haar mama alle dagen heel veel tijd steken in dat klein prutske en ze voelt zich van haar leven niet meer zeker.
My - good - ness!!
Vandaag dribbelt ze weer zonnig en goedgehumeurd als altijd rond. Niet meer dan drie keer per vijf minuten verschijnt ze voor je voeten, het gezichtje met haar grote oogjes naar je toegekeerd en de twee armpjes naar boven gestrekt: pakken. En ze gaat naar de kast, haalt er boekjes uit en gaat er mee naar een zetel, één van ons aan het handje meetrekkend: wij moeten die boekjes voorlezen.
En dat doen we, natuurlijk. Alleen is er vandaag een probleem.
"Saartje pap eten?"
"Né!"
Dat is raar? Normaal volgt hierop, op dit uur, een langgerekt jààààààààà!
"Saartje? Pap eten?"
"Né!"
Allez vooruit. Iets anders dan maar
"Saartje soep eten?"
Normaal is dit een grote tractatie. Er was toch al een grote verse pot klaar, dus de daad bij het woord gevoerd, en het potje soep staat al voor haar neus voor ze maar kan antwoorden:
"Né!"
Nu weet ik niet of je ooit geprobeerd hebt een peuter soep te laten eten als de peuter geen soep wil eten. Een anthropoloog heeft zelfs ooit eens gespeculeerd dat de betekenis van het schuddende hoofd ("nee") hiervan afkomstig is: het lepeltje verschijnt en het hoofdje draait opzij, parallel met de grond. Het lepeltje volgt, en nu draait het hoofdje in de andere richting. En zo nog een paar keer in steeds sneller tempo, en aangezien het mondje stijf dicht geknepen moet blijven (stel dat ze er anders eens een schep soep induwen!) is er geen ruimte meer om "nee" te zeggen, maar des te meer om "nee" te doen.
Nee, dus, Saartje géén soep eten. Zucht: wat nu?
"Saartje melkske drinken?"
"Né"
"Saartje nen dubbele whisky?"
"Koen!" (en tegelijk: "né!", door Saartje zelf).
Weer niets. Maar wat is dat? Saartje voelt eigenlijk wel een beetje warm aan. Dus peuter Sarah met de thermometer in contact gebracht, en jawel, 39 graden koorts. Het wil lukken, ik loop zelf ook al drie dagen met een snotvalling rond dat de bacteriën er vies van zijn. En weet je wat er nu zo aandoenlijk is? Op dit soort momenten heeft peuter Sarah een heel goede reflex. Andere prutskes van die leeftijd beginnen te huilen en dat soort stoten, maar peuter Sarah doet nu klagelijk "dodo!".
"Dodo? Saartje dodo?"
"Dodo! Dodo!"
Ze doet dat af en toe. Als ze moe is, of zich ziek voelt zoals nu, begint ze zelf over "bedje" of "dodo"! Het is een peuter om van te snoepen!
En zeggen dat zij zich afvraagt of ze hier nog welkom is...
Dat "hartverscheurend" mag je letterlijk nemen. Het gezichtje betrekt, de traantjes rollen over de wangen, en wij die heel goed weten wat de context van het verhaal is, kunnen met de beste wil van de wereld niet vinden dat ze alleen maar irritant is. Het toppunt is, natuurlijk, dat we als zovele ouders hebben rondgelopen met de vraag "is het fysisch mogelijk dat nieuwe babytje even graag te zien als we Sarah zien?" Maar peuter Sarah kan dat niet weten, ze ziet haar mama alle dagen heel veel tijd steken in dat klein prutske en ze voelt zich van haar leven niet meer zeker.
My - good - ness!!
Vandaag dribbelt ze weer zonnig en goedgehumeurd als altijd rond. Niet meer dan drie keer per vijf minuten verschijnt ze voor je voeten, het gezichtje met haar grote oogjes naar je toegekeerd en de twee armpjes naar boven gestrekt: pakken. En ze gaat naar de kast, haalt er boekjes uit en gaat er mee naar een zetel, één van ons aan het handje meetrekkend: wij moeten die boekjes voorlezen.
En dat doen we, natuurlijk. Alleen is er vandaag een probleem.
"Saartje pap eten?"
"Né!"
Dat is raar? Normaal volgt hierop, op dit uur, een langgerekt jààààààààà!
"Saartje? Pap eten?"
"Né!"
Allez vooruit. Iets anders dan maar
"Saartje soep eten?"
Normaal is dit een grote tractatie. Er was toch al een grote verse pot klaar, dus de daad bij het woord gevoerd, en het potje soep staat al voor haar neus voor ze maar kan antwoorden:
"Né!"
Nu weet ik niet of je ooit geprobeerd hebt een peuter soep te laten eten als de peuter geen soep wil eten. Een anthropoloog heeft zelfs ooit eens gespeculeerd dat de betekenis van het schuddende hoofd ("nee") hiervan afkomstig is: het lepeltje verschijnt en het hoofdje draait opzij, parallel met de grond. Het lepeltje volgt, en nu draait het hoofdje in de andere richting. En zo nog een paar keer in steeds sneller tempo, en aangezien het mondje stijf dicht geknepen moet blijven (stel dat ze er anders eens een schep soep induwen!) is er geen ruimte meer om "nee" te zeggen, maar des te meer om "nee" te doen.
Nee, dus, Saartje géén soep eten. Zucht: wat nu?
"Saartje melkske drinken?"
"Né"
"Saartje nen dubbele whisky?"
"Koen!" (en tegelijk: "né!", door Saartje zelf).
Weer niets. Maar wat is dat? Saartje voelt eigenlijk wel een beetje warm aan. Dus peuter Sarah met de thermometer in contact gebracht, en jawel, 39 graden koorts. Het wil lukken, ik loop zelf ook al drie dagen met een snotvalling rond dat de bacteriën er vies van zijn. En weet je wat er nu zo aandoenlijk is? Op dit soort momenten heeft peuter Sarah een heel goede reflex. Andere prutskes van die leeftijd beginnen te huilen en dat soort stoten, maar peuter Sarah doet nu klagelijk "dodo!".
"Dodo? Saartje dodo?"
"Dodo! Dodo!"
Ze doet dat af en toe. Als ze moe is, of zich ziek voelt zoals nu, begint ze zelf over "bedje" of "dodo"! Het is een peuter om van te snoepen!
En zeggen dat zij zich afvraagt of ze hier nog welkom is...
Een Plankje Science Fiction
Het herplaatsen van de boeken sinds de verbouwing is met de komst van baby Thomas niet erg vooruitgegaan, en omdat de belangrijkste dingen nu eenmaal eerst moesten, ben ik vandaag pas toe aan een plankje science fiction. Net als toen ik mijn collectie bijbels zonder aarzelen klasseerde naast de literatuur over de grote faillissementen van de menselijke soort (1), betrap ik mezelf erop dat je aan je bibliotheekgedrag iets over jezelf kan te weten komen.
Het opstellen van een plankje science fiction is in een ruimte die onder plaatsgebrek te lijden heeft een operatie waar Darwins “natuurlijke selectie” een puntje kan aan zuigen. Je hebt nodig, een grote doos waar onverbiddellijk de enorme stapel rommel en niet te lezen rotzooi in verdwijnt, die een mens tijdens zijn carrière hoopvol maar naief opbouwt. En verder heb je nodig een grote zolder waar je die doos kan plaatsen, in de hoop ooit iemand te vinden die er toch iets aan heeft.
Er blijft werkelijk niet veel over! Eerst en vooral, een aardig rijtje Jack Vance. Zijn Duivelsprinsen – als erfenis uit mijn studententijd heb ik die nog in het Nederlands – waren de verhalen die me destijds deden vinden dat er toch heel veel met het genre aan te vangen was. Die staan er dus, samen met zijn serie Tschai, Planet of Adventure. Zoals dat gaat verliezen de verhalen veel van hun glans met het ouder worden van de lezer, maar toch... de kracht van die boeken ligt in de geweldige atmosfeer die ze weten op te roepen. Als je SF schrijft is de kosmos groot, en de werelden en culturen waarin je je helden kan verplaatsen vertonen alle voordelen van de onuitputtelijkheid. Een atmosfeer, dus, van grootse plannen, maar ook grote momenten van verlies, van dromen en tekortschieten, van een berustend bewustzijn van de nietigheid van je eigen stofje in al die sterren en planeten. Samen met Kirth Gersen flanerend langs de Esplanade van Avente, nog duizelend van en mijmerend over de vreemde sterrenhemels die je nog maar pas op je omzwervingen hebt gezien...
Dan is er een hele serie van Peter Hamilton, een hedendaagse auteur. Dat is één van die haatliefde verhoudingen die je als lezer soms met een verhalenverteller hebt. Je zou (steeds bij wijze van spreken, natuurlijk) zijn boeken openscheuren om te weten hoe het er nu uiteindelijk uitziet, maar af en toe zou je hem ter plaatse willen executeren als je ziet wat hij er uiteindelijk van gebakken heeft. Met John le Carré heb ik ook vaak dat gevoel. Hamilton heeft met zijn Reality Dysfunction en The Neutronium Alchemist een universum neergezet, van werelden en culturen, van Imperia en vergeten uithoekjes van de melkweg, van oorlogsvloten en piratennesten, politieke en diplomatieke intriges, oorlogen, vredes, liefdes en dreigementen, om met volle recht en reden naast Jack Vance te staan. Ja, de scène waarin Joshua Calvert nog eens goed de neus van Ione Saldana bekijkt en voelt dat zijn universum stilstaat... Er zijn niet veel passages die ik even vaak gelezen heb als toen Tolkiens Hobbits in de herberg van Bree Strider ontmoetten, maar deze is er dus bij.
Maar dan het derde deel van de trilogie! The Naked God! Verzamel ze, werp ze op een stapel en verbrand ze op een langzaam brandend vuur! Laat hem de hele uitgave bladzijde per bladzijde opeten! En geef hem duizend lege bladzijden en voldoende potloden, en zet hem op water en brood tot hij een fatsoenlijk derde deel schrijft, met niet één, niet één van die loodzware, oervervelende scènes over de losers van de hele geschiedenis. Laat iemand hem zeggen dat een Deus ex Machina als uiteindelijke plot getuigt van een onvolwassen benadering van het eigen verhaal, waarvan zelfs peuter Sarah al bedenkelijk gaat kijken. En zeg er nog bij dat zijn Deus ex Machina van alle miskleunen wel de grootste is, met een voorsprong, zo groot als zijn eigen Confederation.
Deal, beste lezer, deal. U mag gerust die eerste twee delen lezen en uzelf de woedende teleurstelling van het derde besparen: ik zal u vertellen hoe het in dat onding allemaal is afgelopen, en u zal tenminste een gevoel hebben van “oh, zat dat zo”.
Intussen heeft deze opsomming de kenner iets over mezelf verteld. Bij mij moet het allemaal groots, wijds, veelomspannend en ambitieus zijn. Wie is er verbaasd te vernemen dat er nog een paar dingen van Alastair Reynolds instaan, en Keith Laumer, en een beetje Heinlein? Asimov heb ik er uiteindelijk uitgesmeten. Met spijt, weliswaar, want de filosofie achter zijn Foundation vond ik toch wel knap. Maar ik lees hierin een uitstekende conceptie, die naarmate het verder evolueerde meer en meer op basis van improvisatie verder moest, en op het einde, durf ik bijna wedden, breide hij er snel een ontknoping aan, gebaseerd op enkele figuren die hij twee hoofdstukken daarvoor ook al uit verveling uit zijn hoed had getoverd.
En Nul-A van Van Vogt zit er dan weer toch nog in. Ik weet niet waarom, want ik vind er precies hetzelfde van. In een inleiding zegt Van Vogt dat het niet waar is, maar ik geloof er geen barst van. Op zijn sterfdag heeft Van Vogt voor Sint Pieter gestaan, en die heeft hem gevraagd of het echt waar is dat heel die Nul-A één enkele conceptie was, en Van Vogt heeft zijn ogen neergeslagen en opgebiecht dat het al even geïmprovizeerd eindigde als The Foundation van Asimov.
En dan moeten er nog enkele vrij belangrijke dozen ergens rondslingeren. Ik heb verdorie mijn Tolkien en mijn Zelazny nog niet teruggevonden! Die komen dan meteen naast Cryptonomicon van Neil Stephenson te staan. Ik kijk er al naar uit dat de tijd stilaan rijp wordt om dat laatste voor de derde keer van voor naar achter uit te lezen...
--------------------------------------
(1) http://speelsmaarserieus.blogspot.com/2007/06/boeken.html
Het opstellen van een plankje science fiction is in een ruimte die onder plaatsgebrek te lijden heeft een operatie waar Darwins “natuurlijke selectie” een puntje kan aan zuigen. Je hebt nodig, een grote doos waar onverbiddellijk de enorme stapel rommel en niet te lezen rotzooi in verdwijnt, die een mens tijdens zijn carrière hoopvol maar naief opbouwt. En verder heb je nodig een grote zolder waar je die doos kan plaatsen, in de hoop ooit iemand te vinden die er toch iets aan heeft.
Er blijft werkelijk niet veel over! Eerst en vooral, een aardig rijtje Jack Vance. Zijn Duivelsprinsen – als erfenis uit mijn studententijd heb ik die nog in het Nederlands – waren de verhalen die me destijds deden vinden dat er toch heel veel met het genre aan te vangen was. Die staan er dus, samen met zijn serie Tschai, Planet of Adventure. Zoals dat gaat verliezen de verhalen veel van hun glans met het ouder worden van de lezer, maar toch... de kracht van die boeken ligt in de geweldige atmosfeer die ze weten op te roepen. Als je SF schrijft is de kosmos groot, en de werelden en culturen waarin je je helden kan verplaatsen vertonen alle voordelen van de onuitputtelijkheid. Een atmosfeer, dus, van grootse plannen, maar ook grote momenten van verlies, van dromen en tekortschieten, van een berustend bewustzijn van de nietigheid van je eigen stofje in al die sterren en planeten. Samen met Kirth Gersen flanerend langs de Esplanade van Avente, nog duizelend van en mijmerend over de vreemde sterrenhemels die je nog maar pas op je omzwervingen hebt gezien...
Dan is er een hele serie van Peter Hamilton, een hedendaagse auteur. Dat is één van die haatliefde verhoudingen die je als lezer soms met een verhalenverteller hebt. Je zou (steeds bij wijze van spreken, natuurlijk) zijn boeken openscheuren om te weten hoe het er nu uiteindelijk uitziet, maar af en toe zou je hem ter plaatse willen executeren als je ziet wat hij er uiteindelijk van gebakken heeft. Met John le Carré heb ik ook vaak dat gevoel. Hamilton heeft met zijn Reality Dysfunction en The Neutronium Alchemist een universum neergezet, van werelden en culturen, van Imperia en vergeten uithoekjes van de melkweg, van oorlogsvloten en piratennesten, politieke en diplomatieke intriges, oorlogen, vredes, liefdes en dreigementen, om met volle recht en reden naast Jack Vance te staan. Ja, de scène waarin Joshua Calvert nog eens goed de neus van Ione Saldana bekijkt en voelt dat zijn universum stilstaat... Er zijn niet veel passages die ik even vaak gelezen heb als toen Tolkiens Hobbits in de herberg van Bree Strider ontmoetten, maar deze is er dus bij.
Maar dan het derde deel van de trilogie! The Naked God! Verzamel ze, werp ze op een stapel en verbrand ze op een langzaam brandend vuur! Laat hem de hele uitgave bladzijde per bladzijde opeten! En geef hem duizend lege bladzijden en voldoende potloden, en zet hem op water en brood tot hij een fatsoenlijk derde deel schrijft, met niet één, niet één van die loodzware, oervervelende scènes over de losers van de hele geschiedenis. Laat iemand hem zeggen dat een Deus ex Machina als uiteindelijke plot getuigt van een onvolwassen benadering van het eigen verhaal, waarvan zelfs peuter Sarah al bedenkelijk gaat kijken. En zeg er nog bij dat zijn Deus ex Machina van alle miskleunen wel de grootste is, met een voorsprong, zo groot als zijn eigen Confederation.
Deal, beste lezer, deal. U mag gerust die eerste twee delen lezen en uzelf de woedende teleurstelling van het derde besparen: ik zal u vertellen hoe het in dat onding allemaal is afgelopen, en u zal tenminste een gevoel hebben van “oh, zat dat zo”.
Intussen heeft deze opsomming de kenner iets over mezelf verteld. Bij mij moet het allemaal groots, wijds, veelomspannend en ambitieus zijn. Wie is er verbaasd te vernemen dat er nog een paar dingen van Alastair Reynolds instaan, en Keith Laumer, en een beetje Heinlein? Asimov heb ik er uiteindelijk uitgesmeten. Met spijt, weliswaar, want de filosofie achter zijn Foundation vond ik toch wel knap. Maar ik lees hierin een uitstekende conceptie, die naarmate het verder evolueerde meer en meer op basis van improvisatie verder moest, en op het einde, durf ik bijna wedden, breide hij er snel een ontknoping aan, gebaseerd op enkele figuren die hij twee hoofdstukken daarvoor ook al uit verveling uit zijn hoed had getoverd.
En Nul-A van Van Vogt zit er dan weer toch nog in. Ik weet niet waarom, want ik vind er precies hetzelfde van. In een inleiding zegt Van Vogt dat het niet waar is, maar ik geloof er geen barst van. Op zijn sterfdag heeft Van Vogt voor Sint Pieter gestaan, en die heeft hem gevraagd of het echt waar is dat heel die Nul-A één enkele conceptie was, en Van Vogt heeft zijn ogen neergeslagen en opgebiecht dat het al even geïmprovizeerd eindigde als The Foundation van Asimov.
En dan moeten er nog enkele vrij belangrijke dozen ergens rondslingeren. Ik heb verdorie mijn Tolkien en mijn Zelazny nog niet teruggevonden! Die komen dan meteen naast Cryptonomicon van Neil Stephenson te staan. Ik kijk er al naar uit dat de tijd stilaan rijp wordt om dat laatste voor de derde keer van voor naar achter uit te lezen...
--------------------------------------
(1) http://speelsmaarserieus.blogspot.com/2007/06/boeken.html
dinsdag 10 juli 2007
Entropie: Een nieuw inzicht!
Voor de meeste onderwerpen uit de natuurwetenschap is dit blog meer een verslag van wat Koen er ook al van begrijpt, dan een bruikbaar overzicht van onze huidige kennis. Ik vlei mezelf wel met de gedachte dat het een beetje meer voorstelt als het over “natuurlijke selectie” gaat, maar voor de rest... Zonder pretentie!
Zo heb ik een beetje zitten herlezen in een boek van Brian Greene (1), en nu werd me iets duidelijk waar ik flagrant had overheen gelezen. Het gaat over entropie, en eigenlijk moet ik verwijzen naar de post waarin mijn vorderingen tot nu stonden beschreven (2). Iedereen kan natuurlijk papegaaien dat “gesloten systemen tenderen naar wanorde”, maar in die post ging het al een beetje verder. Als je 100 puzzelstukjes hebt, en één klein babietje, dan is de kans dat die de puzzel goed legt bijzonder klein. Er zijn immers enorm veel manieren waarop het babietje de stukjes bij elkaar kan leggen, maar er is er slechts één waarbij de puzzel goed ligt. En één gedeeld door een gigantisch getal geeft een heel klein resultaat. Zo klein dat zelfs “toeval” onvoldoende lijkt om het toch te laten gebeuren.
Kortom, we hebben hier een begrip van entropie in een puur probabilistische zin. Als je een ijsblokje ziet in een warmere vloeistof, dan durf je voospellen dat het zal smelten. Er zijn immers heel veel meer manieren waarop de watermoleculen van een ijsblokje zich kunnen vermengen met de vloeistof, dan manieren waarop ze allemaal samen blijven klitten in een kristal. Dus als je weet dat de moleculen van je glas vloeistof-plus-ijs de hele tijd willekeurig door elkaar bewegen en botsen, dan is (zonder vriestemperaturen) de kans overweldigend klein dat het water zich als kristal zal handhaven. Je kan veel beter gokken dat het babietje de 100 stukjes correct bij elkaar legt.
De entropiewet is erg belangrijk. Het laat je toe te “voorspellen”; het legt een relatie tussen heden en toekomst... Het is een inzicht waarvan ik een dik jaar geleden schreef dat het hoorde bij de “dingen die iedereen zou moeten weten”, terwijl ik helaas niet in staat ben het zelf te formuleren. Daarom ben ik blij dat Greene de uitdaging lanceert er ook eens over na te denken in de andere richting: niet naar de toekomst, maar naar het verleden toe.
Als je je inzicht in de entropie uitdrukt in termen van waarschijnlijkheid, zegt Greene, dan blijft er een groot probleem over. Stel dat je een half gesmolten blokje ziet. Je denkt dus dat het zal verder smelten op basis van die probabiliteit: en dat is ook juist. Maar wat denk je over wat er de laatste minuten mee is gebeurd? Het antwoord is: je denkt dat het nog maar kort geleden een volledig blokje ijs was, dat in de vloeistof werd gelegd, en dat is beginnen smelten tot het punt dat je nu ziet – en waarvan je verwacht dat het zal verdersmelten.
Hier is dat probleem. De kans dat er in een wereld van probabilistisch begrepen entropie een volledig ijsblokje ontstaat, is even klein als de kans dat je ijsblokje vanaf dit moment (en zonder vriestemperaturen) opnieuw herkristallizeert tot ijs. Kortom, die kans is zo onwaarschijnlijk klein, dat het even waanzinnig is dat te geloven voor het verleden, als geloven dat je blokje vanzelf weer zal kristallizeren in de toekomst. Zo klein is die kans, dat je beter kan geloven dat het half gesmolten blokje zopas “zomaar”, en “spontaan”, en “toevallig” is gekristallizeerd uit niet-vriezende vloeistofmoleculen. Dat is belachelijk onwaarschijnlijk, maar het is heel, heel veel beter dan (puur in termen van waarschijnlijkheid!) veronderstellen dat er ooit een intact ijsblokje is geweest.
Als ik het goed begrepen heb is dat laatste zelfs zo onwaarschijnlijk, dat je zelfs het ijsblokje intact mag gezien hebben toen het in de vloeistof hebt gelegd, en mag gezien hebben hoe het is beginnen smelten. Het is namelijk nog altijd veel waarschijnlijker dat een half gesmolten blokje spontaan is gekristallizeerd plus dat je waarnemingen en herinneringen een illusie zijn, dan dat er ooit een intact ijsblokje heeft bestaan. Als ik dat tenminste goed begrepen heb.
Natuurlijk, de lezer die niet al lang boos heeft weggeklikt zit even wrevelig op zijn stoel te schuiven als ikzelf toen ik het destijds las. We weten immers dat het ijsblokje is ontstaan door een diepvriezer. Alleen, we waren “puur” in termen van probabiliteiten aan het rekenen. Als we diepvriezers moeten inroepen – het bestaan van diepvriezers is zo onwaarschijnlijk dat spontaan kristallizerende ijsblokjes er haast alledaags moeten bij lijken – hebben we impliciet toegegeven dat we niet enkel in termen van probabiliteiten denken. Het gaf beslist een bepaalde intellectuele voldoening dat postje te kunnen schrijven met het babietje en de puzzel en de probabiliteit. Maar die voldoening bewijst niet dat we daarmee het hele verhaal hebben gehad. De waarheid is dat we naar het verleden toe ons probabilistische denken loslaten alsof we een gloeiende pook hadden vastgegrabbeld, en zomaar ineens beginnen over diepvriezers, en electriciteit, en menselijke technologie, en mensen zelf, en de evolutie van de mens tot één van 200 soorten apen, en de planeet Aarde, en zo nog een paar.
Allemaal dingen die zo onwaarschijnlijk zijn dat het lachwekkend wordt dat je ooit “puur” in termen van probabiliteit over entropie nadacht.
De ingreep die Greene op dit punt doet is iets dat wat mij betreft (lees: alweer voor zover ik het goed begrepen heb) tot de “metafyscia” (3) behoort. Je moet zekere beslissingen nemen, die zelf geen onderdeel van de wetenschap zijn, maar eerder bepaalde filosofische vooronderstellingen. Denk aan “persjonkelen”! (4). De wetenschap neemt aan dat onze waarnemingen en herinneringen geen collectieve illusie zijn, en bijgevolg moet er, naar het verleden toe, een toestand van veel lagere entropie hebben bestaan, dan we op basis van probabilistisch denken zouden verwachten. Het is die erg lage entropie die toeliet dat in een “drive” naar immer stijgende entropie, deelprocessen konden ontstaan zoals de evolutie van de mens, en technologie, en het gebruik van energie (in laatste instantie afkomstig van de zon).
Uiteindelijk brengen de beperkingen van het denken in termen van probabiliteit ons dus bij de vraag naar waar die erg lage entropie vandaan kwam. Dat is een vraag die gaat over kosmologie, het ontstaan van het universum en de Big Bang! Die verbanden beschrijf ik hier misschien ook nog wel eens, maar voorlopig – geeft het geen koude rillingen, de manier waarop al die grote vragen met elkaar blijken samen te hangen?
--------------------------------------------
(1) Greene, The Fabric of the Cosmos, 2,004
(2) http://speelsmaarserieus.blogspot.com/2006/08/de-entropiewet_115667946535776970.html
(3) http://speelsmaarserieus.blogspot.com/2007/02/metafysica-rare-jongens-die-filosofen.html
(4) http://speelsmaarserieus.blogspot.com/2007/04/de-metafyscia-van-het-persjonkelen.html
Zo heb ik een beetje zitten herlezen in een boek van Brian Greene (1), en nu werd me iets duidelijk waar ik flagrant had overheen gelezen. Het gaat over entropie, en eigenlijk moet ik verwijzen naar de post waarin mijn vorderingen tot nu stonden beschreven (2). Iedereen kan natuurlijk papegaaien dat “gesloten systemen tenderen naar wanorde”, maar in die post ging het al een beetje verder. Als je 100 puzzelstukjes hebt, en één klein babietje, dan is de kans dat die de puzzel goed legt bijzonder klein. Er zijn immers enorm veel manieren waarop het babietje de stukjes bij elkaar kan leggen, maar er is er slechts één waarbij de puzzel goed ligt. En één gedeeld door een gigantisch getal geeft een heel klein resultaat. Zo klein dat zelfs “toeval” onvoldoende lijkt om het toch te laten gebeuren.
Kortom, we hebben hier een begrip van entropie in een puur probabilistische zin. Als je een ijsblokje ziet in een warmere vloeistof, dan durf je voospellen dat het zal smelten. Er zijn immers heel veel meer manieren waarop de watermoleculen van een ijsblokje zich kunnen vermengen met de vloeistof, dan manieren waarop ze allemaal samen blijven klitten in een kristal. Dus als je weet dat de moleculen van je glas vloeistof-plus-ijs de hele tijd willekeurig door elkaar bewegen en botsen, dan is (zonder vriestemperaturen) de kans overweldigend klein dat het water zich als kristal zal handhaven. Je kan veel beter gokken dat het babietje de 100 stukjes correct bij elkaar legt.
De entropiewet is erg belangrijk. Het laat je toe te “voorspellen”; het legt een relatie tussen heden en toekomst... Het is een inzicht waarvan ik een dik jaar geleden schreef dat het hoorde bij de “dingen die iedereen zou moeten weten”, terwijl ik helaas niet in staat ben het zelf te formuleren. Daarom ben ik blij dat Greene de uitdaging lanceert er ook eens over na te denken in de andere richting: niet naar de toekomst, maar naar het verleden toe.
Als je je inzicht in de entropie uitdrukt in termen van waarschijnlijkheid, zegt Greene, dan blijft er een groot probleem over. Stel dat je een half gesmolten blokje ziet. Je denkt dus dat het zal verder smelten op basis van die probabiliteit: en dat is ook juist. Maar wat denk je over wat er de laatste minuten mee is gebeurd? Het antwoord is: je denkt dat het nog maar kort geleden een volledig blokje ijs was, dat in de vloeistof werd gelegd, en dat is beginnen smelten tot het punt dat je nu ziet – en waarvan je verwacht dat het zal verdersmelten.
Hier is dat probleem. De kans dat er in een wereld van probabilistisch begrepen entropie een volledig ijsblokje ontstaat, is even klein als de kans dat je ijsblokje vanaf dit moment (en zonder vriestemperaturen) opnieuw herkristallizeert tot ijs. Kortom, die kans is zo onwaarschijnlijk klein, dat het even waanzinnig is dat te geloven voor het verleden, als geloven dat je blokje vanzelf weer zal kristallizeren in de toekomst. Zo klein is die kans, dat je beter kan geloven dat het half gesmolten blokje zopas “zomaar”, en “spontaan”, en “toevallig” is gekristallizeerd uit niet-vriezende vloeistofmoleculen. Dat is belachelijk onwaarschijnlijk, maar het is heel, heel veel beter dan (puur in termen van waarschijnlijkheid!) veronderstellen dat er ooit een intact ijsblokje is geweest.
Als ik het goed begrepen heb is dat laatste zelfs zo onwaarschijnlijk, dat je zelfs het ijsblokje intact mag gezien hebben toen het in de vloeistof hebt gelegd, en mag gezien hebben hoe het is beginnen smelten. Het is namelijk nog altijd veel waarschijnlijker dat een half gesmolten blokje spontaan is gekristallizeerd plus dat je waarnemingen en herinneringen een illusie zijn, dan dat er ooit een intact ijsblokje heeft bestaan. Als ik dat tenminste goed begrepen heb.
Natuurlijk, de lezer die niet al lang boos heeft weggeklikt zit even wrevelig op zijn stoel te schuiven als ikzelf toen ik het destijds las. We weten immers dat het ijsblokje is ontstaan door een diepvriezer. Alleen, we waren “puur” in termen van probabiliteiten aan het rekenen. Als we diepvriezers moeten inroepen – het bestaan van diepvriezers is zo onwaarschijnlijk dat spontaan kristallizerende ijsblokjes er haast alledaags moeten bij lijken – hebben we impliciet toegegeven dat we niet enkel in termen van probabiliteiten denken. Het gaf beslist een bepaalde intellectuele voldoening dat postje te kunnen schrijven met het babietje en de puzzel en de probabiliteit. Maar die voldoening bewijst niet dat we daarmee het hele verhaal hebben gehad. De waarheid is dat we naar het verleden toe ons probabilistische denken loslaten alsof we een gloeiende pook hadden vastgegrabbeld, en zomaar ineens beginnen over diepvriezers, en electriciteit, en menselijke technologie, en mensen zelf, en de evolutie van de mens tot één van 200 soorten apen, en de planeet Aarde, en zo nog een paar.
Allemaal dingen die zo onwaarschijnlijk zijn dat het lachwekkend wordt dat je ooit “puur” in termen van probabiliteit over entropie nadacht.
De ingreep die Greene op dit punt doet is iets dat wat mij betreft (lees: alweer voor zover ik het goed begrepen heb) tot de “metafyscia” (3) behoort. Je moet zekere beslissingen nemen, die zelf geen onderdeel van de wetenschap zijn, maar eerder bepaalde filosofische vooronderstellingen. Denk aan “persjonkelen”! (4). De wetenschap neemt aan dat onze waarnemingen en herinneringen geen collectieve illusie zijn, en bijgevolg moet er, naar het verleden toe, een toestand van veel lagere entropie hebben bestaan, dan we op basis van probabilistisch denken zouden verwachten. Het is die erg lage entropie die toeliet dat in een “drive” naar immer stijgende entropie, deelprocessen konden ontstaan zoals de evolutie van de mens, en technologie, en het gebruik van energie (in laatste instantie afkomstig van de zon).
Uiteindelijk brengen de beperkingen van het denken in termen van probabiliteit ons dus bij de vraag naar waar die erg lage entropie vandaan kwam. Dat is een vraag die gaat over kosmologie, het ontstaan van het universum en de Big Bang! Die verbanden beschrijf ik hier misschien ook nog wel eens, maar voorlopig – geeft het geen koude rillingen, de manier waarop al die grote vragen met elkaar blijken samen te hangen?
--------------------------------------------
(1) Greene, The Fabric of the Cosmos, 2,004
(2) http://speelsmaarserieus.blogspot.com/2006/08/de-entropiewet_115667946535776970.html
(3) http://speelsmaarserieus.blogspot.com/2007/02/metafysica-rare-jongens-die-filosofen.html
(4) http://speelsmaarserieus.blogspot.com/2007/04/de-metafyscia-van-het-persjonkelen.html
maandag 9 juli 2007
Het "Ontstaan" van de Lichtgevoelige Cel
Ooit, lang geleden, is het me gelukt uit een discussie met creationisten een echt interessante kwestie te puren. Ik ben nooit te weten gekomen of de vraag die we konden formuleren (het is altijd interessant om tenminste de vragen te zien, zelfs als je de antwoorden niet kent of kan kennen) ons destijds in een juiste richting heeft geduwd, maar wie weet kom ik het ooit nog wel te weten. (In feite denk ik dat ik een simpel antwoord op een simpele vraag zelf heb gevonden, maar ik kan het natuurlijk ook gewoon mis hebben.)
De creationisten zijn vanzelfsprekend altijd op zoek naar “problemen” voor de evolutietheorie. Ze weten niet eens dat wetenschap niets anders is dan onderzoek naar onopgeloste problemen, en dus beelden ze zich dat het volstaat er één van in herinnering te brengen, en “wij” zitten in de moeilijkheden.
Het onderwerp was de (op agressieve toon gestelde) vraag hoe (op weg naar de evolutie van het oog) zelfs maar lichtgevoelige cellen konden evolueren. Dat is extra interessant als vraag omdat Darwin zelf aangaf dat het een onderwerp was waarop hij niet echt kon ingaan (1). Maar na enig nadenken vond ik een idee dat tegelijk een antwoord kon zijn, en verklaarde waarom Darwin daar niet aan dacht.
Het antwoord gaat als volgt. Stralende lichamen zoals een ster – dus ook onze zon – zenden straling uit over een erg breed spectrum. Afhankelijk van het soort object (een planeet, een ster, een quasar, een zwart gat...) is er veel meer straling van bepaalde delen van dat spectrum dan van andere. Om me met een voorbeeld te verduidelijken: onze eigen zon zendt zowat alles uit, maar er zit veel meer straling tussen van de soort die wij “zichtbaar licht” noemen dan er, pakweg, ultraviolet inzit. Terwijl het spectrum van een supernova op heel andere punten van het spectrum dominant zal zijn.
Daarnaast moeten we ook nog weten dat energie (“straling”) en materie met elkaar interageren op welbepaalde manieren, en dit hangt af van het soort energie dat met de straling gepaard gaat. Sommige straling is zo intens dat je er nucleaire reacties mee op gang krijgt. Het zichtbare licht (waar onze zon zo goed in is) interageert met materie op het niveau van (wat wij) normale chemische reacties (noemen). Je kan er moluculen mee ontbinden in hun atomen, maar lood maken van goud zal je er niet vaak mee zien gebeuren.
Maar met dat gegeven kan je gemakkelijk inzien dat er een probleem is op het niveau van de allereerste organismen, en nog meer voor de proto-organismen. Immers, leven zelf is al een complexe chemische reactie, en heel veel moet er niet misgaan, of de reactie houdt op, en het leven is niet langer leven, maar dood.
Dus als jij als primitief organisme (hé, de lezer heeft wel door dat hij of zij dit niet letterlijk en persoonlijk moet opvatten, neem ik aan?) met alle moeite van de wereld een eiwit bij elkaar hebt gespaard, en er passeert een zonnestraal, en die knotst er een atoom koolstof uit – ja, waar eindig je dan?
Met andere woorden, het probleem met een zon als de onze is niet hoe primitieve organismen lichtgevoelig kunnen worden. Met een zon als de onze hebben organismen die gebaseerd zijn op de “normale chemische reacties” het probleem dat ze al erg lichtgevoelig zijn!
Maar dat was iets dat Darwin, voor (en in) 1859 (het publicatiejaar van The Origin of Species) niet kon weten (altijd voor zover mijn idee waar is, natuurlijk). De samenstelling van de zon zelf zou pas in datzelfde jaar worden ontdekt, en de aard van radioactieve straling lag nog een halve eeuw in de toekomst. Waar Darwin het dan weer wel over had was over hoe een laagje pigment (een kleine wijziging die door “variatie” best wel tot stand zal kunnen komen?) dat zich aan één zijde van lichtgevoelige cellen zou opbouwen, ervoor zou zorgen dat er aan het organisme een gevoel van richting werd verschaft. En dat zou dan weer extra nakomelingen kunnen opleveren, enzovoort.
Om maar te zwijgen van het effect dat dat pigment geeft als bescherming tegen de zon, natuurlijk.
---------------------------------------------
(1) Darwin, The Origin of Species, Hoofdstuk VI
De creationisten zijn vanzelfsprekend altijd op zoek naar “problemen” voor de evolutietheorie. Ze weten niet eens dat wetenschap niets anders is dan onderzoek naar onopgeloste problemen, en dus beelden ze zich dat het volstaat er één van in herinnering te brengen, en “wij” zitten in de moeilijkheden.
Het onderwerp was de (op agressieve toon gestelde) vraag hoe (op weg naar de evolutie van het oog) zelfs maar lichtgevoelige cellen konden evolueren. Dat is extra interessant als vraag omdat Darwin zelf aangaf dat het een onderwerp was waarop hij niet echt kon ingaan (1). Maar na enig nadenken vond ik een idee dat tegelijk een antwoord kon zijn, en verklaarde waarom Darwin daar niet aan dacht.
Het antwoord gaat als volgt. Stralende lichamen zoals een ster – dus ook onze zon – zenden straling uit over een erg breed spectrum. Afhankelijk van het soort object (een planeet, een ster, een quasar, een zwart gat...) is er veel meer straling van bepaalde delen van dat spectrum dan van andere. Om me met een voorbeeld te verduidelijken: onze eigen zon zendt zowat alles uit, maar er zit veel meer straling tussen van de soort die wij “zichtbaar licht” noemen dan er, pakweg, ultraviolet inzit. Terwijl het spectrum van een supernova op heel andere punten van het spectrum dominant zal zijn.
Daarnaast moeten we ook nog weten dat energie (“straling”) en materie met elkaar interageren op welbepaalde manieren, en dit hangt af van het soort energie dat met de straling gepaard gaat. Sommige straling is zo intens dat je er nucleaire reacties mee op gang krijgt. Het zichtbare licht (waar onze zon zo goed in is) interageert met materie op het niveau van (wat wij) normale chemische reacties (noemen). Je kan er moluculen mee ontbinden in hun atomen, maar lood maken van goud zal je er niet vaak mee zien gebeuren.
Maar met dat gegeven kan je gemakkelijk inzien dat er een probleem is op het niveau van de allereerste organismen, en nog meer voor de proto-organismen. Immers, leven zelf is al een complexe chemische reactie, en heel veel moet er niet misgaan, of de reactie houdt op, en het leven is niet langer leven, maar dood.
Dus als jij als primitief organisme (hé, de lezer heeft wel door dat hij of zij dit niet letterlijk en persoonlijk moet opvatten, neem ik aan?) met alle moeite van de wereld een eiwit bij elkaar hebt gespaard, en er passeert een zonnestraal, en die knotst er een atoom koolstof uit – ja, waar eindig je dan?
Met andere woorden, het probleem met een zon als de onze is niet hoe primitieve organismen lichtgevoelig kunnen worden. Met een zon als de onze hebben organismen die gebaseerd zijn op de “normale chemische reacties” het probleem dat ze al erg lichtgevoelig zijn!
Maar dat was iets dat Darwin, voor (en in) 1859 (het publicatiejaar van The Origin of Species) niet kon weten (altijd voor zover mijn idee waar is, natuurlijk). De samenstelling van de zon zelf zou pas in datzelfde jaar worden ontdekt, en de aard van radioactieve straling lag nog een halve eeuw in de toekomst. Waar Darwin het dan weer wel over had was over hoe een laagje pigment (een kleine wijziging die door “variatie” best wel tot stand zal kunnen komen?) dat zich aan één zijde van lichtgevoelige cellen zou opbouwen, ervoor zou zorgen dat er aan het organisme een gevoel van richting werd verschaft. En dat zou dan weer extra nakomelingen kunnen opleveren, enzovoort.
Om maar te zwijgen van het effect dat dat pigment geeft als bescherming tegen de zon, natuurlijk.
---------------------------------------------
(1) Darwin, The Origin of Species, Hoofdstuk VI
Labels:
evolutietheorie,
Onstaan van het Leven,
wetenschap
zondag 8 juli 2007
Baby Thomas slaapt goed.
Voor de vierde nacht op rij is baby Thomas één keer wakker geworden. s'Avonds tankt hij eens goed bij rond 22.00 uur, 's nachts is het tussen drie en vier uur prijs, en 's morgens wordt hij wakker van de lange monologen van zijn zus.
Van die monologen hoeft de lezer zich niet veel voor te stellen. "Awawawawawaaaaàààà, vogel! èèèèèèèè.... autoo!... duhduhduhduh...
Enzovoort.
We krijgen, met andere woorden, ongeveer vijf minuten om er met een grote fles melk te staan, voor de decibels op de rest van de wereld worden losgelaten.
Maar ze is zeer lief tegen baby Thomas. Ze doet heel druk, voelt zich af en toe erg onzeker en heeft veel aandacht nodig. Maar alles bij elkaar is de boel hier goed onder controle.
En dan baby Thomas die één keer per nacht wakker wordt. De lezer voelt dat ik hier elk woord letter per letter moet intikken. De andere hand heb ik nodig om een héél groot stuk hout vast te houden.
Van die monologen hoeft de lezer zich niet veel voor te stellen. "Awawawawawaaaaàààà, vogel! èèèèèèèè.... autoo!... duhduhduhduh...
Enzovoort.
We krijgen, met andere woorden, ongeveer vijf minuten om er met een grote fles melk te staan, voor de decibels op de rest van de wereld worden losgelaten.
Maar ze is zeer lief tegen baby Thomas. Ze doet heel druk, voelt zich af en toe erg onzeker en heeft veel aandacht nodig. Maar alles bij elkaar is de boel hier goed onder controle.
En dan baby Thomas die één keer per nacht wakker wordt. De lezer voelt dat ik hier elk woord letter per letter moet intikken. De andere hand heb ik nodig om een héél groot stuk hout vast te houden.
zaterdag 7 juli 2007
Dom... dom... dom wat, eigenlijk?
Geplukt van de nieuwssite van Reuters:
"The www.ReOpen911.info website, which promotes September 11 conspiracy theories, has posted a video clip of French Housing Minister Christine Boutin appearing to question that Osama bin Laden's al Qaeda group orchestrated the attacks. Boutin's office sought to play down the remarks.
Asked in an interview last November, before she became minister, whether she thought Bush might be behind the attacks, Boutin says: "I think it is possible. I think it is possible."
(Omdat Blogger vaak afschuwelijk slecht reageert op url's durf ik die er niet bijgeven, maar het komt dus van Reuters.)
Tja. Dom links zullen de ministers van Sarkozy wel niet zijn, dom rechts zie ik niet zo snel beweren dat Bush zelf 911 heeft veroorzaakt, dus waar klasseer je zoiets? Gewoon maar oliedom, zeker?
"The www.ReOpen911.info website, which promotes September 11 conspiracy theories, has posted a video clip of French Housing Minister Christine Boutin appearing to question that Osama bin Laden's al Qaeda group orchestrated the attacks. Boutin's office sought to play down the remarks.
Asked in an interview last November, before she became minister, whether she thought Bush might be behind the attacks, Boutin says: "I think it is possible. I think it is possible."
(Omdat Blogger vaak afschuwelijk slecht reageert op url's durf ik die er niet bijgeven, maar het komt dus van Reuters.)
Tja. Dom links zullen de ministers van Sarkozy wel niet zijn, dom rechts zie ik niet zo snel beweren dat Bush zelf 911 heeft veroorzaakt, dus waar klasseer je zoiets? Gewoon maar oliedom, zeker?
vrijdag 6 juli 2007
Het Verlies van de Hegemonie
Ik zit te lezen in een boekje dat geen geschiedenisboek is, maar een boek over geschiedenis (1). Het boek gaat over hoe een zeer recente filosofische stroming - het Postmodernisme - op relativizerende wijze een aantal disciplines, waaronder de geschiedenis, aanviel. Daar zijn volgens het boek een paar punten van waar, en een aantal andere niet, enzovoort.
Toevallig zit er, heel kort, een stukje in dat recht naar mijn post van enkele dagen geleden verwijst (2). Het boek verwijst naar het werk van een bepaalde historicus, en zegt dat het zeker een goed werk was, maar dat het toch veel kritiek had geoogst. Het ging namelijk om een recente geschiedenis van Engeland, en het werk hield zich, volgens de kritieken, te weinig bezig met een onderzoek naar de oorzaken van het verlies van de positie als belangrijkste natie van de planeet, die Engeland had, pakweg in de negentiende eeuw.
Natuurlijk viel me meteen op dat ik me waarschijnlijk eerder aan de kant van dat werk zou terugvinden. Immers, het verlies van die positie is in mijn perspectief zo tautologisch, dat elke analyse van oorzaken wel tot trivialiteiten moet leiden. (OK, ik karikaturalizeer hier mijn eigen opinie, natuurlijk, het moest in één zin kunnen.)
Laat me even enkele cijfers van die post aanhalen. De cijfers van het jaar 1,850 voor bevolking en BNP per hoofd van De toenmalige en de toekomstige wereldmacht:
UK: 27 mio / 2,330
VS: 23 mio / 1,806
En dezelfde cijfers maar dan voor het jaar 2,003:
UK: 60 mio/ 21,000
VS: 290 mio / 29,000
En wat wil een mens daar nog aan toevoegen? Natuurlijk, als iemand in woorden wil herhalen wat de cijfers al zeggen, dan is dat voor mij ook goed. Het UK is in bevolking verdubbeld, waar de VS meer dan vertienvoudigd is. En in tweede instantie is de VS ook nog eens per hoofd een stuk productiever dan het UK geworden.
En als heel veel meer mensen, stuk voor stuk, ook nog een stuk meer maken dan een andere, veel kleinere groep, dan is het niet te verbazen als die eerste groep ook veel meer heeft dan die tweede groep. Dus kan de bijhorende politieke organizatie van de eerste groep ook beroep doen op veel meer middelen, en dus eindigen die met meer vliegdekschepen.
Terwijl ik vrees dat de mensen die een analyse willen op zoek zijn naar stellingen als "het is de schuld van die en die politieke partij", en "het komt door de decadentie" enzovoort. Ze zijn op zoek naar hun eigen vooroordeel, gelegd naast een bij veronderstelling negatieve consequentie, en ze hopen dààr uit af te leiden dat uitgerekend hun vooroordeel meer aandacht moet krijgen.
Wel, ik kan het mis hebben. Maar ik zou echt voorstellen om het allemaal niet onnodig moeilijk te maken.
-----------------------------
(1) Evans, In Defense of History, 1,997 (2,000)
(2) http://speelsmaarserieus.blogspot.com/2007/07/europa-tussen-britannia-en-bokrijk.html
Toevallig zit er, heel kort, een stukje in dat recht naar mijn post van enkele dagen geleden verwijst (2). Het boek verwijst naar het werk van een bepaalde historicus, en zegt dat het zeker een goed werk was, maar dat het toch veel kritiek had geoogst. Het ging namelijk om een recente geschiedenis van Engeland, en het werk hield zich, volgens de kritieken, te weinig bezig met een onderzoek naar de oorzaken van het verlies van de positie als belangrijkste natie van de planeet, die Engeland had, pakweg in de negentiende eeuw.
Natuurlijk viel me meteen op dat ik me waarschijnlijk eerder aan de kant van dat werk zou terugvinden. Immers, het verlies van die positie is in mijn perspectief zo tautologisch, dat elke analyse van oorzaken wel tot trivialiteiten moet leiden. (OK, ik karikaturalizeer hier mijn eigen opinie, natuurlijk, het moest in één zin kunnen.)
Laat me even enkele cijfers van die post aanhalen. De cijfers van het jaar 1,850 voor bevolking en BNP per hoofd van De toenmalige en de toekomstige wereldmacht:
UK: 27 mio / 2,330
VS: 23 mio / 1,806
En dezelfde cijfers maar dan voor het jaar 2,003:
UK: 60 mio/ 21,000
VS: 290 mio / 29,000
En wat wil een mens daar nog aan toevoegen? Natuurlijk, als iemand in woorden wil herhalen wat de cijfers al zeggen, dan is dat voor mij ook goed. Het UK is in bevolking verdubbeld, waar de VS meer dan vertienvoudigd is. En in tweede instantie is de VS ook nog eens per hoofd een stuk productiever dan het UK geworden.
En als heel veel meer mensen, stuk voor stuk, ook nog een stuk meer maken dan een andere, veel kleinere groep, dan is het niet te verbazen als die eerste groep ook veel meer heeft dan die tweede groep. Dus kan de bijhorende politieke organizatie van de eerste groep ook beroep doen op veel meer middelen, en dus eindigen die met meer vliegdekschepen.
Terwijl ik vrees dat de mensen die een analyse willen op zoek zijn naar stellingen als "het is de schuld van die en die politieke partij", en "het komt door de decadentie" enzovoort. Ze zijn op zoek naar hun eigen vooroordeel, gelegd naast een bij veronderstelling negatieve consequentie, en ze hopen dààr uit af te leiden dat uitgerekend hun vooroordeel meer aandacht moet krijgen.
Wel, ik kan het mis hebben. Maar ik zou echt voorstellen om het allemaal niet onnodig moeilijk te maken.
-----------------------------
(1) Evans, In Defense of History, 1,997 (2,000)
(2) http://speelsmaarserieus.blogspot.com/2007/07/europa-tussen-britannia-en-bokrijk.html
donderdag 5 juli 2007
Baby Thomas slaapt
Deze nacht heeft baby Thomas gedronken om 22.00 uur, om 03.30 uur en om 07.20 uur! Maar één drinkbeurt in het midden van de nacht! En 't bazeke is nog maar zeven dagen oud! En 07.20 mag vroeg lijken voor een beschaafd Christenmensch, maar het is toch het uur waarop peuter Sarah wakker wordt, ontdekt dat haar beertje over de rand van het bed is geklommen, en met een klagelijk "kannie..." aan de wereld kond doet dat ze er niet meer aan kan.
Onnodig te zeggen dat een dergelijk onrecht alleen maar kan rechtgezet worden met 330 milliliter volle melk, onmiddellijk oraal toe te dienen door papa... (Op straffe van groot concert.)
Overdag is er wel wat werk aan om de frequenties van Thomas drinkbeurten omlaag te krijgen. Momenteel halen we geen drie uur tussen twee drinkbeurten, en dat is wat zwaar voor de mama. Maar afgezien daarvan, het lijkt weer een enorm braaf babietje. In de crèche zeiden ze destijds van (toenmalig) baby Sarah "dat is nu echt een tevreden babietje". En wij zitten alle uren hout vast te houden dat Thomas dezelfde weg als zijn zus opgaat: momenteel een echt tevreden peutertje.
Volgende aflevering: Baby Thomas huilt.
(Als hij wil, tenminste.)
Onnodig te zeggen dat een dergelijk onrecht alleen maar kan rechtgezet worden met 330 milliliter volle melk, onmiddellijk oraal toe te dienen door papa... (Op straffe van groot concert.)
Overdag is er wel wat werk aan om de frequenties van Thomas drinkbeurten omlaag te krijgen. Momenteel halen we geen drie uur tussen twee drinkbeurten, en dat is wat zwaar voor de mama. Maar afgezien daarvan, het lijkt weer een enorm braaf babietje. In de crèche zeiden ze destijds van (toenmalig) baby Sarah "dat is nu echt een tevreden babietje". En wij zitten alle uren hout vast te houden dat Thomas dezelfde weg als zijn zus opgaat: momenteel een echt tevreden peutertje.
Volgende aflevering: Baby Thomas huilt.
(Als hij wil, tenminste.)
woensdag 4 juli 2007
Baby Thomas drinkt
Baby Thomas drinkt melk. Soms met tussenpauzes van 4 uur, soms na amper 2. Wij, mannetjes van de soort hebben er weer geen idee van, maar voor wie borstvoeding geeft is dat allemaal ver van vanzelfsprekend. De scherpe kanten van het leven, soms waar je ze niet zo direct had verwacht.
Maar de beloning is groot. Baby Thomas zuigt zich helemaal vol en ligt dan met zo'n ontzettend verzaligd snuitje te kijken... Dat gezicht alleen al is een heel leven met alle kleine frustraties en irritaties waard. Dan vallen de oogjes geleidelijk toe en baby Thomas valt in slaap. Zijn trekken ontspannen zich, zijn ademhaling is rustig, een knuistje priemt ter hoogte van zijn oortjes van onder de deken.
Het universum mag zijn gang gaan, de geopolitieke ontwikkelingen van dat kleine speldeprikje onze melkweg doen er niet meer toe, en wat er uitgerekend op de planeet Aarde gebeurt raakt hem niet.
Baby Thomas is tevreden.
Hij slaapt.
Maar de beloning is groot. Baby Thomas zuigt zich helemaal vol en ligt dan met zo'n ontzettend verzaligd snuitje te kijken... Dat gezicht alleen al is een heel leven met alle kleine frustraties en irritaties waard. Dan vallen de oogjes geleidelijk toe en baby Thomas valt in slaap. Zijn trekken ontspannen zich, zijn ademhaling is rustig, een knuistje priemt ter hoogte van zijn oortjes van onder de deken.
Het universum mag zijn gang gaan, de geopolitieke ontwikkelingen van dat kleine speldeprikje onze melkweg doen er niet meer toe, en wat er uitgerekend op de planeet Aarde gebeurt raakt hem niet.
Baby Thomas is tevreden.
Hij slaapt.
De Islam in Spanje
De stijlfiguur “men heeft u gezegd [zus en zo], maar ik zeg u [iets heel anders]” is een bekende manier om je verhaal wat interessanter te maken. Wat zouden mensen belangstelling hebben voor dorre historische feiten uit verre landen, als je er niet ook midden in een frisse, hedendaagse controverse mee terecht kwam?
De controverse waarover ik het (met een soort grijnzend plezier) wil hebben is weer het conflict tussen de Islam en het Westen. En hadden we daarin niet vernomen dat de Islam een “inherent inferieure” beschaving was, die op geen enkel moment een betekenisvolle bijdrage heeft kunnen leveren aan het Westen, dat immers niet eens ooit achterop was geraakt? En was één van de intellectuele voormannen van het hedendaagse “ideeën”goed dat voorstelt om de democratie manu militari in het Midden Oosten uit te dragen niet Bernard Lewis?
In wat volgt komen alle citaten uit Bernard Lewis, The Arabs in History, hoofdstuk 7
“Spain on the eve of the Arab conquest was in a weak and deplorable state. (…) On the one hand was a small landowning class with enormous latifundia, on the other a vast and miserable mass of serfs and slaves and a ruined and decayed middle class. Around the countryside roved robber bands of runaway serfs and slaves.”
Dat klinkt niet alsof het Westen in Spanje één van zijn belangrijkste lidstaten kende, wel? Het klinkt eerder alsof het in de eeuwen na de val van Rome tot een veel primitiever niveau was terugevallen. En toen, wat gebeurde er toen? Wel, rond 710 AD arriveerden de Moslims:
“The new regime was relatively tolerant, and even some Spanish chroniclers describe it as preferable to the Frankish rule of the north. The greatest benefit that it brought to the country was the elimination of the old ruling class of nobility and clergy and the distribution of their lands, creating a new class of smallholders who were largely responsible for the agricultural prosperity of Muslim Spain.”
Aha. Onder de Moslims ging het duidelijk beter. Spanje (dat onder Rome was opgebloeid en daarna was teruggevallen) klimt weer uit het dal, en nadat ze dat, steeds onder die Moslims een tijdje hadden volgehouden...
“Spanish Islam at its peak presented a proud spectacle. The Arabs enriched the life of the peninsula in many ways: in agriculture they introduced scientific irrigation and a number of new crops (…). The changes which they wrought in the system of land tenure were largely responsible for the prosperous state of Spanish agriculture under Spanish rule. They developed many industries – textiles, pottery, paper, silk, and sugar-refining (…) Wool and silk were manufactured in Cordoba, Malaga, and Almeria, pottery in Malaga and Valencia, arms in Cordoba and Toledo, leather in Cordoba, carpets in Beza and Calcena, paper – an Arab introduction from the further East – in Jativa and Valencia.”
Enzovoort. Maar dat is nog niet het merkwaardigst van al. Het merkwaardigst van al is dat tegen het jaar 1,500 de Reconquista compleet is. Het volgende dat we te zien krijgen is dat Spanjaarden de Inquisitie omarmen, alles wat Jood of Moslim is er uit smijten, en een serie veroveringen en plunderingen van de rest van de wereld organizeren om er stil bij te worden: behold de Zilvervloot!
Maar zoals wij, neo-liberalen, niet moe worden de rest van de wereld te vertellen: het is niet met bezetting en plunderingen dat je een groot wereldrijk onderhoudt, wel integendeel. De Spanjaarden waren niet rijk en machtig omdat ze Zuid Amerika plunderden. Ze konden Zuid Amerika plunderen omdat ze al rijk en machtig waren. En nadat ze dat een paar generaties, meer niet, hadden volgehouden, hadden ze zich totaal laten voorbijfietsen door meer noordelijk gelegen Europeanen, en staan alle geschiedenisboeken vol met titels, subtitels en uitdrukkingen die varianten zijn op “the decline of Spain”.
En zo krijgen we de merkwaardige toestand dat Spanje voor de Moslims een lamentabel schouwspel bood, onder de Islam een geweldige opbloei kende, en een dikke eeuw na het einde van de Reconquista weer in “decline” ging. Iets zegt me dat dom rechts het zo nog niet bekeken had...
De controverse waarover ik het (met een soort grijnzend plezier) wil hebben is weer het conflict tussen de Islam en het Westen. En hadden we daarin niet vernomen dat de Islam een “inherent inferieure” beschaving was, die op geen enkel moment een betekenisvolle bijdrage heeft kunnen leveren aan het Westen, dat immers niet eens ooit achterop was geraakt? En was één van de intellectuele voormannen van het hedendaagse “ideeën”goed dat voorstelt om de democratie manu militari in het Midden Oosten uit te dragen niet Bernard Lewis?
In wat volgt komen alle citaten uit Bernard Lewis, The Arabs in History, hoofdstuk 7
“Spain on the eve of the Arab conquest was in a weak and deplorable state. (…) On the one hand was a small landowning class with enormous latifundia, on the other a vast and miserable mass of serfs and slaves and a ruined and decayed middle class. Around the countryside roved robber bands of runaway serfs and slaves.”
Dat klinkt niet alsof het Westen in Spanje één van zijn belangrijkste lidstaten kende, wel? Het klinkt eerder alsof het in de eeuwen na de val van Rome tot een veel primitiever niveau was terugevallen. En toen, wat gebeurde er toen? Wel, rond 710 AD arriveerden de Moslims:
“The new regime was relatively tolerant, and even some Spanish chroniclers describe it as preferable to the Frankish rule of the north. The greatest benefit that it brought to the country was the elimination of the old ruling class of nobility and clergy and the distribution of their lands, creating a new class of smallholders who were largely responsible for the agricultural prosperity of Muslim Spain.”
Aha. Onder de Moslims ging het duidelijk beter. Spanje (dat onder Rome was opgebloeid en daarna was teruggevallen) klimt weer uit het dal, en nadat ze dat, steeds onder die Moslims een tijdje hadden volgehouden...
“Spanish Islam at its peak presented a proud spectacle. The Arabs enriched the life of the peninsula in many ways: in agriculture they introduced scientific irrigation and a number of new crops (…). The changes which they wrought in the system of land tenure were largely responsible for the prosperous state of Spanish agriculture under Spanish rule. They developed many industries – textiles, pottery, paper, silk, and sugar-refining (…) Wool and silk were manufactured in Cordoba, Malaga, and Almeria, pottery in Malaga and Valencia, arms in Cordoba and Toledo, leather in Cordoba, carpets in Beza and Calcena, paper – an Arab introduction from the further East – in Jativa and Valencia.”
Enzovoort. Maar dat is nog niet het merkwaardigst van al. Het merkwaardigst van al is dat tegen het jaar 1,500 de Reconquista compleet is. Het volgende dat we te zien krijgen is dat Spanjaarden de Inquisitie omarmen, alles wat Jood of Moslim is er uit smijten, en een serie veroveringen en plunderingen van de rest van de wereld organizeren om er stil bij te worden: behold de Zilvervloot!
Maar zoals wij, neo-liberalen, niet moe worden de rest van de wereld te vertellen: het is niet met bezetting en plunderingen dat je een groot wereldrijk onderhoudt, wel integendeel. De Spanjaarden waren niet rijk en machtig omdat ze Zuid Amerika plunderden. Ze konden Zuid Amerika plunderen omdat ze al rijk en machtig waren. En nadat ze dat een paar generaties, meer niet, hadden volgehouden, hadden ze zich totaal laten voorbijfietsen door meer noordelijk gelegen Europeanen, en staan alle geschiedenisboeken vol met titels, subtitels en uitdrukkingen die varianten zijn op “the decline of Spain”.
En zo krijgen we de merkwaardige toestand dat Spanje voor de Moslims een lamentabel schouwspel bood, onder de Islam een geweldige opbloei kende, en een dikke eeuw na het einde van de Reconquista weer in “decline” ging. Iets zegt me dat dom rechts het zo nog niet bekeken had...
dinsdag 3 juli 2007
Europa tussen Britannia en Bokrijk
De volgende ideeën vertrekken van een eenvoudige assumptie. De "invloed" van een beschaving is het resultaat van twee factoren: bevolking en productiviteit. Dat is een simplificatie, maar voor wat we willen bereiken goed genoeg. Neem nu vandaag, AD 2,007. De heel productieve bevolking van een klein land als Luxemburg legt geopolitiek gesproken weinig gewicht in de schaal. De 100 miljoen plus, maar doodarme inwoners van Nigeria leggen ook heel weinig gewicht in de schaal. Maar de talrijke inwoners van de VS die ook de meest produktieve mensen van de planeet zijn, vormen de meest geavanceerde samenleving van onze tijd.
Hoe ziet de wereld er uit wanneer onze kinderen en kleinkinderen volwassen mensen zullen zijn? Er zijn een aantal dingen die we kunnen extrapoleren. Het patroon van bevolkingsaangroei is (behoudens kometen die neervallen en andere Derde Wereldoorlogen) voor een aanzienlijke periode zo goed als bekend, en voor een langere periode vrij voorspelbaar. Economische groei ligt moeilijker, maar onder bepaalde andere assumpties kan je ook één en ander proberen. Bijvoorbeeld: over langere periodes convergeren de economieën van verschillende beschavingen (die met elkaar in contact staan) naar eenzelfde niveau (1). En bijvoorbeeld: de economieën die sinds enkele jaren aan het overschakelen zijn op liberale, kapitalistische economieën, lopen op enkele generaties tijd hun achterstand op het Westen in.
Tenslotte een stuk uitstekend nieuws. De cijfers van Angus Maddison staan op het internet! Om te zien waarom dat goed nieuws is moet je er naar kijken, dus hier is de url:
http://www.ggdc.net/maddison/
Klik op de link onder "historical statistics", en je krijgt het resultaat van Maddisons historisch onderzoek, in enkele gevallen tot eeuwen terug.
Daarmee hebben we een gecijferd vertrekpunt, en enkele specifieke assumpties. Iedereen die de assumpties denkt te kunnen verbeteren mag dat vrij doen, en onder zijn eigen ideeën aan modelbouw doen. Zelf haal ik om te beginnen enkele cijfers uit 2,003 voor bevolking en BNP per hoofd (1,990 PPP dollars) tevoorschijn:
VSA: 290 mio / 29,000
Europa: 320 mio / 20,600
China: 1,300 mio / 4,800
Indië: 1,000 mio / 2,160
(UK: 60 mio/ 21,000)
Je ziet onmiddellijk dat, simplificatie of niet, het vermenigvuldigen van de bevolking met hun economische productie een indicator geeft van het relatief geopolitiek belang van een gegeven groep op een gegeven moment.
Maar we kunnen bovendien enkele extrapolaties uitvoeren. Laat me om te beginnen aannemen dat de bevolking overal stabiel zou blijven. Ik durf: omdat een meer realistische benadering het effect dat ik wil tonen alleen maar zou versterken. Bovendien convergeren de economieën, steeds per assumptie, naar elkaar. Ik neem aan dat Indië en China gemiddeld met 6% per jaar en per hoofd zullen groeien, en het Westen met 3%. Nogmaals, iedereen kan cijfers gebruiken zoals die hem of haar beter uitkomen, en zien wat het geeft.
Voor mijn oefening zien de BNP cijfers per hoofd er voor 25, 50 en 75 jaar als volgt uit:
VS: 61,000 - 127,000 - 267,000
EU: 43,000 - 90,000 - 190,000
CH: 21,000 - 88,000 - 379,000
IN: 9,000 - 40,000 - 170,000
Vergeet niet: dat zijn de cijfers per hoofd. Om de werkelijke geopolitieke invloed binnen die tijd te berekenen moet je de cijfers van China en Indië nog met een factor drie à vier vermenigvuldigen. Of ook: onder een welbepaalde set assumpties komen de Aziatische economieën op enkele generaties tijd in dezelfde ordes van grootte terecht als "het Westen". Rekening houdend met de grotere bevolking steken ze ons compleet voorbij. Je mag gerust spelen met de assumpties zoveel je wil, zonder sterke afwijkingen van zeer aanvaardbare extrapolaties zal je daar nooit onderuit kunnen.
Het is dat soort dingen die maken dat wij de paniekverhalen horen over hoe we “het Bokrijk van de wereld” zullen worden. Zo ver zou ik evenwel niet gaan. Ik ben het er zeker mee eens dat we niet noodzakelijk naar een zeer verheugende ontwikkeling zitten te kijken (hoewel het natuurlijk wel positief zou kunnen zijn), toch niet in termen van politieke macht. Maar de vraag is waarom we zo diep in het andere uiterste terugvallen. De symptomen die we vandaag zien in Indië en China, en die suggereren dat ze daar zo hard werken dat ze ons zullen opslokken, zijn alleen maar de symptomen die je in een bepaald stadium van die evolutie krijgt. Nog maar een dikke generatie geleden kregen we ze ook in Japan te zien, met dezelfde paniekverhalen erbij. En toch praat iedereen over hoe Japan vandaag een welvarende en gezapige economie is, die met de grootste moeite uit een recessie klimt.
Ik denk dat ik een beter beeld heb dan "Bokrijk". Halfweg de negentiende eeuw stond het UK aan de top van de wereld. Hier zijn dezelfde cijfers als daarnet voor het UK en de VS in 1,850:
UK: 27 mio / 2,330
VS: 23 mio / 1,806
Eens te meer geeft aantal mensen, maal wat die mensen uitvoeren, een indicatie van de relatieve geopolitieke macht van de spelers. En mijn vraag is, als je de Britten van 1,850 had verteld over welk een pathetisch derderangs mogendheidje ze zouden zijn in 2,003... Ik kan me voorstellen dat de toenmalige patriotten hun "Britannia rules the waves" een beetje meer bibberend en bevend zouden gezongen hebben. Maar ze zijn intussen ook tien keer rijker geworden - en de realiteit is dat bij dit soort vergelijking van onvergelijkbare dingen de cijfers de evolutie eerder onderschatten. Denkt iemand werkelijk dat een hedendaagse inwoner van het UK zou aanvaarden even arm te zijn als 150 jaar geleden, als dat de prijs was om terug de nummer één natie van de wereld te zijn?
Ik denk dat Europa niet het Bokrijk, maar wel het Britannia van de wereld zal worden. Wij zullen een reële, zelfs gerespecteerde speler op het wereldtoneel zijn, maar we zullen niet de nummer één of twee zijn, en mogelijk zelfs niet meer dan een echte middenmoter. Maar geen haar op het hoofd van onze nakomelingen zal terug willen naar de dagen dat we met grote ogen op een computer stonden te kijken, en we voor de energievoorziening petroleum moesten opstoken.
Altijd verondersteld dat de boel intussen niet op een veel grotere schaal in de soep is gedraaid, natuurlijk.
-----------------------------------------------------------
(1) http://speelsmaarserieus.blogspot.com/2006/08/convergentie-en-divergentie.html
Hoe ziet de wereld er uit wanneer onze kinderen en kleinkinderen volwassen mensen zullen zijn? Er zijn een aantal dingen die we kunnen extrapoleren. Het patroon van bevolkingsaangroei is (behoudens kometen die neervallen en andere Derde Wereldoorlogen) voor een aanzienlijke periode zo goed als bekend, en voor een langere periode vrij voorspelbaar. Economische groei ligt moeilijker, maar onder bepaalde andere assumpties kan je ook één en ander proberen. Bijvoorbeeld: over langere periodes convergeren de economieën van verschillende beschavingen (die met elkaar in contact staan) naar eenzelfde niveau (1). En bijvoorbeeld: de economieën die sinds enkele jaren aan het overschakelen zijn op liberale, kapitalistische economieën, lopen op enkele generaties tijd hun achterstand op het Westen in.
Tenslotte een stuk uitstekend nieuws. De cijfers van Angus Maddison staan op het internet! Om te zien waarom dat goed nieuws is moet je er naar kijken, dus hier is de url:
http://www.ggdc.net/maddison/
Klik op de link onder "historical statistics", en je krijgt het resultaat van Maddisons historisch onderzoek, in enkele gevallen tot eeuwen terug.
Daarmee hebben we een gecijferd vertrekpunt, en enkele specifieke assumpties. Iedereen die de assumpties denkt te kunnen verbeteren mag dat vrij doen, en onder zijn eigen ideeën aan modelbouw doen. Zelf haal ik om te beginnen enkele cijfers uit 2,003 voor bevolking en BNP per hoofd (1,990 PPP dollars) tevoorschijn:
VSA: 290 mio / 29,000
Europa: 320 mio / 20,600
China: 1,300 mio / 4,800
Indië: 1,000 mio / 2,160
(UK: 60 mio/ 21,000)
Je ziet onmiddellijk dat, simplificatie of niet, het vermenigvuldigen van de bevolking met hun economische productie een indicator geeft van het relatief geopolitiek belang van een gegeven groep op een gegeven moment.
Maar we kunnen bovendien enkele extrapolaties uitvoeren. Laat me om te beginnen aannemen dat de bevolking overal stabiel zou blijven. Ik durf: omdat een meer realistische benadering het effect dat ik wil tonen alleen maar zou versterken. Bovendien convergeren de economieën, steeds per assumptie, naar elkaar. Ik neem aan dat Indië en China gemiddeld met 6% per jaar en per hoofd zullen groeien, en het Westen met 3%. Nogmaals, iedereen kan cijfers gebruiken zoals die hem of haar beter uitkomen, en zien wat het geeft.
Voor mijn oefening zien de BNP cijfers per hoofd er voor 25, 50 en 75 jaar als volgt uit:
VS: 61,000 - 127,000 - 267,000
EU: 43,000 - 90,000 - 190,000
CH: 21,000 - 88,000 - 379,000
IN: 9,000 - 40,000 - 170,000
Vergeet niet: dat zijn de cijfers per hoofd. Om de werkelijke geopolitieke invloed binnen die tijd te berekenen moet je de cijfers van China en Indië nog met een factor drie à vier vermenigvuldigen. Of ook: onder een welbepaalde set assumpties komen de Aziatische economieën op enkele generaties tijd in dezelfde ordes van grootte terecht als "het Westen". Rekening houdend met de grotere bevolking steken ze ons compleet voorbij. Je mag gerust spelen met de assumpties zoveel je wil, zonder sterke afwijkingen van zeer aanvaardbare extrapolaties zal je daar nooit onderuit kunnen.
Het is dat soort dingen die maken dat wij de paniekverhalen horen over hoe we “het Bokrijk van de wereld” zullen worden. Zo ver zou ik evenwel niet gaan. Ik ben het er zeker mee eens dat we niet noodzakelijk naar een zeer verheugende ontwikkeling zitten te kijken (hoewel het natuurlijk wel positief zou kunnen zijn), toch niet in termen van politieke macht. Maar de vraag is waarom we zo diep in het andere uiterste terugvallen. De symptomen die we vandaag zien in Indië en China, en die suggereren dat ze daar zo hard werken dat ze ons zullen opslokken, zijn alleen maar de symptomen die je in een bepaald stadium van die evolutie krijgt. Nog maar een dikke generatie geleden kregen we ze ook in Japan te zien, met dezelfde paniekverhalen erbij. En toch praat iedereen over hoe Japan vandaag een welvarende en gezapige economie is, die met de grootste moeite uit een recessie klimt.
Ik denk dat ik een beter beeld heb dan "Bokrijk". Halfweg de negentiende eeuw stond het UK aan de top van de wereld. Hier zijn dezelfde cijfers als daarnet voor het UK en de VS in 1,850:
UK: 27 mio / 2,330
VS: 23 mio / 1,806
Eens te meer geeft aantal mensen, maal wat die mensen uitvoeren, een indicatie van de relatieve geopolitieke macht van de spelers. En mijn vraag is, als je de Britten van 1,850 had verteld over welk een pathetisch derderangs mogendheidje ze zouden zijn in 2,003... Ik kan me voorstellen dat de toenmalige patriotten hun "Britannia rules the waves" een beetje meer bibberend en bevend zouden gezongen hebben. Maar ze zijn intussen ook tien keer rijker geworden - en de realiteit is dat bij dit soort vergelijking van onvergelijkbare dingen de cijfers de evolutie eerder onderschatten. Denkt iemand werkelijk dat een hedendaagse inwoner van het UK zou aanvaarden even arm te zijn als 150 jaar geleden, als dat de prijs was om terug de nummer één natie van de wereld te zijn?
Ik denk dat Europa niet het Bokrijk, maar wel het Britannia van de wereld zal worden. Wij zullen een reële, zelfs gerespecteerde speler op het wereldtoneel zijn, maar we zullen niet de nummer één of twee zijn, en mogelijk zelfs niet meer dan een echte middenmoter. Maar geen haar op het hoofd van onze nakomelingen zal terug willen naar de dagen dat we met grote ogen op een computer stonden te kijken, en we voor de energievoorziening petroleum moesten opstoken.
Altijd verondersteld dat de boel intussen niet op een veel grotere schaal in de soep is gedraaid, natuurlijk.
-----------------------------------------------------------
(1) http://speelsmaarserieus.blogspot.com/2006/08/convergentie-en-divergentie.html
maandag 2 juli 2007
Het is de Schuld van... De Welvaart!
Een tijdje geleden las ik een bespreking van een documentaire die me door mijn hoofd is blijven spoken. Het ging over een “nogal onpersoonlijke, zakelijke voorstelling van economische ontwikkelingen in landen als China” of zoiets. De documentaire toonde de nieuwe fabrieken en de veranderende levens van de mensen, maar allemaal zonder veel commentaar, kortom, het was een kritiek die zijn werk deed: Hij vertelde de potentiële kijker waar die zijn tijd in zou steken, indien die potentiële kijker ook werkelijk zou kijken.
Wat er door mijn hoofd bleef spoken was de vermelding van een welbepaalde reeks scènes. Afwisselend werd het drukke; mondaine leven van één of andere jonge professional in beeld gezet, en dan de scènes van het plattlandsproletariaat, enkele honderden meter verder.
De bedoeling, zo vernamen we, was te tonen dat de razendsnelle ontwikkelingen ook veel ellende veroorzaakten.
Zo stond het er: “veroorzaakten” of een andere, soortgelijke term die causaliteit impliceert.
Wat mij telkens weer verbaast is het gemak waarmee een bepaald soort verhalen passeert, terwijl minder dan enkele seconden nadenken zou volstaan om de grootste maatschappijcriticus te doen inzien wat er weer allemaal wordt uitgekraamd. Aangenomen dat die maatschappijcriticus dat zou willen inzien, natuurlijk, maar dit terzijde.
Wanneer je die twee soorten scènes afwisselend presenteert, dan zijn er een paar dingen die je daarmee kan illustreren. Bijvoorbeeld dat de toenemende rijkdommen niet gelijk verdeeld zijn. Maar dat is iets dat in mijn opinie niet eens erg is. Ook hier bij ons zijn de rijkdommen niet gelijk verdeeld. Ikzelf ben bijvoorbeeld veel minder rijk dan Frère, maar in de mate dat rijkere mensen dan ikzelf hun rijkdom op fatsoenlijke manier bij elkaar hebben gekregen kan dat me bijzonder weinig schelen. Iemand anders mag zich natuurlijk wel zorgen maken over "ongelijkheid", maar ik niet: gewoon mijn opinie.
Iets anders dat je met die afwisselende scènes kan tonen is dat veel mensen helemaal geen deel hebben aan de toenemende rijkdom. Dat is iets heel anders dan ongelijkheid op zich. Als mensen helemaal geen deel hebben, in de zin dat ze hartverscheurend arm blijven, dan vind ik dat vreselijk. En met mij vinden heel veel mensen dat vreselijk, over het hele politieke spectrum van extreem-links tot een heel eind naar rechts. Er kunnen enorme meningsverschillen zijn over wat we er aan gaan doen, maar iedereen vindt het vreselijk.
Maar wat je met die afwisselende scènes niet kan tonen, dat is dat de moderne ontwikkelingen ook heel veel ellende creëren. Je kan honderd keer tonen dat twee dingen samen voorkomen, zonder dat je ook maar één stap gezet hebt naar het bewijs dat het één het ander ook veroorzaakt.
In dit geval is het tegendeel het geval. De historische realiteit is dat het volstaat een eindje in het verleden terug te gaan, en je komt midden in een wereld met een uitgebreid stedelijk en/of plattelandsproletariaat terecht. Dat kan je alleen maar romantizeren tot “de goede oude tijd” als er geen schijn van kans is dat je er zelf zou moeten gaan leven. Een wereld waarin de levensverwachting helemaal geen tachtig jaar is zoals bij ons, en waar de kans dat je als vrouw sterft in het kraambed bij de tien percent ligt, en zo nog een paar.
Terwijl iedereen die dingen uitkraamt alsof de toenemende welvaart die ellende veroorzaakt impliceert dat al die toestanden er vroeger niet waren. Alleen dingen die pas na het optreden van een bepaald verschijnsel gebeuren kunnen door dat verschijnsel veroorzaakt worden, nietwaar? Dus hoe zou de ellende van het plattelandsproletariaat, “enkele honderden meter verder”, nu door de toenemende welvaart kunnen veroorzaakt worden, als die ellende er al lang voor die welvaart was?
Dat zijn dingen die heel gemakkelijk door iedereen kunnen ingezien worden. En toch volstaat het verhaaltjes te lezen, en beelden te zien, waarbij een ellende die sinds millennia bestaat samen valt met een groeiende welvaart, en de halve wereld loopt er in en staat klaar om voor waar te verkondigen dat de welvaart de armoede veroorzaakt.
Beats me.
Wat er door mijn hoofd bleef spoken was de vermelding van een welbepaalde reeks scènes. Afwisselend werd het drukke; mondaine leven van één of andere jonge professional in beeld gezet, en dan de scènes van het plattlandsproletariaat, enkele honderden meter verder.
De bedoeling, zo vernamen we, was te tonen dat de razendsnelle ontwikkelingen ook veel ellende veroorzaakten.
Zo stond het er: “veroorzaakten” of een andere, soortgelijke term die causaliteit impliceert.
Wat mij telkens weer verbaast is het gemak waarmee een bepaald soort verhalen passeert, terwijl minder dan enkele seconden nadenken zou volstaan om de grootste maatschappijcriticus te doen inzien wat er weer allemaal wordt uitgekraamd. Aangenomen dat die maatschappijcriticus dat zou willen inzien, natuurlijk, maar dit terzijde.
Wanneer je die twee soorten scènes afwisselend presenteert, dan zijn er een paar dingen die je daarmee kan illustreren. Bijvoorbeeld dat de toenemende rijkdommen niet gelijk verdeeld zijn. Maar dat is iets dat in mijn opinie niet eens erg is. Ook hier bij ons zijn de rijkdommen niet gelijk verdeeld. Ikzelf ben bijvoorbeeld veel minder rijk dan Frère, maar in de mate dat rijkere mensen dan ikzelf hun rijkdom op fatsoenlijke manier bij elkaar hebben gekregen kan dat me bijzonder weinig schelen. Iemand anders mag zich natuurlijk wel zorgen maken over "ongelijkheid", maar ik niet: gewoon mijn opinie.
Iets anders dat je met die afwisselende scènes kan tonen is dat veel mensen helemaal geen deel hebben aan de toenemende rijkdom. Dat is iets heel anders dan ongelijkheid op zich. Als mensen helemaal geen deel hebben, in de zin dat ze hartverscheurend arm blijven, dan vind ik dat vreselijk. En met mij vinden heel veel mensen dat vreselijk, over het hele politieke spectrum van extreem-links tot een heel eind naar rechts. Er kunnen enorme meningsverschillen zijn over wat we er aan gaan doen, maar iedereen vindt het vreselijk.
Maar wat je met die afwisselende scènes niet kan tonen, dat is dat de moderne ontwikkelingen ook heel veel ellende creëren. Je kan honderd keer tonen dat twee dingen samen voorkomen, zonder dat je ook maar één stap gezet hebt naar het bewijs dat het één het ander ook veroorzaakt.
In dit geval is het tegendeel het geval. De historische realiteit is dat het volstaat een eindje in het verleden terug te gaan, en je komt midden in een wereld met een uitgebreid stedelijk en/of plattelandsproletariaat terecht. Dat kan je alleen maar romantizeren tot “de goede oude tijd” als er geen schijn van kans is dat je er zelf zou moeten gaan leven. Een wereld waarin de levensverwachting helemaal geen tachtig jaar is zoals bij ons, en waar de kans dat je als vrouw sterft in het kraambed bij de tien percent ligt, en zo nog een paar.
Terwijl iedereen die dingen uitkraamt alsof de toenemende welvaart die ellende veroorzaakt impliceert dat al die toestanden er vroeger niet waren. Alleen dingen die pas na het optreden van een bepaald verschijnsel gebeuren kunnen door dat verschijnsel veroorzaakt worden, nietwaar? Dus hoe zou de ellende van het plattelandsproletariaat, “enkele honderden meter verder”, nu door de toenemende welvaart kunnen veroorzaakt worden, als die ellende er al lang voor die welvaart was?
Dat zijn dingen die heel gemakkelijk door iedereen kunnen ingezien worden. En toch volstaat het verhaaltjes te lezen, en beelden te zien, waarbij een ellende die sinds millennia bestaat samen valt met een groeiende welvaart, en de halve wereld loopt er in en staat klaar om voor waar te verkondigen dat de welvaart de armoede veroorzaakt.
Beats me.
zondag 1 juli 2007
Meer nieuws van het front
Deze nacht heeft baby Thomas toch al drie keer bijgetankt. Ook bleek dat hij deze morgen 80 gram was bijgekomen sinds gisteren. Toen hij op de weegschaal ging en daarna in zijn badje was hij weer verbazingwekkend kalm. Maar toen zijn haartjes en oortjes werden gewassen zette hij een sirene op om er het Londense luchtalarm van 1,940 bij te doen verbleken.
Na zijn bad had hij zulk een honger dat hij zijn beste maaltijd uit heel zijn leven (alle 72 uur) naar binnen heeft gekapt. Op weg naar de volgende 80 gram. (Lach niet, hij moet nog veel groeien.)
Peuter Sarah was deze morgen weer zeer lief voor baby Thomas, maar ze heeft duidelijk iets door, en ze vroeg heel veel aandacht. Alles lijkt dus heel normaal!
En oh ja, na de gemiste fles van gisteravond was peuter Sarah deze ochtend al op om 05.30 uur. Dat is voor het mannetje het probleem met die bevallingen: nadat je vrouw negen maanden lang al het werk heeft gedaan, en in het bijzonder de bevalling zelf heeft doorgemaakt, kan jij als vader niet eens zuchten over 05.30 uur. Het vrouwtje heeft dan immers al drie keer de borst gegeven en de rest van de negen maanden...
Na zijn bad had hij zulk een honger dat hij zijn beste maaltijd uit heel zijn leven (alle 72 uur) naar binnen heeft gekapt. Op weg naar de volgende 80 gram. (Lach niet, hij moet nog veel groeien.)
Peuter Sarah was deze morgen weer zeer lief voor baby Thomas, maar ze heeft duidelijk iets door, en ze vroeg heel veel aandacht. Alles lijkt dus heel normaal!
En oh ja, na de gemiste fles van gisteravond was peuter Sarah deze ochtend al op om 05.30 uur. Dat is voor het mannetje het probleem met die bevallingen: nadat je vrouw negen maanden lang al het werk heeft gedaan, en in het bijzonder de bevalling zelf heeft doorgemaakt, kan jij als vader niet eens zuchten over 05.30 uur. Het vrouwtje heeft dan immers al drie keer de borst gegeven en de rest van de negen maanden...
Abonneren op:
Posts (Atom)