zaterdag 21 februari 2009

Over "the long run" en de onmiddellijke crisis

Twee flarden van het internet blijven door mijn hoofd spoken, zonder dat ik overigens een flauw idee heb of de twee auteurs er zelf een verband zouden bij zien. Maar soit. Het eerste was een commentaar bij iemand die zich nogal schamper had uitgelaten over Keynes' "in the long run we are all dead". Ik denk dat het commentaar van Brad DeLong (1) zal geweest zijn, maar ik vind het zo snel niet terug: maar soit.

In elk geval, zei dat commentaar, Keynes bedoelde daarmee niet dat hij zich geen moer aantrok van de lange termijn consequenties van gebeurtenissen. Keynes bedoelde daarmee wel dat hij een punt inzag dat de rechterkant van het politieke spectrum ook vaak maakt. Als je in een gegeven economie geld bijdrukt zonder dat er ook meer producten komen om met dat geld te kopen, dan is het enige effect, op voldoende lange duur, dat de prijzen stijgen. Bijvoorbeeld, als we elke Europeaan, tot de allerlaatste, tien keer meer euro's zouden geven dan hij of zij al heeft, hetzij onder de vorm van geldstukken en briefjes, bankdeposito's en kredietlijnen, dan stijgen alle prijzen met een factor tien, en iedereen heeft precies even veel of weinig welvaart als nu.

Dus het maakt in de long run geen verschil, terwijl de verleiding altijd groot zal zijn om méér geld te drukken dan er onderliggende welvaart is, en dan dreigt inflatie, en dus... njet.

Maar Keynes had het dus over iets heel anders. Neem aan dat je twee economieën hebt die goed op elkaar lijken. Neem echter ook aan dat ze groeien aan een verschillend percentage, dat niet eens heel verschillend hoeft te zijn. Een beetje inzicht in "samengestelde interest" (2) en je weet dat die twee economieën er wel eens erg verschillend van elkaar kunnen gaan uitzien. In the long run, weliswaar, want een fractie van een percent verschil op een jaar, of zelfs enkele jaren, dat maakt inderdaad niet veel uit.

Als je nu naar een gegeven, werkelijke economie kijkt, dan kan je de geschiedenis - in het bijzonder de groei - daarvan gemakkelijk aflezen met een curve die een bepaalde periode van het verleden toont. Analoog kan je je inbeelden dat je een kristallen bol bezit die je de curve laat zien, zoals die er uitziet in de ogen van iemand die binnen vijftig jaar deze oefening maakt. Dan kan je je ook gemakkelijk inbeelden dat je twee (of meer, natuurlijk) mogelijke curves ziet, die elk een potentiële toekomst voor je economie laten zien, en die er - in het bijzonder: in the long run - erg verschillend gaan uitzien. Als je je daar iets concreets wil bij voorstellen: denk aan Noord en Zuid Korea, vijftig jaar geleden.

Als je weet hoe die verschillende curves kunnen afhangen van kleine dingen op een bepaald moment, bijvoorbeeld via een klein verschil in gemiddelde groei voor een bepaalde (voldoende lange) periode, dan begin je te zien wat Keynes probeerde te doen. Natuurlijk is het waar dat geld bijdrukken zonder meer alleen maar de prijzen doet stijgen, en op de duur geen verschil maakt. Maar het is ook mogelijk dat een gegeven economie bezig is aan een zwak draaiende curve, met als oorzaak dat er te weinig geld is, of dat dat geld te weinig circuleert. Daarover heeft Paul Krugman eens een schitterend stuk geschreven, zo schitterend dat ik je voor de gelegenheid niet kwalijk zou nemen als je mijn stuk verder negeert, zolang je dan maar zijn stuk leest, in voetnoot (3).

Maar in dat geval zou het best mogelijk zijn dat een "Keynesiaanse ingreep" uitkomst brengt. Je brengt meer geld in omloop, of je zorgt ervoor (via de overheid) dat het ook werkelijk wordt uitgegeven (en niet opgepot), en nu klik je misschien wel de "zwak draaiende curve" van daarnet in een hogere stand! En zeker, het effect van je monetaire ingreep is al zeer snel weer weg. Maar als je dit doet op een moment waarop het een verschil maakt voor de stand van je curve...

Maar om hierover te durven nadenken moeten je hart en je zenuwstelsel wel bestand zijn tegen het concept dat heel af en toe een overheid misschien wel eens iets goeds zou kunnen doen. Mocht de lezer toevallig ooit voor de Irak-oorlog geweest zijn, dan heeft hij alvast al eens één stapje gezet dat kan helpen de drempel te overwinnen!

Tijd voor de tweede flard die door mijn hoofd blijft zeuren. Dat is alweer een zinnetje van Geert Noels (4):

"eminente professoren stellen voor om de huidige financiële schok maar door schulden op te lossen voor de volgende generatie"

Ik geef opnieuw toe, ik weet niet of er een verband tussen beide flarden is. Maar ik zie de volgende analogie. Zoals het hier staat is "nog meer schulden" inderdaad een nog absurder voorstel dan geld drukken. Maar moeten we ons niet ook eens afvragen hoe onze curve er uitziet? Zou de volgende generatie ons erg bedanken als ze binnen 25 jaar zeggen: "ok, jullie hebben ons geen cent extra schuld nagelaten sinds de toestanden van het jaar 2,000 maar de werkloosheid is 100% en de kapitaalbasis zit in het jaar 1,725."?

Ik heb al eerder gezegd: de vrije markten zullen het niet oplossen, want de vrije markten kunnen het niet oplossen. Als je de vrije markten vandaag aan hun lot overlaat, dan boren ze de hele wereldeconomie de grond in zoals een zelfmoordpiloot met zijn vliegtuig. Je mag, zoals ik, 100 keer overtuigd zijn van de superioriteit van het vrije markt model, dat blijft nog iets heel anders dan beweren dat de vrije markten altijd, overal en zonder uitzondering hun werk moeten doen, en dat nog volhouden terwijl de duikvlucht al zes maand bezig is. En laten we niet vergeten dat we, net voor de duikvlucht - midden september 2,008 - goed op gang kwam, al vonden dat we in een lange en zware crisis zaten.

Dus ik ben het er heus wel mee eens dat "zomaar geld drukken" en "zomaar schulden bijmaken" en "zomaar alles aan de overheid overlaten" geen gezonde basis is om aan economie te doen. zoals ik het ermee eens ben dat antibiotica toedienen aan een kerngezonde mens geen gezonde basis is om aan geneeskunde te doen. Maar wat doe je in geval van acute longontsteking; zijn de principes die gelden voor de kerngezonde mens dan nog steeds van toepassing? Zijn er scenario's waarin de economie "vanzelf" zal genezen, gegeven dat die duikvlucht nu al zes maand bezig is? Ik wil heus niet voor iedereen spreken, maar als je het mij vraagt wil ik liever niet in the short run dead zijn...

En ik wil gerust de antwoorden op deze vragen horen! Ik geloof echt niet dat iedereen die zich de vragen van Geert Noels stelt nog liever de wereldeconomie in de vergeetpunt dumpt (5) dan zijn ideologische zuiverheid op het spel zet. Voor dat laatste moet ik al kreten horen als "de Nobelprijswinnaar economie heeft er ook niets van begrepen".

--------------------------------
(1) http://delong.typepad.com/sdj/
(2)
http://speelsmaarserieus.blogspot.com/2006/02/dingen-die-iedereen-zou-moeten-weten.html
(3) http://www.slate.com/id/2202165/
(4)
http://www.econoshock.be/2009/de-jonge-generatie-en-de-econoshock/
(5)
http://speelsmaarserieus.blogspot.com/2008/10/en-dan-nu-een-inktzwart-scenario.html

donderdag 19 februari 2009

De vorm van het Zonnestelsel

In het boek Maps of Time (1) kom ik twee dingen te weten over het Zonnestelsel die me de moeite waard lijken om over door te mijmeren. Hier volgt de geschreven neerslag van die mijmeringen.

Beeld je in dat je op school vrij veel tijd hebt gespendeerd aan verhalen als “God heeft de wereld gemaakt, met alles er op en er rond”, gevolgd door de met stalen gezicht uitgesproken mededeling “en wie heeft God gemaakt? God heeft zichzelf gemaakt”; wat op zijn beurt gevolgd werd door de conclusie “da’s straf, hé”. Dit is pure autobiografie! Er was bij momenten ook sprake van een hemel – hierbij werd naar boven gewezen – en van een hel – hierbij werd naar beneden gewezen – waartussen nogal opvallende contrasten zaten. Dat vreet in op je wereldbeeld, en invreten op wereldbeelden is op zich ook wel wat scholen moeten doen, nietwaar?

Beeld je anderzijds in dat je tijdens die zelfde schooltijd helemaal géén tijd hebt gespendeerd aan meer dan de allersimpelste geografie. Het gevolg is dat je wereldbeeld weinig benul heeft voorbij “de Aarde draait rond de zon”. Het zou niet de eerste keer zijn dat iemand ontzaglijk geleerd werd, en toch over dat soort dingen met een zeer simpel, zeg maar simplistisch wereldbeeld blijft zitten (2). Alleen maar de aangeboren nieuwsgierige geest die maakt dat je dingen als Speels maar Serieus leest maakt dan dat je toch een béétje te weten komt dat de Aarde samen met een kleine tien andere planeten deel uitmaakt van een zonnestelsel (3), alsook nog wat details rond hoe dat weer in hogere kaders past, enzovoort.

Hoe verwacht je, als je werkelijk niets anders weet dan dat, dat de verdeling van die planeten in de ruimte rond de zon er ongeveer uitziet? Laten we even doen alsof de banen van de planeten geen denkbeeldige ellipsen in quasi-lege ruimte zijn, maar bestaan uit solide glazen schijven die om de zon draaien, waarbij de planeten een klein stofje op de rand van de draaiende glazen schijf zijn. Hoe verwacht je, dus, dat de posities van de glazen schijven voor de Aarde, of Jupiter, of al de rest er ongeveer zouden uitzien?

Op dit punt biecht ik op dat ik moet raden; dat ik toepas wat in mijn opinie “gezond verstand” is, met het besef dat ik het totaal mis kan hebben. Maar in mijn opinie verwacht je, met geen andere informatie dan dat er (maak er) tien (van) planeten rond de zon cirkelen, dat die schijven ten opzichte van elkaar quasi willekeurige posities innemen. Met andere woorden, als je er één uitkiest (dat mag de Aarde zijn) en je de bijhorende glazen schijf als “horizontaal” voorstelt, dan zal je er wel één (of enkele) vinden die quasi “verticaal” staan (de twee schijven staan in een hoek van 90 graden op elkaar) en er zullen er een paar hoeken van rond de dertig tot zestig graden vertonen, enzovoort. Gewoon, als je geen bijzondere informatie hebt besluit je voor willekeurige verdeling te kiezen, en volgens mij levert dat het plaatje op dat ik net beschreven heb.

Grote verrassing, dus, als je verneemt dat in werkelijkheid het vlak van al die planeten praktisch samenvalt. Op één uitzondering na (en die wijkt dan niets eens erg veel af, integendeel) vormen de vlakken van al die planeetbanen tesamen bijna één enkel vlak; zodat je kan zeggen dat bijna alle materie van het zonnestelsel buiten de zon zelf in een dunne schijf (en niet zoals in mijn voorstelling een soort bol) rond de zon zit.

Zoveel orde waar je geen reden had om orde te verwachten; dat roept om een verklaring. En die verklaring hebben we. Misschien is het interessant de vergelijking te maken met een eerdere post die ging over hoe sterren en planeten onder invloed van zwaartekracht bolvormen aannemen (4). De natuurkunde vertelt ons echter ook dat gaswolken waaruit zonnestelsels - en overigens ook Melkwegen - ontstaan schijfvormen aannemen, en dus géén bolvormen. Voor zover ik het goed begrepen heb gaat het idee als volgt. De gaswolken waaruit structuren als zonnestelsels of melkwegen bestaan komen net als sterren en planeten in een draaiende beweging terecht. Maar de dichtheid van de materie is heel veel kleiner in een zonnestelsel, of een melkweg, dan in de zon of de planeten zelf - en daar zit het verschil.

In sterren en planeten zit zoveel materie opeengepakt dat de zwaartekracht alle materie zo dicht mogelijk op elkaar perst, wat een bolvorm geeft: zolang er nog significante uitstulpingen zijn is er nog ruimte om de boel nog wat dichter bij elkaar te duwen. En ga maar na: verhoudingsgewijs is de Aarde, Himalaya inbegrepen, gladder dan een biljartbal. Maar de veel grotere structuren waarin per eenheid volume veel minder massa zit samengepakt ondergaat veel minder invloed van de zwaartekracht en verhoudingsgewijs dus veel meer van wat wij, amateurs, de “middelpuntvliedende kracht” zullen noemen. Dus neem zelfs aan dat je gaswolk min of meer bolvormig begon. Natuurlijk trekt de zwaartekracht alles naar het centrum. Maar er is één richting, namelijk in het vlak van de beweging van de wolk om haar eigen as, waarin die middelpuntvliedende kracht de materie naar alle windstreken wegblaast. De resultante van die twee, dus de zwaartekracht die alles naar het centrum trekt en de middelpuntvliedende kracht die in één vlak alles wegslingert, is precies de relatief platte schijf die je in melkwegen en zonnestelsels terugvindt.

Dus nu zitten al die planeten in praktisch één enkele schijf rond de zon. Het volgende dat opvalt is dat de vier planeten dichtst bij de zon kleine, rotsachtige planeten zijn, terwijl de vier planeten die daarna volgen heel grote gasplaneten zijn. Zoveel orde waar je kon verwachten dat de rots- en gasplaneten willekeurig verdeeld zouden zijn: het roept om een verklaring! De verklaring is de zonnewind (5). De oplaaiende zon stoot een waaier van stralen en deeltjes uit, die in de gaswolk om haar heen de lichtste elementen (de gassen) gemakkelijker uiteen doet stuiven dan de zwaardere elementen (de rotsen). Daarom bevonden er zicht relatief veel rotsachtige elementen eerder dicht bij de zon, en relatief veel gasachtige elementen verder van de zon, toen de planeten zich begonnen te condenseren – en dus zitten nu de rotsplaneten dicht bij de zon, en de gasplaneten een eind verder.

De vorm van het zonnestelsel... Je moet natuurlijk eerst weten dat het zonnestelsel een vorm heeft (en niet in termen van hemel en hel...), daarna moet het je opvallen dat er een paar dingen aan zijn die niet zo vanzelfsprekend zijn, en tenslotte moet iemand je vertellen hoe die dingen er gekomen zijn. Maar nu het eenmaal zo ver is, vind ik het toch de moeite.

-------------------------------------
(1) http://speelsmaarserieus.blogspot.com/2008/09/niet-bescheiden-genoeg.html
(2) http://speelsmaarserieus.blogspot.com/2008/03/de-melkweg.html
(3) http://tombonte.blogspot.com/2008/09/planeet-of-geen-planeet.html
(4) http://speelsmaarserieus.blogspot.com/2010/04/waarom-zijn-sterren-rond.html
(5) http://speelsmaarserieus.blogspot.com/2008/12/de-heliopauze.html

woensdag 18 februari 2009

"Monetaire entropie"? Oei! Sokal Alert!

Het altijd interessante blog van Geert Noels vertoont deze keer een artikel over "monetaire entropie":

http://www.econoshock.be/2009/monetaire-entropie/

En ik, die nog maar pas een post heb geschreven over "het Sokal probleem" (1) zie hier alle alarmlichten tegelijk afgaan. Want draai of keer het zoals je wil, de mogelijkheden om in soortgelijke toestanden terecht te komen zijn zeer groot.

Het eerste waaraan ik denk is dat entropie een statistisch begrip is (2) en verder dat het in de mate dat het niet alleen een statistisch begrip is (3) het ons alleen nog veel verder weg zou voeren. Het zegt niet iets over één of ander object, maar over heel grote hoeveelheden objecten (zoals, bijvoorbeeld, de moleculen van een gas). Het zegt dat, als je heel grote groepen objecten aan hun lot overlaat, ze de tendens zullen vertonen zich met het verlopen van de tijd in een meer waarschijnlijk patroon te bevinden. Bijvoorbeeld: open in een vacuum kamer een doos met gas, en met de tijd mag je verwachten het gas overal verspreid in de kamer terug te vinden. Er zijn immers heel veel meer manieren voor het gas om zich te verspreiden dan zich te concentreren, enfin, kortom, zie de twee url's in voetnoot.

Maar de twee zinnen die Geert nu wil vergelijken zijn:

(a) "Alles tendeert naar wanorde, tenzij men energie toevoegt"

en

(b) "Geld heeft de neiging om naar wanorde te tenderen, tenzij er waarde mee wordt gecreëerd".

En ik zie hier Sokal-alerten afgaan om een heel zonnestelsel te alarmeren. Want grammaticaal, en met het gebruik van het woord "tenzij" zijn er wel vergelijkingen te maken, maar wat het inhoudelijk met elkaar te maken heeft... Het kan aan mij liggen, maar met de beste wil van de wereld kan ik er de analogie niet van inzien.

Natuurlijk, het probleem dat de oorspronkelijke uitvinder wilde illustreren is reëel genoeg. In een economie van één appel en één goudstuk kan "al het geld van de wereld" één appel kopen. En als je er een goudstuk aan toevoegt, maar zonder dat er meer appels verschijnen, kan "al het geld van de wereld" nog steeds maar één appel kopen, maar die kost intussen wel twee goudstukken in plaats van één: daar is ook niemand mee vooruit. Als je geld toevoegt zonder dat daar iets tegenover staat (zonder dat je "waarde creëert") daalt alleen maar de waarde van het geld. Interessant, belangrijk, relevant... Maar zeg nu zelf, als je dat leest: daarvoor heb je nu toch echt geen geleerd klinkende vergelijkingen naar de natuurkunde voor nodig? Laten we het maar toegeven: eerder integendeel, nietwaar?

Dit gezegd zijnde: in werkelijkheid ben ik echt wel dol op dit soort analogieën; ik wil alleen de nodige reserves behouden om niet in de Sokal-val terecht te komen. Dus laat ik even doen alsof ik dat probleem heb opgelost en me enthousiast mee afvragen welk verband ik zie tussen "geld" en het begrip uit de fysica "entropie".

Wat me onmiddellijk voor de geest komt is dat een zeer simpele economie geen geld heeft. Dat klopt conceptueel, en dat klopt ook historisch. Weinig complexiteit, dus. Terwijl, wanneer de economie complexer wordt ze OFWEL geld zal introduceren (4), OFWEL zal botsen op de grenzen die gebrek aan geld met zich meebrengt. Kortom, de economie zal dank zij de introductie van geld complexer kunnen worden; heel veel complexer.

En zomaar uit het niets zie ik nu wel een analogie tussen onze twee onderwerpen! Weliswaar blijf ik nog steeds even voorzichtig als onder voetnoot (1), en geef ik toe dat ik misschien alleen maar een vage overeenkomst heb - maar tenminste zie ik iets als een vage overeenkomst. Namelijk, als je aan een simpel systeem energie toevoegt kan er meer complexiteit komen (5). En als je aan een simpele economie geld toevoegt, dan kan er ook meer complexiteit komen.

Ergo, als je al vergelijkingen wil maken zou ik niet zomaar "geld" plaatsen op de plaats van "alles", want dan kan je evengoed om het even wat plaatsen op de plaats van om het even wat anders, en blijven shiften tot je iets vindt dat je goed uitkomt. Ik zou geld plaatsen in een context waarin het resultaat gelijksoortig is als bij echt geld, en zien of die analogie, die nu een reële basis heeft, ons iets nieuws zegt.

En wat die analogie ons in dat geval zegt is dat een economie die gebrek heeft aan geld gevaar loopt te blijven steken, of zelfs terug te vallen, in de toestanden die we hadden voor er voldoende geld was. Dat wil zeggen, niet eens alleen "bij wijze van spreken": de middeleeuwen. En in dat geval kan je concluderen dat een economie aan de rand van een instorting, en dat wegens gebrek aan geld, behoefte heeft aan meer geld.

En dat zou ik interessant vinden! Maar ik geef het nogmaals toe hoor, dat al die analogieën vaak niet meer zijn dan wat vage gewichtigdoenerij. Mocht iemand, bijvoorbeeld om politieke redenen, niet erg blij zijn met die conclusie, en snel opmerken dat al die analogieën niet veel voorstellen... Wel, ik vind het zelf allemaal erg spannend, maar ik zal toegeven dat hij wel gelijk heeft.

-------------------------------------
(1) http://speelsmaarserieus.blogspot.com/2009/02/een-sokalprobleem.html
(2) http://speelsmaarserieus.blogspot.com/2006/08/de-entropiewet_115667946535776970.html
(3) http://speelsmaarserieus.blogspot.com/2007/07/entropie-een-nieuw-inzicht.html
(4) http://speelsmaarserieus.blogspot.com/2007/01/geld-en-economie.html
(5) http://speelsmaarserieus.blogspot.com/2007/06/creationisten-uuuren-kan-ik-doorgaan.html

dinsdag 17 februari 2009

Karen Armstrong

Om van Karen Armstrongs' The Great Transformation, The World in the Time of Buddha, Socrates, Confucius and Jeremiah (2,006) een goed boek te maken heb je er als lezer zelf ook wat werk aan. Het thema is alvast goed gekozen. In verschillende beschavingen, op die tijdsschaal waarmee je al snel 6,000 jaar bestrijkt, kwamen op een bepaald moment persoonlijkheden voor die de beschaving in kwestie bijna definiëerden, voor de rest van haar ontwikkeling. Het merkwaardige is niet dat die figuren er in die beschavingen waren, maar wel dat ze praktisch tijdgenoten van elkaar waren.

Met mijn quasi allergie voor het van buiten leren van namen en datums, en mijn voorkeur voor ronde getallen zal je me niet kwalijk nemen als ik gewoon zeg dat we over nauwelijks een eeuw na 500 BC praten: 2,500 jaar geleden. En zeg nu zelf dat je er toch even van staat te kijken wanneer je ontdekt dat Socrates, Boeddha èn Confucius in die periode leefden. Je hebt zes millennia, zestig eeuwen beschaving om uit te kiezen, en die kerels slagen er in op een bestek van één eeuw te verschijnen.

Je voelt de verleiding opkomen om te gaan denken in termen van "geschiedenis, de tijd" (1). Het is de Tijd zelf die de oorzaak van dat soort samenvallen zal zijn, "de tijd was er rijp voor"! Gelukkig valt Armstrong alvast niet in dat soort inhoudsloze pseudo-diepzinnigheden. Maar het blijft wel een zoektocht naar parallellen, causaliteiten en gemeenschappelijke factoren, en zo gaat het toch wel eens mis.

Ik zal me beperken tot één voorbeeld, maar het is me verschillende keren opgevallen. Indische geesten uit de eerste helft van "Vierde Millennium" (2) hadden een hele ontwikkeling doorgemaakt om de rituelen, afkomstig van een quasi-nomadische stammencultuur te ontdoen van geweld en agressie, om zo de eerste stappen te zetten naar die cultuur van geweldloosheid die je tot Gandhi ziet doorzinderen. Maar de Griekse stadsstaten die in diezelfde eeuwen opbloeien maken juist een tegengestelde ontwikkeling door. Ze rivalizeren almaar meer met elkaar, en eerst de hopliet, en later de roeier worden zo belangrijk in hun sociale structuur dat je daarmee alleen een eind weg komt in de verklaring van hun "Democratie". Maar daarmee beschrijf je wel het lijnrechte tegendeel van de ontwikkelingen zoals die zich in Indië afspelen, namelijk een cultuur onder groeiende militarizering.

Nu ontkent Armstrong dat (alweer "gelukkig") helemaal niet, maar intussen is het wel het thema van het boek dat je op zoek gaat naar een eenheid zodat Socrates en Boeddha het resultaat zijn. Je ziet gewoon voor je ogen het contract: de succesvolle auteur Karen Armstrong en de Uitgeverij Atlantic Books sluiten een overeenkomst af voor een boek van 400 bladzijden over de periode waarin al die mensen tijdgenoten zijn, en zelfs als je zelf beschrijft hoe de ontwikkelingen elkaars lijnrecht tegendeel zijn maak je er nog van dat het toch allemaal één grote eenheid is. Geloof me, het was niet de enige keer dat iets dergelijks me opviel. En daar moet je echt wel een beetje zelf doorbijten, om er toch nog iets mee aan te kunnen vangen.

Intussen is Armstrong toch maar iemand die heel goed kan schrijven, heel veel ervaring heeft, gepassioneerd is door het onderwerp en een goed thema heeft. Dus kom je veel lezenswaardige dingen tegen, vaak verteld in verbanden die er beter uitkomen dan de voorbeelden die ik heb beschreven, en aan het einde heb je een boek dat je als geïnteresseerde in het onderwerp zeker mag lezen: een drie op de schaal van "Kwotering" (3).

Ik zal me opnieuw beperken tot één enkel voorbeeld, hoewel je het boek alleen al zou kunnen lezen voor de geschiedenis van de joden, of de oude geschiedenis van China, of een hoop vergelijkende ideeën die er beter uitkomen dan punten waar het nu eenmaal wringt. Waarschijnlijk weet ongeveer iedereen wel dat Hinduïsme en Boeddhisme afkomstig zijn uit Indië, en misschien is het al iets minder duidelijk dat die twee echt niet hetzelfde zijn - misschien kan je een soortgelijke verhouding vinden tussen Jodendom en Christendom. De vraag is dan wat voor geschiedenis vervolgens maakt dat het Boeddhisme een carrière maakt als één van de grote wereldgodsdiensten (jaja, ik weet het, maar laat maar...) maar dan helemaal buiten Indië. Indië zelf is (na afscheiding van de Islamitische delen, natuurlijk) Hindu gebleven.

In zijn vroegere fasen bestond Hinduïsme uit de geesteswereld van de Vedische geschriften. Het was een wereld van contemplatie en ascese, niet echt een gemakkelijke wereld voor de meeste mensen. In die oude tradities ontstond een weelde aan varianten, ideeën en filosofieën, en de Vedische filosofieën wisten de meeste daarvan netjes te incorporeren. Maar in enkele gevallen ging de revolutie te ver, en één voorbeeld daarvan was Boeddha. Na de nodige omwegen in precies die contemplatie en ascese slaat hij zijn eigen weg in, en zijn loslaten van Brahmanen, kasten en rituelen valt niet te verzoenen.

Maar de beweging die er uit voortvloeit is een enorm succes, en in de eeuwen na Boeddha komt Indië dicht in de buurt van een Boeddhistische beschaving - zoals tenslotte China ook in een aantal opzichten geworden is. In reactie daarop ontwikkelt ook het Hinduïsme een spiritualiteit die zich veel meer tot de mensen wendt, en niet alleen tot kampioenen in de ascese en de yoga. Plotseling ontwikkelen zich al die goden en beelden en tempels en avatars en al die andere dingen die we allemaal zo goed niet kennen. Die beweging weet de bevolking op grote schaal aan te spreken, en nog eens 2,000 later is Indië een beschaving van Hinduïsme.

Ik had er niet het eerste benul van. Maar interessant vind ik het allemaal wel. Niet voor het eerst valt me op dat een hoop ideeën rond monotheïsme of incarnaties van goden heus niet alleen bij ons te vinden zijn. Bij gelegenheid denk ik er nog wat meer over te gaan lezen. Voor beginners - ik denk nu aan mezelf - lijkt Karen Armstrong me wel geschikt (haar boek over de Islam vond ik ook niet slecht). En hier ligt nog een dikke "Geschiedenis van Indië": als ik dat achter de kiezen heb zien we wel of ik nog ergens uitkom...

--------------------------------
(1) http://speelsmaarserieus.blogspot.com/2008/12/geschiedenis-de-tijd.html
(2) http://speelsmaarserieus.blogspot.com/2006/05/het-zevende-millennium.html
(3) http://speelsmaarserieus.blogspot.com/2006/03/kwotering.html

maandag 16 februari 2009

Een Sokalprobleem

Alan Sokal is een Amerikaanse fysicus die zich doodergerde aan de pompeuze, duistere en orakelende stijl waarmee sommige filosofen zichzelf in de kijker werkten, en hij spande een valstrik. Hij schreef een artikel met een titel en een tekst vol geleerde, dure en zware woorden, dat er uitzag alsof het een soort cultuurrelativisme verdedigde en daarvoor de nodige argumenten uit een eerbiedwaardige bron als de natuurkunde voorlegde. Maar toen het artikel door een belangrijk (voor zover ik zoiets zou weten) filosofisch tijdschrift werd aanvaard en gepubliceerd publiceerde hij tegelijk een artikel waarin hij uitlegde dat het allemaal maar een inhoudsloze hoax was, bedoeld om een hoop pseudo-intellectueel gedoe te ontmaskeren.

Onnodig te zeggen dat de beetgenomen filosofen behoorlijk ontevreden waren, en daaraan niet minder breedsprakerig dan anders lucht gaven. Nu biecht ik op dat ik dat destijds met veel leedvermaak heb gelezen, omdat ik vond, en vind, dat de filosofie er met dat soort zuiveringsacties minder belachelijk uitziet dan zonder. Sinds verschillende echte filosofen die ik bepaald niet als pseudo's inschat me hebben verteld dat Sokal af en toe toch ook erg onheus was veronderstel ik dat ik wat moet relativeren. Maar toch. Telkens wanneer ik zelf Zeer Diepzinnige Analogieën uitvind tussen de natuurwetenschap en de menswetenschap, gaat er in mijn hoofd een alarm af zoals in de ruimteschepen van een simplistische science fiction film: Sokal! Sokal! Sokal! ...

Zoals nu, dus. Iemand met mijn natuurkundige kennis doet er goed aan geen lange preken te houden over "symmetrieën" (in die natuurwetenschappelijke zin, dus), laat staan over "het breken van de symmetrie", en nog minder daarover geleerd te doen. Maar misschien kan ik het als een vraag stellen?

Waar ik dus niet veel van begrijp (lees: zo goed als niets) is het "breken van de symmetrie" in de natuurwetenschap. Ik kan echter wel het klokkengelui beschrijven dat ik heb opgevangen - en wie weet welke klepels me nog worden aangereikt? We vernemen dat electrische en nucleaire krachten verschijnen als twee verschillende verschijnselen. En toch is dat alleen maar het resultaat van een historisch proces, waarin het "ooit" ging om éénzelfde verschijnsel. Maar tijdens dat historisch proces "brak de symmetrie", en splitsten ("a ja?") zich de nucleaire en electrische krachten alsof het twee totaal losstaande dingen waren.

Vraag me niet hoe, vraag me niet waarom, ik kan alleen maar beschrijven zoals ik kan beschrijven dat er in de menselijke geschiedenis ooit een Griekse beschaving was, en later een Romeinse en nog later een globaal Europese, iets dergelijks. Op dezelfde manier kan ik vertellen dat onder de vroege condities van het heelal - onder veel hogere temperaturen - electrische en nucleaire krachten hetzelfde waren, en onder latere, sterk afgekoelde condities waren ze niet langer hetzelfde. En God hoopte dat het goed was.

Op dat punt vraag ik me af hoe sterk de analogie is met het volgende. Als we een groep bavianen beschouwen, en we beschouwen daarnaast een groep chimpansees; of als we een groep wolven beschouwen, en we beschouwen daarnaast een groep poedels (1), dan zien we twee groepen erg uiteenlopende organismen. En toch weten we dat ze ooit dezelfde organismen waren; of beter gezegd, dat binnen één welbepaalde groep organismen verschillende groepen nakomelingen (die dus op dat moment tot dezelfde groep behoorden) van elkaar gescheiden raakten, zodat de nakomelingen van die twee gescheiden groepen door het bekende proces van "natuurlijke selectie" (2) aan verschillende omgevingen aangepast raakten... En aan het einde van een lange geschiedenis zien twee verschillende groepen nakomelingen van éénzelfde groep van voorouders, er heel erg verschillend uit.

Lijkt dat nu niet erg goed op één enkele natuurkracht die onder veranderende condities in twee verschillende krachten splitst? Of maakt het feit dat ik in het ene geval wel een zeker inzicht heb in de causaliteit maar niet in het andere geval dat mijn indruk (dat er weinig verschil is) niet meer dan een oppervlakkige analogie voorstelt? Ik biecht op: ik vind het zelf erg mooi, maar ik besef dat tenminste dat het ijs glad is; zeer glad. En met dat in het achterhoofd: sta me toe nog verder te gaan, to boldly go waar het ijs niet alleen glad, maar ook dun is...

Laat me daarvoor teruggaan naar het verhaal dat René Girard ons vertelt (3). Die beweerde dat veel sterk verschillende soorten karakters ("helden" versus "monsters", bijvoorbeeld) uit mythen of sprookjes, "ooit" één en hetzelfde fenomeen waren. Een verhaal van een recent conflict zal nog verschijnen als twee partijen die niet wijs genoeg zijn om hun problemen als volwassenen op te lossen, of hoogstens in termen van "de goeden" versus "de slechten". Maar als het verhaal al een tijdje langer verteld wordt - en we weten allemaal dat het de overwinnaars zijn die de geschiedenis, en de bijhorende verhalen schrijven - treden al de eerste stereotypen op: De moeder van Ciske de Rat leek al behoorlijk erg op de stiefmoeder van Assepoester... enzovoort (4).

Dus naarmate de verhalen meer en meer de overblijfselen zijn van verdere verledens, en er minder invloeden van reële personen in het spel zijn (want die Cis wàs geen lieverdje, en die moeder wàs wel een in de steek gelaten moeder van verschillende kinderen, en het verhaal behield wel degelijk nog die elementen) evolueren de twee quasi identieke broers van het oorspronkelijk conflict meer en meer weg van elkaar, en nemen ze meer en meer de absolute vormen van goed en kwaad aan. Niet langer bekampen twee kortzichtige rivalen elkaar om een banaliteit. Niet langer zelfs is er één die als de schuldige wordt aangeduid, zodat de andere "de goede" is. De "slechte" wordt geleidelijk een verdacht en louche individu, die evolueert naar een heks of een tovenaar, en nog later vertellen de verhalen over Helden die Monsters verslaan, en en op het einde zijn het Goden in strijd met Demonen. In feite is dit geen slecht moment, voor het geval iemand ongeveer voelt wat ik bedoel, om nog eens terug te wijzen naar een serietje (5) waarvan ik de indruk had dat de lezer niet voelde wat ik bedoelde...

En dus opnieuw, als ik schijnbaar absolute tegenstellingen als Goden en Demonen zie verschijnen, en ik krijg een theorie die me vertelt dat die zogenaamde tegengestelden alleen maar de geëvolueerde verschijningsvormen zijn van wat ooit een identieke oorsprong had - zie ik dan iets dat ik kan proberen te vertellen als een "breken van de symmetrie" zoals we die aantreffen in de natuurkunde? Of hebben we weer niets anders dan een oppervlakkige analogie die er alleen maar zeer indrukwekkend uitziet in de ogen van iemand die onwetend genoeg is om in de val van Sokal te lopen?

----------------------------------
(1) http://speelsmaarserieus.blogspot.com/2006/12/socratische-dialoog-met-poedels.html
(2) http://speelsmaarserieus.blogspot.com/2007/05/nogmaals-natuurlijke-selectie.html
(3) http://speelsmaarserieus.blogspot.com/2007/06/la-violence-et-le-sacr.html
(4) http://speelsmaarserieus.blogspot.com/2008/12/ciske-de-rat-en-zijn-moeder.html

(5) Het serietje waarin Girard voor zijn concept ruggesteun vond bij Dostojevski:
http://speelsmaarserieus.blogspot.com/2008/12/ren-girard-en-dostojevski.html

http://speelsmaarserieus.blogspot.com/2009/01/girard-dostojevski-en-het-ondergrondse.html

http://speelsmaarserieus.blogspot.com/2009/01/girard-en-dostojevski-3.html


zaterdag 14 februari 2009

De "kortzichtige aandeelhouders" van Fortis

In de actualiteit van de jongste weken heeft Geert Noels verschillende posts over Fortis op zijn blog gezet. Het thema was vaak "de kortzichtige aandeelhouder" (ik vertel het in mijn eigen woorden na, en alle fouten en verkeerde weergaves zijn helemaal mijn schuld enzovoort enzoverder; je kent dat). De meest relevante post (steeds in mijn opinie) is de volgende:

http://www.econoshock.be/2009/de-econoshock-test/

Wat ik ervan begrepen heb is het volgende. Er bestaan een hoop Fortis aandeelhouders die momenteel erg ontevreden zijn. Dat laatste kan ik als ervaringsdeskundige bevestigen. Ik wil me niet afvragen hoeveel maandsalarissen... Oeps! Daar ga ik! Streng tot mezelf: "Koen, houd er NU mee op!".

Ontevreden aandeelhouders, dus. Die mochten vorige week stemmen voor of tegen de deal van de staat met BNP, en het verdict luidde nipt: tegen. En daarbij (ik probeer steeds de punten van Geert te maken, in de mate dat ik ze zelf heb begrepen) zien ze over het hoofd dat ze (a) als aandeelhouder van een zwaar gestruikelde onderneming nu eenmaal een hoop geld kwijt zijn, en (b) dat de staat, zelfs als ze zou willen en zelfs als dat billijk zou zijn, nog niet eens kan optreden om ze ("ons") desondanks te redden. Dat laatste is tenminste wat ik in de url hierboven lees.

Dus zijn al die neenstemmers ontevreden aandeelhouders (wat ik begrijp) die bovendien kortzichtig zijn op het waanzinnige af. Want (vanaf hier neem ik het verhaal over zoals ik het zie) als "we" het zover drijven dat we de staat opzadelen met veel meer verplichtingen dan ze kan dragen: wat zijn die verplichtingen dan nog waard?

Laat me preciseren. Onze deposito's bij verschillende banken zijn dus gegarandeerd door de overheid: hoera! Alleen, de dag dat de overheid die wegens de grote problemen ook werkelijk moet uitbetalen... Waarmee gaat die dat doen?

Hmmmmm?

Volgens mij probeert Geert ons te vertellen dat de overheid dat in feite niet allemaal zou kunnen betalen, en dat de "garantie" veel meer een poging is, niet om ons te verzekeren dat ze zullen betalen, maar om ervoor te zorgen dat het nooit nodig is. Want nogmaals: als al dat geld verloren ging in algeheel faillissement: wat kan de staat dan doen?Geld drukken? Ten eerste: onder de euro kan België geen geld meer drukken, point final. Ten tweede, als je veel meer geld bijdrukt dan je economie aandikt, dan creëer je alleen maar een enorme inflatie. En of je je geld nu kwijt bent omdat je het niet terugziet, dan wel omdat het niets meer waard is...

Ontlenen, dan maar? Tuurlijk, tuurlijk... Alleen... Van wie? Wie denkt dat België goed genoeg zal zijn om de leningen terug te betalen als de bedoeling is de giga-verplichtingen van gefaalde (bij hypothese, natuurlijk) banken uit te betalen? Waarom moet ik ineens aan IJsland denken... (1)? Dus in het beste geval gebeurt dat allemaal ten koste van een torenhoge staatsschuld, zelfs naar Belgische maatstaven, en aan bijhorende rentevoeten. Ik pas mijn opmerking aan: of je je geld nu kwijt bent omdat je het niet terugkrijgt, dan wel dat je er de belastingen mee moet betalen...?

En dus zijn de aandeelhouders hopeloos kortzichtig en iemand, ik denk Geert zelf, schreef zelfs dat ze alleen maar "wraak" hadden genomen, een primitieve reflex waarmee je je frustratie een spectaculaire uiting kan geven, maar waaraan ze vanaf dag twee geen plezier meer zullen beleven.

Maar ik begrijp het toch ook allemaal wel. Ik kan het zelf weten (of ik niet wou horen weet ik niet, maar ik kan het in ieder geval voelen...): als je aandelen van 21 naar 1 gaan, dan is het echt geen argument dat je "anders alles kwijt bent". Geloof me gerust dat ik nu al het gevoel heb dat ik "alles" kwijt ben, en dat ik het daarvoor dus niet zou gelaten hebben. En dan ben je al snel bij vragen als: "waarom konden die andere banken dan wel gered worden?", of "als ze onze stem zo hard nodig hebben, waarom leggen ze er dan niet wat meer voor op tafel?"

Waarmee ik weer bij Geert ben. Het antwoord op die vragen zal wel zijn: omdat het resp. wel, of juist niet mogelijk was. En ik ben het ook eens met Geert dat wij, aandeelhouders, dat allemaal niet weten. Persoonlijk vind ik dat dat grotendeels komt omdat het nooit fatsoenlijk is uitgelegd. Ja, er zijn uitgebreide analyses van verschenen. Maar neen, die bevonden zich niet op het niveau van "laat me proberen het te vertellen aan mensen die er niets van weten". En het feit dat één of andere politieker het allemaal gewoon als feit meedeelt... Tja, die geloofwaardigheid van politiekers... Enough said...

---------------------------------
(1) http://speelsmaarserieus.blogspot.com/2009/01/ijslandse-kroon-waar-is-het-geld.html

donderdag 12 februari 2009

It was 200 years ago today...

Vandaag 200 jaar geleden, op12 februari 1,809, zag het levenslicht: Charles Darwin. Hij was één van de grote figuren van de mensheid. Als er andere intelligenties bestaan in het universum, en als die zich bezig houden met het bestuderen van primitieve, aan hun planeet gebonden beschavingen zoals wijzelf, dan denk ik dat één criterium om te weten hoe ver die primitieve beschavingen al staan zou zijn: hebben ze het principe van de "natuurlijke selectie" (1) al ontdekt?".

Dat is belangrijk voor iedereen die zich wel eens met De Grote Filosofische Vragen bezig houdt. Wie zijn wij? Waar komen wij vandaan? Waarom zijn wij hier? Wel of niet begrijpen wat "natuurlijke selectie" betekent; dat is het verschil tussen met opgestoken vinger lopen orakelen over het Groot Kosmisch Ei Dat In Tweeën Gebroken is, de Drieëenheid en andere varianten op De Grote Kabouter, of er werkelijk nog iets over weten ook.

Let wel, het is niet omdat je het begrijpt dat je "het" nu ook allemaal weet. Dat is nu juist "wetenschap": het besef dat we nog zo ongelofelijk weinig weten, dat je er een punt van maakt met de best beschikbare middelen dat beetje kennis uit te breiden. Wetenschap houdt zich niet bezig met het geregeld aflezen van de heilige teksten (tenzij om de eerste beginselen uit te leggen, natuurlijk), maar integendeel met wat we nog niet weten. En het helpt enorm om het verschil te maken tussen wat tenminste interessante ideeën over het onderwerp zijn, versus een hoop kletskoek.

Darwin, dus, ontdekte in een wereld die al (lang) vage noties had van de mogelijkheid dat er zich wel eens een evolutionair proces kon hebben voorgedaan, een haarfijn fysisch mechanisme waarmee dat zich kon hebben voorgedaan. "Natuurlijke selectie", dus, en hoewel het gemakkelijk te begrijpen en beschrijven is, verwijs ik maar naar de tekst waarin ik dat eerder heb gedaan. De conclusie was dat het fysisch mogelijk was dat mensen waren ontstaan uit zeer simpele organismen, en de vraag was: is dat nu ook wat er werkelijk gebeurd is?

Ikzelf, die mezelf reken tot de zeer geïnteresseerde amateurs, kan rond het jaar 2,000 verschillende groepen "bewijs" citeren, dat wil zeggen, dingen waaraan je nooit zou gedacht hebben, maar die allemaal waar moeten zijn opdat de theorie kan kloppen, en die dan ook inderdaad waar bleken. Zo hebben we de ouderdom van de Aarde, bewijsmateriaal uit de genetica, verder uit de morfologie, verder het fossielenbestand, en vermoeid na een lange werkdag vermoed ik dat ik er ooit nog meer heb aangehaald. Wetenschappers halen op dit punt typisch nog heelder andere groepen bewijzen aan, waarvan ik meestal zelfs niet eens de naam kan onthouden.

In vergelijking daarmee (en nogmaals, het bovenstaande was maar een opsomming van titels: voor de bewijzen zelf kan je alleen maar je huiswerk maken en de onderwerpen zelf bestuderen) moest Darwin het stellen met heel, heel weinig concreet bewijs, en de enorme kracht van de logica. Maar interessant is dat er nu juist één "groep" bewijsmateriaal bestond, waar Darwin dan ook uitvoerig naar verwees, terwijl de "critici" (aanhalingstekens omdat ik nog altijd de eerste "criticus" die zelfs maar weet wat "natuurlijk selectie" betekent (2) moet ontmoeten) zich tot vandaag inbeelden dat ze daarmee een zwak punt hebben gevonden.

Dat punt is de vraag: hoe zou een oog (of een slurf, of een vleugel, of wat dan ook) in kleine en geleidelijke stapjes uit simpeler structuren kunnen ontstaan? Wat voor nut heeft een half oog, of zelfs tien, of één percent van een oog? En hoewel dat zeer goede vragen zijn zal ik nooit het moment vergeten waarop een creationist beweerde dat Darwin had toegegeven dat dat een probleem voor zijn theorie was, terwijl de creationist er niet had bijgezegd dat de volgende zin van Darwin begon met: "de oplossing van dat probleem is als volgt (...)". Draw your own conclusions...

Uit het mechanisme van de "natuurlijke selectie" volgt rechtstreeks dat het in geleidelijke stappen moet gebeurd zijn. Dus is de vraag inderdaad: kan dat wel, al die uiterst complexe organen waarvan we nu zomaar per theorie moeten aannemen dat ze ooit begonnen zijn met (bijvoorbeeld) een "half oog", of zelfs "een percent van een oog"? Terwijl het punt is, dat is nu precies zowat het enige bewijsmateriaal dat in Darwins tijd beschikbaar was. Darwin zelf was toen al de gerenommeerde auteur van werken over vrij simpele organismen, waaraan hij doodeenvoudig kon zien wat alle gewone mensen (zoals nogal vanzelf spreekt) niet zullen weten. Ja, hij kon "geloven" (sic) dat al die uiterst complexe structuren ooit een zeer primitieve voorloper hadden gehad, en dat die zeer primitieve voorloper had volstaan om het organisme in leven te houden, omdat hij, de specialist in eendemossels en platwormen (of zoiets), alle dagen in de levende natuur kon zien dat al die organismen met zeer primitieve visuele systemen in leven bleven, en zich voortplantten, en gingen en zich vermenigvuldigden alsof het in hun bijbel stond.

Kortom, de theorie hoefde zich niet in bochten en kronkels te wringen om iets te verzinnen bij hoe dat dan allemaal wel mogelijk zou zijn; de theorie kon volstaan met er eenvoudig op te wijzen dat dat in leven blijven en zich voortplanten met zeer simpele visuele (en vele andere) systemen in de natuur gewoon dagelijkse kost was. En dus was het nog altijd mogelijk dat evolutie in kleine stapjes op basis van (zeer) primitieve structuren was gebeurd; Darwin: 1 - Critici: 0.

Dat staat allemaal letterlijk in The Origin of Species - een boek gepubliceerd in 1,859 (maar dan in november, als ik me niet vergis) en dus dit jaar 150 jaar oud; beslist ook een herdenking waard. Het is tekenend, nietwaar, dat uitgerekend de vraag waarop Darwin het vernietigendste antwoord wist te geven nog voor die vraag zelfs maar was gesteld tot de dag van vandaag door de "critici" (aanhalingstekens, of wat had je nu gedacht?) wordt herhaald en herhaald, met een gezicht alsof ze verwachten dat jij nu wel machteloos de armen zal heffen en je overgeven. Ze hebben 150 jaar lang niet geluisterd, en ze zullen het ook deze keer niet doen, en dat is nu precies waaraan je kan zien dat ze misschien wel een goede vraag hadden gesteld, maar in het antwoord absoluut niet geïnteresseerd waren.

Ik heb het vaker gezegd: als mensen iets willen geloven, dan zullen ze het geloven. Gelukkige verjaardag, Charles, ik weet niet of je er aan zal gedacht hebben, toen je destijds je boek publiceerde, dat wij er 150 jaar later nog zo hard mee bezig zouden zijn, maar even goed: van harte geluk gewenst.

---------------------------------------
(1) http://speelsmaarserieus.blogspot.com/2007/05/nogmaals-natuurlijke-selectie.html
(2) http://speelsmaarserieus.blogspot.com/2007/06/de-weigering-te-weten.html

woensdag 11 februari 2009

Het relativiteitsprincipe: de tijd

Nu ik zo hard zit te puzzelen over "ruimte", en hoe concepten als "afstand" of "beweging" geen betekenis hebben als je er niet bij kan zeggen "ten opzichte van wat?" (1) valt me een natuurlijk verlengstuk in. Ik heb al eerder zitten filosoferen over hoe we doodeenvoudig niet eens tijd kunnen meten (2). Wat er gebeurt, met welke klok je ook probeert te werken, is dat je ruimtelijke metingen doet en dat je de afstanden die je meet relateert aan de snelheden van de processen (bijvoorbeeld: de snelheid waarmee de wijzers van een klok draaien is bekend) waarmee je werkt. Per formule "snelheid is gelijk aan een verandering in de ruimte gedeeld door een verandering in de tijd" deel je de afstand die de grote wijzer over de hele cirkel heeft afgelegd door de snelheid waarmee dat gebeurt, en dat is dan, bijvoorbeeld, een uur. "dt = dr/S" (3)!

Als je nu een minimum aan filosofische geaardheid bezit zit je je op dit punt af te vragen of je werkelijk geen enkele manier kan bedenken om tijd te meten, dan via de omweg naar de ruimte. Op gevaar een uitstekende oefening te onderbreken verklap ik wat volgens mij het antwoord is: neen. Maar als we voor onze tijdmeting afhankelijk zijn van begrippen als "afstand", en begrippen als "afstand" hebben geen betekenis zonder referenties als "ten opzichte van wat?", dan dreigt deze kwestie ook het begrip "tijd" te besmetten.

Samengevat. Iedereen die probeert tijd te meten staat voor de uitdaging een afstand te kiezen - bijvoorbeeld: de omtrek van een wijzerplaat - en daar vervolgens zo nauwkeurig mogelijk een snelheid van een proces aan te verbinden - bijvoorbeeld de snelheid waarmee een wijzer daar omheen cirkelt. En elke onnauwkeurigheid van onze klok is te wijten aan de onnauwkeurigheid waarmee we die snelheid kunnen vastleggen. Dus eens te meer hebben we nog altijd geen tijd gemeten, maar alleen een omweg via de ruimte, gedeeld door een snelheid waarvan we maar aannemen dat die "goed" zit.

Sinds ergens in de twintigste eeuw is onze technologie goed genoeg om klokken te baseren op de snelheid van het licht, en daarvan zegt de relativiteitstheorie (onze beste relevante theorie) dat die absoluut is. Dus denk je misschien dat het volstaat een welbepaalde afstand te kiezen en een seconde te definiëren als "de tijd nodig voor het licht om een welbepaalde fractie van die welbepaalde afstand af te leggen". Maar zelfs als we voor het gemak aannemen dat we bepaalde problemen van logisch-filosofische aard kunnen overwinnen (om vast te stellen dat de lichtsnelheid constant is heb je al enkele assumpties over ruimte en tijd gemaakt) rijzen er problemen.

Precies zoals we in de eerdere relativiteitspost (1) vanuit onze trein tastten naar een extern referentiepunt, om te weten of nu onze trein dan wel die ernaast aan het rijden was, zo beelden we ons in dat onze klokken "zo nauwkeurig mogelijk" proberen een absolute, eenparig lopende tijd te meten, die voor iedereen hetzelfde is. Maar als we daarvoor beroep moeten doen op klokken die zich op hun beurt baseren op ruimtelijke metingen, met anderen woorden, op afstanden, dan smokkelt onze methode de problemen met die afstanden mee naar binnen in onze metingen van de tijd. En zoals nog een andere oude post hier (4) heeft laten zien, die problemen zijn er.

We hadden daar twee identieke klokken: gebaseerd op een bepaalde afstand, gedeeld door de snelheid van een foton, dus het licht. De ene stond naast een waarnemer in een station, de andere stond naast een waarnemer die per trein in razende vaart door dat station snelde. Een klok die een foton verticaal heen en weer laat stuiteren, en een seconde definiëert als "de tijd nodig om dat foton X aantal keer heen en weer te laten stuiteren" zal in de trein, maar door de ogen van de waarnemer in het station langzamer lopen dan de klok die naast de waarnemer staat. Immers, als het treinfoton (door de ogen van de waarnemer in het station) precies even snel even vaak is heen en weer gestuiterd als het perronfoton, dan heeft het treinfoton niet alleen (in dezelfde tijd) dezelfde verticale afstand afgelegd als het perronfoton, maar daarbovenop ook nog de horizontale afstand die de razende trein op die tijd heeft gemaakt. In dat geval zou de perronwaarnemer een treinfoton gezien hebben dat sneller dan het licht bewoog, en we weten, theoretisch zowel als experimenteel, dat dat niet is wat hij zal zien. Ergo, door de ogen van de perronwaarnemer zal het treinfoton meer tijd nodig hebben om verticaal even vaak heen en weer te stuiteren. Maar omdat een seconde nu juist gedefiniëerd was als de tijd nodig om dàt aantal keren heen en weer te stuiteren is de enige conclusie: de klok van de snelle beweger loopt in de ogen van de waarnemer in rust langzamer. Probeer desnoods nog eens de post van voetnoot (4).

In een wereld waarin we denken (wat intuïtief ook heel normaal is) dat de "waarnemer in rust" wel gelijk zal hebben is je conclusie dat de bewegende waarnemer correcties op zijn metingen moet uitvoeren, om uit zijn waarden af te leiden wat de "echte" tijd is. Maar weten nu juist uit de post onder voetnoot (1) dat er geen manier is om te weten wie er "in rust" is, en wie "in beweging". En als je niet kan zeggen wie de "juiste" afstanden ziet, en wie moet corrigeren, dan blijft er alleen maar over dat iedereen zichzelf als de "waarnemer in rust" kan zien, en dat de anderen "in beweging" zijn. En dat heeft op zijn beurt als consequentie dat er geen "juiste" tijdmeting is, die overeenkomt met de "echte" tijd waaraan (om maar iets te zeggen) het universum evolueert. Die absolute tijd die we zo graag eenparig en universeel in altijd dezelfde richting zien lopen verdampt en maakt plaats voor niets anders dan het feitelijke gedrag van klokken, zoals gezien door de ogen van verschillende waarnemers. Precies zoals we in die vorige post de absolute, oneindige, driedimensionale ruimte zagen vervluchtigen tot iets waarin "afstand" nooit een betekenis kan hebben tenzij als verschil tussen twee concrete objecten.

----------------------------------------------
(1) http://speelsmaarserieus.blogspot.com/2009/02/het-relativiteitsprincipe.html
(2) http://speelsmaarserieus.blogspot.com/2006/03/ruimte-en-tijd.html
(3)
http://speelsmaarserieus.blogspot.com/2007/07/filosferen-over-ruimte-en-tijd.html
(4)
http://speelsmaarserieus.blogspot.com/2007/07/en-toen-werd-het-ontzettend-vreemd.html
EN
http://speelsmaarserieus.blogspot.com/2007/07/meer-over-de-constante-lichtsnelheid.html