Vandaag zegt Eerste Minister Verhofstadt dat kappen op de PS gemakkelijk is, maar dat we er toch mee zullen moeten onderhandelen. En dus nodigt hij zijn medepolitiekers uit om met dat kappen op te houden, want dat helpt niemand vooruit.
Kijk, en dat is het nu juist. Dus nu maken we mee dat een bende alfamannetjes decennia lang onder elkaar postjes en potjes zit te verdelen, grotendeel gefinancierd met geld dat getransfereerd wordt vanuit - ah, van waar kwam dat geld ook weeral? Ben het vergeten - ergens, en daarbij zulke niveau's van incompentie en corruptie bereikt dat ze de stank zelf beginnen te ruiken, en...
Wij zouden er niets meer over mogen zeggen!
Of in andere woorden, we kunnen wel belastingen betalen, en we kunnen wel inzien dat ons geld verdwijnt in de zakken van lokale partijkaders in Charleroi die dat nog normaal vinden ook, maar we kunnen ze niet wegstemmen, want ze zitten aan de andere kant van de taalgrens. En we kunnen ook onze eigen politici die ermee "moeten" (ha ja, want we kunnen ze niet wegstemmen) onderhandelen niet wegstemmen, want wie er in de plaats komt "moet" ook met de verrotte bende onderhandelen. En tenslotte mogen we er ook niets van zeggen.
Trouwens, er stond ook nog een madam in de krant, en die vond ook dat we er niets meer van mochten zeggen. Ze is het beu dat ze altijd maar de clichés van de luie Walen moet horen, en het moet nu maar eens uit zijn. Ze is het duidelijk niet beu om alle dagen de clichés van de corrupte PS te zien, en ze is, laat me raden, het ook niet beu om belastinggelden (dat is nog steeds dat geld dat zomaar uit de blauwe hemel over Wallonië komt neerdalen) te blijven ontvangen, maar ze is wel beu dat iemand daar iets van zegt.
Wel, ik heb nieuws voor de Eerste Minister, èn voor de madam. Slecht nieuws, naar ik vrees. Als ze het beu zijn te moeten horen dat de PS een bende corrupte onbekwamen is om de vergelijking met de Renaissancepausen te doorstaan, dan kunnen ze dat doen ophouden door die PS er uit te smijten. En als ze het beu zijn te moeten horen dat de Walen niet willen werken, dan kunnen ze al die werklozen naar de Belgische grootbanken sturen - zéér aantrekkelijke werkgevers, en ik kan het weten - die zitten te springen om personeel dat in Brussel wil werken.
Het personeel in kwestie moet een telefoon kunnen opnemen en beantwoorden, en een beetje klantvriendelijk zijn, en verder moet het tweetalig zijn. Het staat alle dagen in de krant of het scheelt niet veel! In Brussel zoeken ze dat soort mensen met honderden tegelijk: willen werken en Frans en Nederlands kennen.
Ge voelt zeker al de nattigheid?
Maar tot het zover is dat daar toch een beetje werk van gemaakt wordt, denk ik niet dat het redelijk is te verwachten dat wie dan ook daarover zou ophouden. "Opkuisen of opgekuist worden" lijkt me veel redelijker om ze als boodschap te laten horen, dan "ermee ophouden".
Maar als dat allemaal echt niet kan, wel, hoe zat dat ook weer met die "docufictie" waarbij Vlaanderen de onafhankelijkheid had uitgeroepen? Het zag er uit alsof nogal wat mensen dat zouden kunnen geloven, nietwaar?
----------------------------------------
De titel verwijst naar mijn eerdere posts:
http://speelsmaarserieus.blogspot.com/2006/09/ik-pleit-voor-een-cordon-sanitaire.html
http://speelsmaarserieus.blogspot.com/2006/10/cordon-sanitaire-nu-nog-steeds-rond-de.html
"once help is assured to such an extent that it is apt to reduce individuals' efforts, it seems an obvious corollary to compel them to insure (or otherwise provide) against those common hazards of life." (F.A. Hayek, The Constitution of Liberty, hoofdstuk 19, over een mandaat tot verplichte ziekteverzekering)
maandag 18 december 2006
zaterdag 16 december 2006
Geef aan de Keizer...
Bernard Lewis, historicus van het Midden Oosten die ik heb leren kennen via het commentariaat van LVB.net, schrijft in zijn The Middle East, 2,000 Years of History from the Rise of Christianity to the Present Day (1995) over de scheiding van kerk en staat. In het Christendom, dan wel, want het punt is nu juist dat die scheiding er in de Islam veel minder is. Terwijl het evangelie die scheiding al impliceert wanneer Jezus, op de vraag of de joden belastingen moeten betalen aan de Romeinen, het “Geef aan de Keizer wat de Keizer toekomt, en aan God wat aan God toekomt” uitspreekt.
Als die passage echter de basis moet zijn van de scheiding tussen kerk en staat, dan lijkt die “basis” veel meer het resultaat van ladingen interpretatie achteraf dan van de wil van de stichter. Om er maar twee op te noemen: we moeten aannemen dat Jezus een koninkrijk wilde stichten dat niet van deze wereld is, en we moeten aannemen dat het daarbij, en daarom, van geen belang was wat er met materiële zaken zoals belastingen gebeurde.
Dat is zoals het verhaal het vertelt. Wat we daarbij vaak vergeten is dat we kunnen vragen wat de verhouding is tussen de werkelijke historische gebeurtenissen, en wat het verhaal van die gebeurtenissen heeft gemaakt. Meestal stellen we die vraag helemaal niet, en aanvaarden we het verhaal op zich, en eindigt het in onze geest als identiek met de reële gebeurtenissen van destijds.
Voor mensen met historische of literaire belangstelling is die vraag nochtans heel normaal. De mogelijke antwoorden situeren zich tussen twee extremen. In het ene uiterste zijn de evangeliën het verslag van goddelijke activiteit en interventie. In het andere uiterste is Jezus van Nazareth een verzonnen figuur, gecreëerd door de stichters van een nieuwe godsdienst, en doorheen de eeuwen gecanonizeerd tot wat de bevolking werd verzocht te geloven. Je herkent de laatsten aan de bewering dat er behalve de evangeliën weinig of geen aanwijzingen zijn dat Jezus ooit echt bestaan heeft.
In het Nederlands schreef Charles Vergeer een studie over de historische Jezus met zijn twee boeken Een Nameloze, Jezus de Nazarener, 1997 en Het Panterjong, Leven en Lijden van Jezus de Nazarener, 2000. Vergeer schrijft zich in in een traditie waarin Jezus werkelijk een historische figuur was. Tegelijk zijn de verhalen die doorheen de eeuwen over deze figuur de ronde deden gemanipuleerd door de stichters en latere dragers van het nieuwe geloof. Het is interessant het “Geef aan de Keizer” te herbekijken in het licht van deze versie van de feiten.
De historische feiten zijn dat Judea bezet is door de Romeinen, die belastingen heffen. De historische feiten zijn ook dat er doorheen de Romeinse bezetting voortdurend volksopstanden uitbraken van wisselende intensiteit. De historische feiten zijn tenslotte dat de Romeinen al deze opstanden neersloegen en vervolgens de leiders executeerden door ze aan het kruis te slaan. Doorheen de decennia hebben de Romeinen joden daarom bij duizenden aan het kruis geslagen.
Als we vragen waarom de Romeinen Jezus kruisigden kunnen we dat eenvoudig aflezen op het bordje dat ze aan het kruis bevestigden: “Jezus, de koning der joden”. Het laatste wat de Romeinen wilden was dat er overal in hun keizerrijk lokale koningen opstonden, onder wie de gebieden zich van hun rijk konden afsplitsen. Neerslaan en kruisigen was wat ze daarmee deden, de hele tijd, overal.
Maar sprak Jezus niet dat zijn rijk “niet van deze wereld” was? Wel, we zijn terug bij de scheiding van kerk en staat. In de ogen van de religieuze leider Jezus was het Romeinse rijk een wereldse, materiële staat. Terwijl alleen een authentieke joodse staat een werkelijke aardse uitdrukking van het Rijk Gods kon zijn. In de religieuze ogen van die tijd was er immers juist géén scheiding van kerk en staat, net zoals dat veel later niet het geval zou zijn in de Islam, of het ook niet het geval was in die antieke beschavingen waarin de Keizer tegelijk ook god was. In dit perspectief lijkt het er op dat we de uitspraak “mijn rijk is niet van deze wereld” moeten zien als een reactie tegen de materiële staat van de Romeinen, die Jezus wil vervangen door de theocratische staat van (zijn) god.
De beslissing om dit perspectief in te nemen lijkt me, eerlijk gezegd, even willekeurig als de beslissing om een heel ander perspectief in te nemen, en aan te nemen dat Jezus inderdaad een zuiver spirituele leider was. Misschien is het in dit geval iets moeilijker te verklaren waarom de Romeinen dan zo hard met hem afrekenden, maar soortgelijke moeilijkheden kan je, naar ik aanneem, even gemakkelijk krijgen met elk ander perspectief dat je maar zou kunnen innemen.
Alleen geeft uitgerekend het verhaal van “Geef aan de Keizer” een extra argument voor het perspectief van Vergeer. Immers, als je even nadenkt over het gecanonizeerde verhaal zie je meteen dat het nogal sterk wringt. Hier staat dus Jezus, omringd door zijn volgelingen, ondervraagd door de collaborateurs van het regime. We weten, terzijde, hoe populair die zijn aan de verhalen rond de tollenaars. En nu gaat Jezus ineens de bewondering van die massa oogsten – zoals de tekst beweert – door te aanvaarden dat de joden belastingen zullen betalen? Zou je niet veel eerder verwachten dat hij die bewondering juist zou oogsten als hij verklaard had dat ze géén belastingen hoefden te betalen?
Laten we dan opnieuw zijn formulering bekijken. “Geef aan de Keizer wat aan de Keizer toekomt”. Dat klinkt goed zolang het de Keizer is die bepaalt wat aan de Keizer toekomt. Alleen waren de luisteraars (die zo tevreden waren over zijn oordeel) de lokale joden die zo weinig op hadden met de collaborateurs. Je kan vermoeden dat in hun opinie over “wat de Keizer toekomt” de toestand er heel anders uitziet. Het lijkt helemaal niet onredelijk dat hun opinie over wat de Keizer toekomt niet de spaarcenten van de joden in Judea omvat, afgezet onder de militaire macht van de bezetter. Kortom, geef de Keizer wat hem toekomt klinkt in die oren helemaal niet als “we zullen betalen”, maar veel eerder integendeel. Dat verklaart ook veel beter waarom het volk daar zo enthousiast over is.
Scheiding van kerk en staat in het Christendom? Bij Jezus zelf lijkt dat een twijfelachtig geval. Natuurlijk, voor de cultuur en de beschaving die daar later – we praten intussen over millennia - op gebouwd wordt, doet dat er niet veel meer toe. Het gaat al lang niet meer over wat de stichter (als we de verhalen geloven) gezegd heeft, maar wel over wat de verhalen ervan gemaakt hebben. Als onze gecanonizeerde verhalen vertellen dat onze bijbel de basis legt van de scheiding van kerk en staat, dan baseert onze beschaving zich op de scheiding van kerk en staat.
En als het Westen in één of andere fase van zijn geschiedenis een religieuze staat had gehad, en dus beroep had moeten doen op een stichter die deze scheiding afwees? Dan was het alleen maar een kwestie geweest om van dezelfde historische figuur een heel ander verhaal te vertellen. Of misschien zelfs, wie weet, precies hetzelfde verhaal, maar op een heel andere manier.
Als die passage echter de basis moet zijn van de scheiding tussen kerk en staat, dan lijkt die “basis” veel meer het resultaat van ladingen interpretatie achteraf dan van de wil van de stichter. Om er maar twee op te noemen: we moeten aannemen dat Jezus een koninkrijk wilde stichten dat niet van deze wereld is, en we moeten aannemen dat het daarbij, en daarom, van geen belang was wat er met materiële zaken zoals belastingen gebeurde.
Dat is zoals het verhaal het vertelt. Wat we daarbij vaak vergeten is dat we kunnen vragen wat de verhouding is tussen de werkelijke historische gebeurtenissen, en wat het verhaal van die gebeurtenissen heeft gemaakt. Meestal stellen we die vraag helemaal niet, en aanvaarden we het verhaal op zich, en eindigt het in onze geest als identiek met de reële gebeurtenissen van destijds.
Voor mensen met historische of literaire belangstelling is die vraag nochtans heel normaal. De mogelijke antwoorden situeren zich tussen twee extremen. In het ene uiterste zijn de evangeliën het verslag van goddelijke activiteit en interventie. In het andere uiterste is Jezus van Nazareth een verzonnen figuur, gecreëerd door de stichters van een nieuwe godsdienst, en doorheen de eeuwen gecanonizeerd tot wat de bevolking werd verzocht te geloven. Je herkent de laatsten aan de bewering dat er behalve de evangeliën weinig of geen aanwijzingen zijn dat Jezus ooit echt bestaan heeft.
In het Nederlands schreef Charles Vergeer een studie over de historische Jezus met zijn twee boeken Een Nameloze, Jezus de Nazarener, 1997 en Het Panterjong, Leven en Lijden van Jezus de Nazarener, 2000. Vergeer schrijft zich in in een traditie waarin Jezus werkelijk een historische figuur was. Tegelijk zijn de verhalen die doorheen de eeuwen over deze figuur de ronde deden gemanipuleerd door de stichters en latere dragers van het nieuwe geloof. Het is interessant het “Geef aan de Keizer” te herbekijken in het licht van deze versie van de feiten.
De historische feiten zijn dat Judea bezet is door de Romeinen, die belastingen heffen. De historische feiten zijn ook dat er doorheen de Romeinse bezetting voortdurend volksopstanden uitbraken van wisselende intensiteit. De historische feiten zijn tenslotte dat de Romeinen al deze opstanden neersloegen en vervolgens de leiders executeerden door ze aan het kruis te slaan. Doorheen de decennia hebben de Romeinen joden daarom bij duizenden aan het kruis geslagen.
Als we vragen waarom de Romeinen Jezus kruisigden kunnen we dat eenvoudig aflezen op het bordje dat ze aan het kruis bevestigden: “Jezus, de koning der joden”. Het laatste wat de Romeinen wilden was dat er overal in hun keizerrijk lokale koningen opstonden, onder wie de gebieden zich van hun rijk konden afsplitsen. Neerslaan en kruisigen was wat ze daarmee deden, de hele tijd, overal.
Maar sprak Jezus niet dat zijn rijk “niet van deze wereld” was? Wel, we zijn terug bij de scheiding van kerk en staat. In de ogen van de religieuze leider Jezus was het Romeinse rijk een wereldse, materiële staat. Terwijl alleen een authentieke joodse staat een werkelijke aardse uitdrukking van het Rijk Gods kon zijn. In de religieuze ogen van die tijd was er immers juist géén scheiding van kerk en staat, net zoals dat veel later niet het geval zou zijn in de Islam, of het ook niet het geval was in die antieke beschavingen waarin de Keizer tegelijk ook god was. In dit perspectief lijkt het er op dat we de uitspraak “mijn rijk is niet van deze wereld” moeten zien als een reactie tegen de materiële staat van de Romeinen, die Jezus wil vervangen door de theocratische staat van (zijn) god.
De beslissing om dit perspectief in te nemen lijkt me, eerlijk gezegd, even willekeurig als de beslissing om een heel ander perspectief in te nemen, en aan te nemen dat Jezus inderdaad een zuiver spirituele leider was. Misschien is het in dit geval iets moeilijker te verklaren waarom de Romeinen dan zo hard met hem afrekenden, maar soortgelijke moeilijkheden kan je, naar ik aanneem, even gemakkelijk krijgen met elk ander perspectief dat je maar zou kunnen innemen.
Alleen geeft uitgerekend het verhaal van “Geef aan de Keizer” een extra argument voor het perspectief van Vergeer. Immers, als je even nadenkt over het gecanonizeerde verhaal zie je meteen dat het nogal sterk wringt. Hier staat dus Jezus, omringd door zijn volgelingen, ondervraagd door de collaborateurs van het regime. We weten, terzijde, hoe populair die zijn aan de verhalen rond de tollenaars. En nu gaat Jezus ineens de bewondering van die massa oogsten – zoals de tekst beweert – door te aanvaarden dat de joden belastingen zullen betalen? Zou je niet veel eerder verwachten dat hij die bewondering juist zou oogsten als hij verklaard had dat ze géén belastingen hoefden te betalen?
Laten we dan opnieuw zijn formulering bekijken. “Geef aan de Keizer wat aan de Keizer toekomt”. Dat klinkt goed zolang het de Keizer is die bepaalt wat aan de Keizer toekomt. Alleen waren de luisteraars (die zo tevreden waren over zijn oordeel) de lokale joden die zo weinig op hadden met de collaborateurs. Je kan vermoeden dat in hun opinie over “wat de Keizer toekomt” de toestand er heel anders uitziet. Het lijkt helemaal niet onredelijk dat hun opinie over wat de Keizer toekomt niet de spaarcenten van de joden in Judea omvat, afgezet onder de militaire macht van de bezetter. Kortom, geef de Keizer wat hem toekomt klinkt in die oren helemaal niet als “we zullen betalen”, maar veel eerder integendeel. Dat verklaart ook veel beter waarom het volk daar zo enthousiast over is.
Scheiding van kerk en staat in het Christendom? Bij Jezus zelf lijkt dat een twijfelachtig geval. Natuurlijk, voor de cultuur en de beschaving die daar later – we praten intussen over millennia - op gebouwd wordt, doet dat er niet veel meer toe. Het gaat al lang niet meer over wat de stichter (als we de verhalen geloven) gezegd heeft, maar wel over wat de verhalen ervan gemaakt hebben. Als onze gecanonizeerde verhalen vertellen dat onze bijbel de basis legt van de scheiding van kerk en staat, dan baseert onze beschaving zich op de scheiding van kerk en staat.
En als het Westen in één of andere fase van zijn geschiedenis een religieuze staat had gehad, en dus beroep had moeten doen op een stichter die deze scheiding afwees? Dan was het alleen maar een kwestie geweest om van dezelfde historische figuur een heel ander verhaal te vertellen. Of misschien zelfs, wie weet, precies hetzelfde verhaal, maar op een heel andere manier.
vrijdag 15 december 2006
Luchthaven
Met al die nieuwe veiligheidsmaatregelen - in Zaventem moest mijn tandpasta in een plastiek zakje - nemen we het zekere voor het onzekere, en we vertrekken een extra half uur vroeger naar de luchthaven. Natuurlijk is er juist geen verkeer, en natuurlijk zijn we nu zo vroeg dat er geen kat aan het inchecken is, en er is ook geen kat bij de douane controle.
Het is één van die luchthavens waar de veiligheidscontrole georganizeerd is per gate. Omdat we vroeg zijn staan we helemaal vooraan in een rij die inderdaad zeer langzaam vooruitkruipt. En die dus snel aangroeit: maar wel achter ons, gnuifgnuifgnuif. En zo zitten we veel te vroeg te kijken en te wachten in de boarding ruimte.
"Deze keer valt er niet veel te bloggen over onze vlucht" zeg ik een beetje mistroostig, "niet gelijk die keer met 'een gemene streek', je weet wel" (1). "Ah, maar we zijn nog niet eens opgestegen" zegt mijn collega die mijn vermogens om dingen te verzinnen die nog kunnen misgaan goed kent. "Er kan nog van alles gebeuren! Er kunnen van die puiten zijn die veel te laat arriveren. Er kan een muis in het vliegtuig zitten. Het busje kan naar het verkeerde vliegtuig rijden..."
"En natuurlijk kan er ook tijdens de vlucht nog één en ander gebeuren" val ik in. "Hmmmm, ik zie de tekst al voor me. Wat denk je van 'alles ging heel goed, tot er na een uur drie donkere types rechtstonden', iets dergelijks?"
"Ja" zegt mijn collega, maar het verhaal moet wel zo in elkaar zitten dat je het vanavond nog kan schrijven, en die kansen lijken hier wel pijlsnel naar beneden te gaan.
"Nja, nja, dat is waar, dat wordt dan eerder een tekst die eindigt met 'maar het was allemaal maar om te lachen, uitroepteken', wat zeg je daarvan?"
Onze creatieve processen worden onderbroken: "Ladies and gentlemen, the flight for Brussels is now ready to board, please keep your boarding pass ready etcetera etcetera...". Kreunend zet de bende zich in beweging. Er was zelfs geen vertraging. Schrijf daar maar eens een blogpost over, zeg.
------------------------------------------
(1) http://speelsmaarserieus.blogspot.com/2006/10/een-uiterst-gemene-streek.html
De collega in kwestie houdt overigens nog steeds vol dat het echt niet berekend was, en dat hij heus niet wist wat voor weer het zou zijn. Jaja, en de Aarde is plat, Paul McCartney is dood maar Elvis leeft.
Het is één van die luchthavens waar de veiligheidscontrole georganizeerd is per gate. Omdat we vroeg zijn staan we helemaal vooraan in een rij die inderdaad zeer langzaam vooruitkruipt. En die dus snel aangroeit: maar wel achter ons, gnuifgnuifgnuif. En zo zitten we veel te vroeg te kijken en te wachten in de boarding ruimte.
"Deze keer valt er niet veel te bloggen over onze vlucht" zeg ik een beetje mistroostig, "niet gelijk die keer met 'een gemene streek', je weet wel" (1). "Ah, maar we zijn nog niet eens opgestegen" zegt mijn collega die mijn vermogens om dingen te verzinnen die nog kunnen misgaan goed kent. "Er kan nog van alles gebeuren! Er kunnen van die puiten zijn die veel te laat arriveren. Er kan een muis in het vliegtuig zitten. Het busje kan naar het verkeerde vliegtuig rijden..."
"En natuurlijk kan er ook tijdens de vlucht nog één en ander gebeuren" val ik in. "Hmmmm, ik zie de tekst al voor me. Wat denk je van 'alles ging heel goed, tot er na een uur drie donkere types rechtstonden', iets dergelijks?"
"Ja" zegt mijn collega, maar het verhaal moet wel zo in elkaar zitten dat je het vanavond nog kan schrijven, en die kansen lijken hier wel pijlsnel naar beneden te gaan.
"Nja, nja, dat is waar, dat wordt dan eerder een tekst die eindigt met 'maar het was allemaal maar om te lachen, uitroepteken', wat zeg je daarvan?"
Onze creatieve processen worden onderbroken: "Ladies and gentlemen, the flight for Brussels is now ready to board, please keep your boarding pass ready etcetera etcetera...". Kreunend zet de bende zich in beweging. Er was zelfs geen vertraging. Schrijf daar maar eens een blogpost over, zeg.
------------------------------------------
(1) http://speelsmaarserieus.blogspot.com/2006/10/een-uiterst-gemene-streek.html
De collega in kwestie houdt overigens nog steeds vol dat het echt niet berekend was, en dat hij heus niet wist wat voor weer het zou zijn. Jaja, en de Aarde is plat, Paul McCartney is dood maar Elvis leeft.
woensdag 13 december 2006
Donker
Grote, brede lanen in de omgeving van Antwerpen, maar donker in de winteravond, en eenzaam en verlaten ogend. Ineens een felle vlek van licht, ergens op een hoek tussen twee van de lanen. Een tankstation. Verlicht alsof het station zelf een kerstboom cum stal was. En het komt me niet slecht uit, dus ik manoeuvreer mijn k-mobiel tussen de pompen en stap uit. Overal het felle licht, dat overduidelijk daar is om het gevoel van veiligheid te bevorderen.
Ineens doemt een scène uit de literatuur voor me op. De Hobbits zitten in de herberg van Bree: Achtervolgd door kwaadaardige Zwarte Ruiters en belaagd door boze geesten hebben ze eindelijk een minimum aan bewoonde wereld bereikt, een gehucht met een muur er rond, en een poort en een poortwachter. En lantaarns in de straten, en een herberg, met gasten en een herbergier en staljongens, en een fel verlichte gelagkamer. Eindelijk een gevoel van veiligheid!
Het felle licht van het tankstation bevordert waarschijnlijk niet alleen een gevoel van veiligheid, maar ook de veiligheid zelf. De gemiddelde crimineel heeft niet veel zin om zich te verschuilen in een hoekje van een terrein dat spat van de fotonen. Om maar te zwijgen van de camera's die er waarschijnlijk op gericht staan. En dat is allemaal logisch, want als een tankstation zijn klanten geen gevoel van veiligheid bezorgt, dan heeft het ook helemaal geen klanten, en dus investeert het in veiligheid, en zo zorgt het kapitalisme en winstbejag voor veilige tankstations.
In Bree heeft Merry zin om een frisse neus te halen, en hij wandelt de herberg uit, en de straat in. Maar net buiten het licht van een straatlantaarn - wat is dat? "I felt something horrible creeping up" zou hij er later van zeggen, een schaduw donkerder dan de nacht er om heen! Maar de schaduw passeerde en Merry waagde het zelfs hem te volgen. Niet verder dan het laatste huis, weliswaar, maar intussen deed hij het toch maar. "You have a stout heart" zou Aragorn daarover zeggen, "but it was foolish". En dat was ook zo, want als Nob hem niet was gevolgd met een lantaarn, dan was het dan en daar al slecht afgelopen met Merry - terwijl het verhaal zijn stout heart nog minstens twee keer héél hard zou nodig hebben.
Het tankstation is niet fel verlicht omdat er Zwarte Ruiters rondzwerven, en dat is ook niet nodig. Het idee dat een maniak zich in een hoekje verschuilt om je voor je portefeuille je keel af te snijden is ook al akelig genoeg. Daarmee voelen we echter het verband tussen beide scènes. De akeligheid van het donker, en de reële gevaren die daarmee kunnen samengaan, volstaan om onze fantasie aan het werk te zetten, en ineens leven we in een wereld die bevolkt is door kobolden en demonen, en andere orcs, nietwaar, J.R.R?
Ineens doemt een scène uit de literatuur voor me op. De Hobbits zitten in de herberg van Bree: Achtervolgd door kwaadaardige Zwarte Ruiters en belaagd door boze geesten hebben ze eindelijk een minimum aan bewoonde wereld bereikt, een gehucht met een muur er rond, en een poort en een poortwachter. En lantaarns in de straten, en een herberg, met gasten en een herbergier en staljongens, en een fel verlichte gelagkamer. Eindelijk een gevoel van veiligheid!
Het felle licht van het tankstation bevordert waarschijnlijk niet alleen een gevoel van veiligheid, maar ook de veiligheid zelf. De gemiddelde crimineel heeft niet veel zin om zich te verschuilen in een hoekje van een terrein dat spat van de fotonen. Om maar te zwijgen van de camera's die er waarschijnlijk op gericht staan. En dat is allemaal logisch, want als een tankstation zijn klanten geen gevoel van veiligheid bezorgt, dan heeft het ook helemaal geen klanten, en dus investeert het in veiligheid, en zo zorgt het kapitalisme en winstbejag voor veilige tankstations.
In Bree heeft Merry zin om een frisse neus te halen, en hij wandelt de herberg uit, en de straat in. Maar net buiten het licht van een straatlantaarn - wat is dat? "I felt something horrible creeping up" zou hij er later van zeggen, een schaduw donkerder dan de nacht er om heen! Maar de schaduw passeerde en Merry waagde het zelfs hem te volgen. Niet verder dan het laatste huis, weliswaar, maar intussen deed hij het toch maar. "You have a stout heart" zou Aragorn daarover zeggen, "but it was foolish". En dat was ook zo, want als Nob hem niet was gevolgd met een lantaarn, dan was het dan en daar al slecht afgelopen met Merry - terwijl het verhaal zijn stout heart nog minstens twee keer héél hard zou nodig hebben.
Het tankstation is niet fel verlicht omdat er Zwarte Ruiters rondzwerven, en dat is ook niet nodig. Het idee dat een maniak zich in een hoekje verschuilt om je voor je portefeuille je keel af te snijden is ook al akelig genoeg. Daarmee voelen we echter het verband tussen beide scènes. De akeligheid van het donker, en de reële gevaren die daarmee kunnen samengaan, volstaan om onze fantasie aan het werk te zetten, en ineens leven we in een wereld die bevolkt is door kobolden en demonen, en andere orcs, nietwaar, J.R.R?
dinsdag 12 december 2006
Communicatie
Het is me al vaak opgevallen: als je weer eens vaststaat in een file, op een luchthaven of in een trein, dan is één van de meest irritante aspecten daarvan dat je totaal niet weet wat er gebeurt, waarom je daar staat, of er aan gewerkt wordt, of er wellicht een tijdsschema is – lààt het desnoods nog de hele tijd moeten aangepast worden, maar dat ze iets van zich laten horen!
Het kan zijn dat ik alleen voor mezelf spreek, maar voor mij is het miraculeus hoe vlug ik mijn filosofische kalmte en berusting terugvind, zodra ik niet langer het gevoel heb dat ik daar gewoon in de lucht hang te hangen. Communicatie werkt. Neem de Goddard-tunnel. Op een dag stond ik daar in een lange file; als derde in de rij om naar binnen te rijden. Juist voor mijn neus was hij dicht gegaan, en daar stonden we. Toevallig was het de dag die ik hier al eens beschreven heb, omdat ik nog dezelfde avond in een ziekenhuis aan een baxter zou liggen (1). En nu wist ik dat van dat ziekenhuis nog niet, maar ik wist echt al wel dat er iets niet pluis was, en mijn humeur was dus niet ongelofelijk goed.
Tot na een uurtje piekeren een passerende arbeider ons vertelt: ongeluk in de tunnel, de wrakken blokkeren heel het pak, er moet één en ander weggesleept worden, maar omdat intussen de stukken behandelbaar zijn gemaakt, ach, tegen de middag zal het weer open zijn.
Uren vertraging! Maar het simpele feit dat ik wist dat het uren vertraging zouden worden, dat er aan gewerkt werd, enfin, dat soort dingen, deden wonderen voor de gemoedsrust. Gewoon omdat we toevallig als derde in de rij stonden, want iemand die een eind verder staat weet natuurlijk van niets.
En als ik bij de tandarts ben, zeg ik er altijd bij dat ik nogal nerveus ben van al die boren en tangen, maar dat het mijn kalmte enorm bevordert als ik ongeveer weet wat er aan het gebeuren is. Sindsdien geeft mijn tandarts altijd een zakelijk woordje commentaar – en het is haast ongelofelijk hoeveel minder slecht ik me voel bij de tandarts.
Volgens mij moet daar ergens een commerciële moraal aan vastzitten. Nu ben ik zelf een verkoper, maar aan de ene kant zit ik in een heel technische materie, en 90% van ons werk is communicatie. Dus we zullen voor verbetering vatbaar zijn zoals nu eenmaal iedereen voor verbetering vatbaar is, maar misschien is er weinig meeropbrengst te rapen. Maar in het geval van mijn voorbeelden, treinstakingen, wegblokkades, dokters, tandartsen of advocaten... Is het echt overdreven te denken dat een korte, zakelijke, goed geplaatste communicatie vaak een pak meer waard zou zijn, dan reeksen uitgekiende publiciteitscampgnes?
------------------------------------------------
(1) http://speelsmaarserieus.blogspot.com/2006/05/de-rijkste-man-ter-wereld.html
Het kan zijn dat ik alleen voor mezelf spreek, maar voor mij is het miraculeus hoe vlug ik mijn filosofische kalmte en berusting terugvind, zodra ik niet langer het gevoel heb dat ik daar gewoon in de lucht hang te hangen. Communicatie werkt. Neem de Goddard-tunnel. Op een dag stond ik daar in een lange file; als derde in de rij om naar binnen te rijden. Juist voor mijn neus was hij dicht gegaan, en daar stonden we. Toevallig was het de dag die ik hier al eens beschreven heb, omdat ik nog dezelfde avond in een ziekenhuis aan een baxter zou liggen (1). En nu wist ik dat van dat ziekenhuis nog niet, maar ik wist echt al wel dat er iets niet pluis was, en mijn humeur was dus niet ongelofelijk goed.
Tot na een uurtje piekeren een passerende arbeider ons vertelt: ongeluk in de tunnel, de wrakken blokkeren heel het pak, er moet één en ander weggesleept worden, maar omdat intussen de stukken behandelbaar zijn gemaakt, ach, tegen de middag zal het weer open zijn.
Uren vertraging! Maar het simpele feit dat ik wist dat het uren vertraging zouden worden, dat er aan gewerkt werd, enfin, dat soort dingen, deden wonderen voor de gemoedsrust. Gewoon omdat we toevallig als derde in de rij stonden, want iemand die een eind verder staat weet natuurlijk van niets.
En als ik bij de tandarts ben, zeg ik er altijd bij dat ik nogal nerveus ben van al die boren en tangen, maar dat het mijn kalmte enorm bevordert als ik ongeveer weet wat er aan het gebeuren is. Sindsdien geeft mijn tandarts altijd een zakelijk woordje commentaar – en het is haast ongelofelijk hoeveel minder slecht ik me voel bij de tandarts.
Volgens mij moet daar ergens een commerciële moraal aan vastzitten. Nu ben ik zelf een verkoper, maar aan de ene kant zit ik in een heel technische materie, en 90% van ons werk is communicatie. Dus we zullen voor verbetering vatbaar zijn zoals nu eenmaal iedereen voor verbetering vatbaar is, maar misschien is er weinig meeropbrengst te rapen. Maar in het geval van mijn voorbeelden, treinstakingen, wegblokkades, dokters, tandartsen of advocaten... Is het echt overdreven te denken dat een korte, zakelijke, goed geplaatste communicatie vaak een pak meer waard zou zijn, dan reeksen uitgekiende publiciteitscampgnes?
------------------------------------------------
(1) http://speelsmaarserieus.blogspot.com/2006/05/de-rijkste-man-ter-wereld.html
maandag 11 december 2006
Waarom vinden ze bevolkingsgroei zo belangrijk?
Een hele tijd geleden was er een discussie bij LVB (zie de blogroll; de preciese draad herinner ik me al niet meer) waarbij het probleem van de bevolkingsaangroei werd aangekaart. Dat probleem is hier ook al vaak aan de orde geweest (1), meestal om te herinneren aan een eenvoudige mathematische waarheid. Als om het even wat, dus ook een bevolking, groeit aan een constant tempo – om het even welk – dan duurt het een welbepaalde periode (afhankelijk van dat tempo) voor het verdubbelt. En dat geeft aanleiding tot reeksen die er uitzien als “2, 4, 8, 16, 32, 64” enzovoort. Ik nodig alle aanhangers van bevolkingsaangroei uit om voor zichzelf de reeks nog een eindje verder te zetten, en zich af te vragen of de resultaten hen echt niet doen nadenken.
Toch kregen we in de draad waarover ik het had iets te lezen als “bezorgdheid rond overbevolking is eigenlijk een willen wegwerken van mensen, en dus genocide”.
Whew! Als dat geen krachtige taal is! We zullen dit maar interpreteren als een stijlvolle, want emotionele uitdrukking van een diep gevoeld standpunt. Een standpunt dat waarschijnlijk niet de gesuggereerde berekeningen heeft gemaakt, want ja, de conclusies zijn op hun beurt ook al genocide, en een mens wil zich toch niet schuldig maken aan genocide, nietwaar?
Maar waar komen toch al die emoties rond het onderwerp vandaan? Een eerdere post hier, als ik me goed herinner, zocht een verklaring in de restanten van een religieus denken die tot vandaag nazinderen: het is een toepassing van het “ga en vermenigvuldig u”; en als het Goddelijk voorschrift botst op de wiskunde, des te erger voor de wiskunde.
Vanzelfsprekend zijn er ook wel opwerpingen die beter zijn dan nazinderend fundamentalisme. De bevolkingsgroei, zo leren we, komt alleen in problemen indien de groei niet parallel loopt met ofwel een groei in beschikbaar land, ofwel in efficiëntie in de productie. En aangezien de technologische vorderingen van de laatste eeuwen er met gemak in geslaagd zijn de bevolkingsgroei voor te blijven, is de mensheid op het moment van zijn hoogste bevolkingsaantal ooit, ook nooit (zelfs niet bij benadering) zo rijk geweest.
En dat is natuurlijk ook zo, maar het is op zich geen argument voor een bevolkingsaangroei. Het toont hoogstens dat het mogelijk is om gedurende langere periodes stijgende bevolkingen te blijven dragen. Maar het toont, bijvoorbeeld, niet dat dat op alle punten van de curve mogelijk is; bijvoorbeeld bij 1 miljard mensen (een eeuw of wat geleden), èn bij zes miljard mensen ( het jaar 2,000) èn bij om het even welk veel groter aantal dat je maar wil opnoemen – en waar we bij constante groei (en dus verdubbeling) op verbazingwekkend weinig tijd zouden arriveren. bijgevolg was dat pleidooi geen argument voor bevolkingsaangroei, maar voor technologische vooruitgang. Niemand hoeft mij van technologische vooruitgang te overtuigen. Overigens, iemand die daar toch twijfels bij heeft moet maar even bedenken dat, gegeven het feit dat de mensheid nu eenmaal groeit, technologische groei helpt de nadelen van de bevolkingsaangroei op te vangen.
Intussen zijn we toch maar bij het werkelijke argument aangeland. Dat argument denkt dat een stijgende bevolking in sterk oorzakelijk verband staat met technologische vooruitgang. Het is belangrijk er op te wijzen dat dat een sterk argument is, en dat er onberispelijk rationalistische denkers zijn die dat argumenteren (2). Maar het zal erg hard zijn om daar iets van te maken dat zelfs maar in de verte lijkt op een één voor één verband. Er zijn heel veel meer voorbeelden te vinden van gevallen waar een bevolkingsgroei geen aanleiding heeft gegeven tot technologische evolutie, dan gevallen waar dat wel zo was. Maar als de theorie een “sterk oorzakelijk verband” poneert tussen bevolkingsaangroei en technologische ontwikkeling, en vervolgens blijkt dat de beweerde “oorzaak” maar zeer af en toe ook werkelijk het beweerde “gevolg” voorafgaat, dan moeten we die theorie toch een beetje relativeren, nietwaar?
De waarheid is dat er mathematisch een omgekeerd verband bestaat tussen welvaart en bevolkingsaangroei. De welvaart van een samenleving is nog altijd haar productiviteit per hoofd. En de waarde van breuken daalt nog altijd wanneer de noemer van die breuken stijgt. Terwijl er hoogstens een mogelijk - maar onzeker en in elk geval zwak - evenredig verband bestaat tussen welvaart en bevolkingsgroei. Misschien toch maar even die reeks van 2,4,8,16 enzovoort in gedachten blijven verderzetten, tot het licht schijnt?
-------------------------------------------------------
(1) http://speelsmaarserieus.blogspot.com/2006/02/dingen-die-iedereen-zou-moeten-weten.html
EN http://speelsmaarserieus.blogspot.com/2006/04/malthus.html
(2) North & Thomas, The Rise of the Western World, A New Economic History, 1973
Toch kregen we in de draad waarover ik het had iets te lezen als “bezorgdheid rond overbevolking is eigenlijk een willen wegwerken van mensen, en dus genocide”.
Whew! Als dat geen krachtige taal is! We zullen dit maar interpreteren als een stijlvolle, want emotionele uitdrukking van een diep gevoeld standpunt. Een standpunt dat waarschijnlijk niet de gesuggereerde berekeningen heeft gemaakt, want ja, de conclusies zijn op hun beurt ook al genocide, en een mens wil zich toch niet schuldig maken aan genocide, nietwaar?
Maar waar komen toch al die emoties rond het onderwerp vandaan? Een eerdere post hier, als ik me goed herinner, zocht een verklaring in de restanten van een religieus denken die tot vandaag nazinderen: het is een toepassing van het “ga en vermenigvuldig u”; en als het Goddelijk voorschrift botst op de wiskunde, des te erger voor de wiskunde.
Vanzelfsprekend zijn er ook wel opwerpingen die beter zijn dan nazinderend fundamentalisme. De bevolkingsgroei, zo leren we, komt alleen in problemen indien de groei niet parallel loopt met ofwel een groei in beschikbaar land, ofwel in efficiëntie in de productie. En aangezien de technologische vorderingen van de laatste eeuwen er met gemak in geslaagd zijn de bevolkingsgroei voor te blijven, is de mensheid op het moment van zijn hoogste bevolkingsaantal ooit, ook nooit (zelfs niet bij benadering) zo rijk geweest.
En dat is natuurlijk ook zo, maar het is op zich geen argument voor een bevolkingsaangroei. Het toont hoogstens dat het mogelijk is om gedurende langere periodes stijgende bevolkingen te blijven dragen. Maar het toont, bijvoorbeeld, niet dat dat op alle punten van de curve mogelijk is; bijvoorbeeld bij 1 miljard mensen (een eeuw of wat geleden), èn bij zes miljard mensen ( het jaar 2,000) èn bij om het even welk veel groter aantal dat je maar wil opnoemen – en waar we bij constante groei (en dus verdubbeling) op verbazingwekkend weinig tijd zouden arriveren. bijgevolg was dat pleidooi geen argument voor bevolkingsaangroei, maar voor technologische vooruitgang. Niemand hoeft mij van technologische vooruitgang te overtuigen. Overigens, iemand die daar toch twijfels bij heeft moet maar even bedenken dat, gegeven het feit dat de mensheid nu eenmaal groeit, technologische groei helpt de nadelen van de bevolkingsaangroei op te vangen.
Intussen zijn we toch maar bij het werkelijke argument aangeland. Dat argument denkt dat een stijgende bevolking in sterk oorzakelijk verband staat met technologische vooruitgang. Het is belangrijk er op te wijzen dat dat een sterk argument is, en dat er onberispelijk rationalistische denkers zijn die dat argumenteren (2). Maar het zal erg hard zijn om daar iets van te maken dat zelfs maar in de verte lijkt op een één voor één verband. Er zijn heel veel meer voorbeelden te vinden van gevallen waar een bevolkingsgroei geen aanleiding heeft gegeven tot technologische evolutie, dan gevallen waar dat wel zo was. Maar als de theorie een “sterk oorzakelijk verband” poneert tussen bevolkingsaangroei en technologische ontwikkeling, en vervolgens blijkt dat de beweerde “oorzaak” maar zeer af en toe ook werkelijk het beweerde “gevolg” voorafgaat, dan moeten we die theorie toch een beetje relativeren, nietwaar?
De waarheid is dat er mathematisch een omgekeerd verband bestaat tussen welvaart en bevolkingsaangroei. De welvaart van een samenleving is nog altijd haar productiviteit per hoofd. En de waarde van breuken daalt nog altijd wanneer de noemer van die breuken stijgt. Terwijl er hoogstens een mogelijk - maar onzeker en in elk geval zwak - evenredig verband bestaat tussen welvaart en bevolkingsgroei. Misschien toch maar even die reeks van 2,4,8,16 enzovoort in gedachten blijven verderzetten, tot het licht schijnt?
-------------------------------------------------------
(1) http://speelsmaarserieus.blogspot.com/2006/02/dingen-die-iedereen-zou-moeten-weten.html
EN http://speelsmaarserieus.blogspot.com/2006/04/malthus.html
(2) North & Thomas, The Rise of the Western World, A New Economic History, 1973
zondag 10 december 2006
Chimpansees: "Ze zijn juist gelijk mensen!"
Met vrouw en kind ga ik van het mooie winterweer genieten door een grote wandeling te maken. Babbelbabbelbabbel, natuurlijk, en op een bepaald moment merken we het volgende op. In onze gezamenlijke kennissenkring kennen we tamelijk veel vrouwen die universitaire studies wiskunde hebben gedaan, daar vervolgens nog een zwaar programma bovenop deden – zeg, bijvoorbeeld, een doctoraat – en die momenteel een functie uitoefenen waarvoor ze heus geen geavanceerde wiskundigen hoeven te zijn.
Maar allemaal hebben ze verschillende kinderen, aan wie ze een gelukkige familie te bieden hebben, en zijn ze tevreden met hun job die hen toelaat een zekere deelname in het sociaal-economisch verkeer te combineren met precies die gelukkige familie. En dus kwam ons gesprek op vragen als hoe dat soort dingen komen en waarom dat soort verschillen tussen mannen en vrouwen optreden, altijd opnieuw.
Voor mij is dit gewoon weer één van de toepassingen van de stelling van enkele posts geleden (1). “De mens is één van pakweg 200 soorten apen.” Als je één van de 200 andere soorten bestudeert zal je heel vaak (maar niet 100% universeel) zien dat het de vrouwtjes zijn die voor de jongen zorgen. Voor de rest zal je heel erg verschillende soorten gedrag zien inzake sociale organizatie, rol van de mannetjes of problemen rond geweld in de groep, maar de zorg voor de kinderen, en bij uitbreiding de familie zal je heel vaak bij de vrouwtjes aantreffen.
Het gedrag van de mannetjes van onze soort is wegens die verscheidenheid niet zo simpel op één quasi gemeenschappelijk kenmerk terug te voeren, maar het lijkt erg goed op dat van chimpansees. Het zou fijn zijn dat zonder meer terug te brengen op het feit dat chimps onze naaste verwanten zijn, en de overeenkomst daarmee als verklaard te beschouwen. Helaas, daarmee komen we er niet. De realiteit is dat wij mensen even nauw verwant zijn aan de chimp als aan de bonobo, en bij de bonobo’s zijn de sociale rollen van mannetjes en vrouwtjes heel anders dan bij chimps.
Dus is het iets dat ik maar als onverklaarde, feitelijke waarneming zal behandelen. Mannetjeschimpansees besteden een groot deel van hun leven aan het zoeken van positie binnen de hiërarchie, aan vriendschappen en allianties, aan sociaal gedrag en het promoten van de groep naar buiten toe, en de eigen positie naar binnen toe. Precies wat mannetjesmensen ook doen.
Daartoe vinden ze ruim gelegenheid in organizaties als “de politiek”, maar ook de ambtenarij, en het bedrijfsleven, en zo verder tot en met het verenigingsleven en de strijd voor een goed doel (2). Dus, bewust sterk simplifiërend, en louter bedoeld als illustratie: Beeld je een chimpmannetje in, en hij zal op zoek gaan naar een sociale groep waarin hij een goede indruk kan nalaten. En naar chimpvrouwtjes, natuurlijk. Maar beeld je een chimpvrouwtje in, en zij zal op zoek gaan naar een territorium waarin er voldoende te eten valt voor de kleine aapjes, en waar er bevriende mannetjes zijn om er nieuwe kleine aapjes mee bij te maken. Of waar er zo weinig mogelijk vijandige mannetjes zijn die de kleine aapjes doodslaan omdat ze dan met dat vrouwtje sneller zelf kleine aapjes kunnen krijgen.
Analoog kunnen we ons inbeelden dat mensenmannetjes en –vrouwtjes rondlopen met precies dezelfde prioriteiten in het leven. Oh, ze noemen het niet “op zoek naar een groep waarin ze een goede indruk kunnen nalaten, in de eerste plaats op vrouwtjes”. Ze noemen het, bijvoorbeeld, “dienst aan mijn vaderland”. Het resultaat is evenwel precies hetzelfde.
Daarom handhaaf ik maar mijn theorie, in het volste besef dat het strikt genomen gaat over een lange serie vereenvoudigingen. Disclaimer! Wetenschappers die deze onderwerpen bestuderen zullen geneigd zijn op dit soort teksten zeer terughoudend te reageren! En ze hebben gelijk! Ik wil alleen signaleren hoe opvallend je een aantal dingen kan verklaren als je niets anders hanteert dan dit stel simplificaties. Bijvoorbeeld hoeveel vrouwen we kennen die eerst goed genoeg zijn opgeleid om zeer verantwoordelijke of intellectueel veeleisende functies uit te voeren, en die vervolgens al hun krachten wijden aan hun gezinnetje van vijf.
---------------------------------------------------
(1) http://speelsmaarserieus.blogspot.com/2006/12/chimpanzee-politics-een-nieuwe.html
(2) http://speelsmaarserieus.blogspot.com/2006/05/meloen.html
Maar allemaal hebben ze verschillende kinderen, aan wie ze een gelukkige familie te bieden hebben, en zijn ze tevreden met hun job die hen toelaat een zekere deelname in het sociaal-economisch verkeer te combineren met precies die gelukkige familie. En dus kwam ons gesprek op vragen als hoe dat soort dingen komen en waarom dat soort verschillen tussen mannen en vrouwen optreden, altijd opnieuw.
Voor mij is dit gewoon weer één van de toepassingen van de stelling van enkele posts geleden (1). “De mens is één van pakweg 200 soorten apen.” Als je één van de 200 andere soorten bestudeert zal je heel vaak (maar niet 100% universeel) zien dat het de vrouwtjes zijn die voor de jongen zorgen. Voor de rest zal je heel erg verschillende soorten gedrag zien inzake sociale organizatie, rol van de mannetjes of problemen rond geweld in de groep, maar de zorg voor de kinderen, en bij uitbreiding de familie zal je heel vaak bij de vrouwtjes aantreffen.
Het gedrag van de mannetjes van onze soort is wegens die verscheidenheid niet zo simpel op één quasi gemeenschappelijk kenmerk terug te voeren, maar het lijkt erg goed op dat van chimpansees. Het zou fijn zijn dat zonder meer terug te brengen op het feit dat chimps onze naaste verwanten zijn, en de overeenkomst daarmee als verklaard te beschouwen. Helaas, daarmee komen we er niet. De realiteit is dat wij mensen even nauw verwant zijn aan de chimp als aan de bonobo, en bij de bonobo’s zijn de sociale rollen van mannetjes en vrouwtjes heel anders dan bij chimps.
Dus is het iets dat ik maar als onverklaarde, feitelijke waarneming zal behandelen. Mannetjeschimpansees besteden een groot deel van hun leven aan het zoeken van positie binnen de hiërarchie, aan vriendschappen en allianties, aan sociaal gedrag en het promoten van de groep naar buiten toe, en de eigen positie naar binnen toe. Precies wat mannetjesmensen ook doen.
Daartoe vinden ze ruim gelegenheid in organizaties als “de politiek”, maar ook de ambtenarij, en het bedrijfsleven, en zo verder tot en met het verenigingsleven en de strijd voor een goed doel (2). Dus, bewust sterk simplifiërend, en louter bedoeld als illustratie: Beeld je een chimpmannetje in, en hij zal op zoek gaan naar een sociale groep waarin hij een goede indruk kan nalaten. En naar chimpvrouwtjes, natuurlijk. Maar beeld je een chimpvrouwtje in, en zij zal op zoek gaan naar een territorium waarin er voldoende te eten valt voor de kleine aapjes, en waar er bevriende mannetjes zijn om er nieuwe kleine aapjes mee bij te maken. Of waar er zo weinig mogelijk vijandige mannetjes zijn die de kleine aapjes doodslaan omdat ze dan met dat vrouwtje sneller zelf kleine aapjes kunnen krijgen.
Analoog kunnen we ons inbeelden dat mensenmannetjes en –vrouwtjes rondlopen met precies dezelfde prioriteiten in het leven. Oh, ze noemen het niet “op zoek naar een groep waarin ze een goede indruk kunnen nalaten, in de eerste plaats op vrouwtjes”. Ze noemen het, bijvoorbeeld, “dienst aan mijn vaderland”. Het resultaat is evenwel precies hetzelfde.
Daarom handhaaf ik maar mijn theorie, in het volste besef dat het strikt genomen gaat over een lange serie vereenvoudigingen. Disclaimer! Wetenschappers die deze onderwerpen bestuderen zullen geneigd zijn op dit soort teksten zeer terughoudend te reageren! En ze hebben gelijk! Ik wil alleen signaleren hoe opvallend je een aantal dingen kan verklaren als je niets anders hanteert dan dit stel simplificaties. Bijvoorbeeld hoeveel vrouwen we kennen die eerst goed genoeg zijn opgeleid om zeer verantwoordelijke of intellectueel veeleisende functies uit te voeren, en die vervolgens al hun krachten wijden aan hun gezinnetje van vijf.
---------------------------------------------------
(1) http://speelsmaarserieus.blogspot.com/2006/12/chimpanzee-politics-een-nieuwe.html
(2) http://speelsmaarserieus.blogspot.com/2006/05/meloen.html
zaterdag 9 december 2006
Grooooooot Experiment
Op aanraden van een vriend - jawel, jawel, die zijn er - heb ik de "comment moderation" van Blogger afgezet. Dat betekent dat iedereen comments kan plaatsen, en dat die dan meteen (zouden moeten) verschijnen.
Daarmee heeft mijn vriend een aanzienlijke psychologische blokkade weten weg te werken. Hij heeft dat niet gedaan door (a) elke dag te emmeren over hoe vervelend het systeem wel is (wist ik al) of (b) te wijzen op het ondemocratische, elitaire, onsympathieke, arrogante of asociale karakter van het systeem (al die epitheta blijven immers onverminderd op mijn moeilijk doch opgewekt karakter van toepassing) of (c) stroop te smeren over het grote potentiëel van het blog dat door het gebruik van het systeem de grond ingeboord wordt.
Integendeel. Wetend hoe hij mij dient aan te pakken begon hij met iets als "face reality". Ik ben altijd geïnteresseerd in het facen van reality, dus we faceten reality. Reality is dat dit geen veelgelezen blog is. Reality is dat het nog maar twee keer is voorgekomen dat ik posts heb geweigerd. De laatste keer was het gewoon een lege boodschap, iets als "hello ik ben Mandy", of zoiets. Voor de andere keer, zie (1).
Dus, zegt mijn vriend, is er bijzonder weinig reden om aan te nemen dat het systeem veel oplevert, terwijl het natuurlijk (a) vervelend, (b) onsympathiek en (c) slecht voor het grote potentiëel van het blog is.
Even diep ademhalen, en ach, ik probeer het. Maar ik beloof niets! Ik wil niet meemaken wat je op usenet meemaakt. Ik wil ook niet meemaken wat bekende blogs meemaken, waar de onzin en het gescheld vaak potentiële gebruikers afschrikt. Ik probeer het alleen omdat ik nu eenmaal niet het soort blog heb dat dat gevaar loopt, of lijkt te lopen. Als dat verandert, dan ga ik terug over op het oude systeem. (Tenzij, natuurlijk, op één of andere manier een middel ontstaat dat mijn problemen oplost.) En als ik mezelf een beetje ken zal daar niet eens erg veel voor nodig zijn.
Je bent nu eenmaal een asociaal en onflexibel karakter, of je bent het niet.
----------------------------------
(1) http://speelsmaarserieus.blogspot.com/2006/07/not-good-enough.html
Daarmee heeft mijn vriend een aanzienlijke psychologische blokkade weten weg te werken. Hij heeft dat niet gedaan door (a) elke dag te emmeren over hoe vervelend het systeem wel is (wist ik al) of (b) te wijzen op het ondemocratische, elitaire, onsympathieke, arrogante of asociale karakter van het systeem (al die epitheta blijven immers onverminderd op mijn moeilijk doch opgewekt karakter van toepassing) of (c) stroop te smeren over het grote potentiëel van het blog dat door het gebruik van het systeem de grond ingeboord wordt.
Integendeel. Wetend hoe hij mij dient aan te pakken begon hij met iets als "face reality". Ik ben altijd geïnteresseerd in het facen van reality, dus we faceten reality. Reality is dat dit geen veelgelezen blog is. Reality is dat het nog maar twee keer is voorgekomen dat ik posts heb geweigerd. De laatste keer was het gewoon een lege boodschap, iets als "hello ik ben Mandy", of zoiets. Voor de andere keer, zie (1).
Dus, zegt mijn vriend, is er bijzonder weinig reden om aan te nemen dat het systeem veel oplevert, terwijl het natuurlijk (a) vervelend, (b) onsympathiek en (c) slecht voor het grote potentiëel van het blog is.
Even diep ademhalen, en ach, ik probeer het. Maar ik beloof niets! Ik wil niet meemaken wat je op usenet meemaakt. Ik wil ook niet meemaken wat bekende blogs meemaken, waar de onzin en het gescheld vaak potentiële gebruikers afschrikt. Ik probeer het alleen omdat ik nu eenmaal niet het soort blog heb dat dat gevaar loopt, of lijkt te lopen. Als dat verandert, dan ga ik terug over op het oude systeem. (Tenzij, natuurlijk, op één of andere manier een middel ontstaat dat mijn problemen oplost.) En als ik mezelf een beetje ken zal daar niet eens erg veel voor nodig zijn.
Je bent nu eenmaal een asociaal en onflexibel karakter, of je bent het niet.
----------------------------------
(1) http://speelsmaarserieus.blogspot.com/2006/07/not-good-enough.html
Over moralisten en beter nadenken
Ivan Janssens verwijst op zijn blog naar een artikel van Dirk Verhofstadt:
http://www.liberales.be/cgi-bin/show.pl?column&verhofstadtchina&print
Ik ben het volledig eens met de kritiek van Ivan:
http://www.ivanjanssens.be/dutch/nartikel.asp?link=48
De post van vandaag is dan ook alleen maar copy and paste van mijn manier om die bezwaren uit te drukken, QUOTE
"Dit is inderdaad gewoon pijnlijk. Zou het veel gevraagd zijn, als we ons dan toch moeten laten uitschelden voor "marktfundamentalist" om er aan te herinneren dat wij het wel altijd hebben over vrije markten?
En als er "gewerkt wordt in een vorm van slavernij", en als dat "ten goede komt aan de rijke bovenklasse"; hoe zou dat dan anders kunnen dan omdat die slavernij tot grote winst leidt?
En als er ergens grote winsten te rapen vallen, en de markten vrij zijn, wat zal er dan anders gebeuren dat andere marktfundamentalisten ook werknemers komen huren om ook die winsten te maken? En wat zal er dan overeenkomstig de wet van vraag en aanbod (ik veronderstel dat wij, marktfundamentalisten, die wet wel mogen inroepen?) gebeuren?
Ik zal het maar zelf zeggen, want de moralisten doen dat nooit.
Wat er overeenkomstig de wensen van de marktfundamentalisten zal gebeuren is dat de lonen zullen stijgen, en de omstandigheden zullen verbeteren, naarmate de grote winsten meer ondernemers aantrekken, die allemaal zullen moeten concurreren om dat werkvolk aan te trekken.
Vraag en aanbod, dus.
En één van de weinige dingen die daar iets aan kunnen doen, is dat er een dicatoriale overheid bestaat, die verbiedt dat die andere ondernemers de lonen omhoog komen bieden. Het letterlijke tegendeel van een vrije markt is wat kan maken dat de lonen laag blijven als de winsten hoog zijn.
En dus wil ik wel proberen er stoicijns onder te blijven wanneer ik wordt uitgescholden (het kan beter ook niet te vaak gebeuren, natuurlijk) voor "marktfundamentalist". Maar als ik daarbij moet worden voorgesteld als iemand die het lijnrechte tegendeel verkondigt van mijn echte standpunt, dan word ik daar een tikkeltje nerveus van. Is er een manier om mijn bezwaren aan Dirk Verhofstadt te laten kennen?"
UNQUOTE
Let wel, ik ben het ook eens met Dirk Verhofstadt wanneer hij de toestanden aanklaagt. Maar ik protesteer tegen zijn manier om te sneren aan het adres van (wat hij) marktfundamentalisten (noemt). "Van twee dingen één", zoals dat in het Vlaams zo lelijk heet. Er zijn mensen die de toestanden toejuichen omdat de globale welvaart in China stijgt - maar de beschreven manier waarop het gebeurt heeft met "markt" evenveel te maken als een tang met een varken. En mensen die zo overtuigd zijn van het belang van vrije markten dat je ze min of meer terecht "fundamentalisten" zou kunnen noemen, zullen het moeilijk hebben om voorbeelden te vinden die nog verder weg liggen van wat hun ideaal voorstelt.
(Gebeurlijke commentaren mag je met veel plezier naar Ivans Blog sturen. Gewoon, omdat Ivan er over begonnen is.)
http://www.liberales.be/cgi-bin/show.pl?column&verhofstadtchina&print
Ik ben het volledig eens met de kritiek van Ivan:
http://www.ivanjanssens.be/dutch/nartikel.asp?link=48
De post van vandaag is dan ook alleen maar copy and paste van mijn manier om die bezwaren uit te drukken, QUOTE
"Dit is inderdaad gewoon pijnlijk. Zou het veel gevraagd zijn, als we ons dan toch moeten laten uitschelden voor "marktfundamentalist" om er aan te herinneren dat wij het wel altijd hebben over vrije markten?
En als er "gewerkt wordt in een vorm van slavernij", en als dat "ten goede komt aan de rijke bovenklasse"; hoe zou dat dan anders kunnen dan omdat die slavernij tot grote winst leidt?
En als er ergens grote winsten te rapen vallen, en de markten vrij zijn, wat zal er dan anders gebeuren dat andere marktfundamentalisten ook werknemers komen huren om ook die winsten te maken? En wat zal er dan overeenkomstig de wet van vraag en aanbod (ik veronderstel dat wij, marktfundamentalisten, die wet wel mogen inroepen?) gebeuren?
Ik zal het maar zelf zeggen, want de moralisten doen dat nooit.
Wat er overeenkomstig de wensen van de marktfundamentalisten zal gebeuren is dat de lonen zullen stijgen, en de omstandigheden zullen verbeteren, naarmate de grote winsten meer ondernemers aantrekken, die allemaal zullen moeten concurreren om dat werkvolk aan te trekken.
Vraag en aanbod, dus.
En één van de weinige dingen die daar iets aan kunnen doen, is dat er een dicatoriale overheid bestaat, die verbiedt dat die andere ondernemers de lonen omhoog komen bieden. Het letterlijke tegendeel van een vrije markt is wat kan maken dat de lonen laag blijven als de winsten hoog zijn.
En dus wil ik wel proberen er stoicijns onder te blijven wanneer ik wordt uitgescholden (het kan beter ook niet te vaak gebeuren, natuurlijk) voor "marktfundamentalist". Maar als ik daarbij moet worden voorgesteld als iemand die het lijnrechte tegendeel verkondigt van mijn echte standpunt, dan word ik daar een tikkeltje nerveus van. Is er een manier om mijn bezwaren aan Dirk Verhofstadt te laten kennen?"
UNQUOTE
Let wel, ik ben het ook eens met Dirk Verhofstadt wanneer hij de toestanden aanklaagt. Maar ik protesteer tegen zijn manier om te sneren aan het adres van (wat hij) marktfundamentalisten (noemt). "Van twee dingen één", zoals dat in het Vlaams zo lelijk heet. Er zijn mensen die de toestanden toejuichen omdat de globale welvaart in China stijgt - maar de beschreven manier waarop het gebeurt heeft met "markt" evenveel te maken als een tang met een varken. En mensen die zo overtuigd zijn van het belang van vrije markten dat je ze min of meer terecht "fundamentalisten" zou kunnen noemen, zullen het moeilijk hebben om voorbeelden te vinden die nog verder weg liggen van wat hun ideaal voorstelt.
(Gebeurlijke commentaren mag je met veel plezier naar Ivans Blog sturen. Gewoon, omdat Ivan er over begonnen is.)
vrijdag 8 december 2006
Assymetrie
De kranten staan vol met de moeder van een gehandicapt kind, die opbiecht dat zij het liever had laten sterven, dan het kind en de familie levenslang op te zadelen met een gehandicapt leven. Na de noodkreet zelf en vele reacties zijn er nu ook de lezersbrieven. Pas daaraan voel je welke hartverscheurende drama's zich zo vaak afspelen in een mensenleven - laten we proberen er een beetje sereen en berustend bij te blijven. Zowel de mensen die zich nog altijd schuldig voelen bij het verlies van het leven van een kind dat ze niet hebben kunnen redden, als de mensen die zich hopeloos veroordeeld voelen tot een leven waarvan ze niet de zin (maar wel de onzin, elke dag opnieuw) kunnen voelen, verdienen het.
Ik voel me haperen bij één van de brieven waarin een moeder vertelt hoe ze haar gehandicapt kind een leven heeft kunnen bieden, waarin dat kind een zeker geluk kan ervaren. Dat is prachtig: al mijn felicitaties. Als de boodschap er hier één van troost, medeleven en steun is, dan had ik het niet beter kunnen zeggen. Als de boodschap er één is waarin "ieder leven waarde heeft", zodat iedereen maar meteen dezelfde weg moet volgen, en moet willen volgen, dan heb ik een probleem (dat me doet terugdenken aan een post uit de vroegste periode van dit blog (1), maar dit terzijde).
Een eerste aspect gaat over kennis. Nu zegt een basisregel uit de psychologie dat je geen boodschappen mag overmaken waar mensen niet klaar voor zijn. Het overwinnen van het kennisprobleem lijkt me hier nochtans belangrijker dan de emotionele problemen die er uit kunnen volgen. De moeilijke boodschap is als volgt. Een mensenleven is geen door God gezonden zegening die tot elke prijs in stand moet gehouden worden, maar wel een chemisch proces. We kennen de chemische bestanddelen van dat proces, dat zoals alle chemische processen bestaat uit dezelfde bouwstenen (koolstof waterstof, zuurstof, enzovoort). We kennen de manieren waarop die zoals bij alle chemische processen met elkaar reageren. We kennen de fysieke oorzaken die het proces in gang zetten, en we kennen een hoop fysieke oorzaken van dingen die het proces bemoeilijken ("ziekte") of stopzetten ("dood"), en we weten hoe na dat laatste de bouwstenen gerecycleerd worden in het systeem dat de oppervlakte van de planeet Aarde is. Steeds zoals dat voor alle andere chemische processen geldt. (Naar ik me heb laten vertellen is de kans erg groot dat sommige waterstofmoleculen die ooit in Socrates hebben gezeten op dit moment in u en mij zitten)
Zoals gezegd, dat is een inzicht waar niet iedereen aan toe is, en waar veel mensen het zelfs erg moeilijk mee hebben. Maar de realiteit is dat de correctheid van de beschrijvingen van die realiteit niet afhangt van de vraag of de resultaten ons aanstaan. Zo krijgen we sterk uiteenlopende opvattingen, waarbij mensen helemaal geen chemisch proces zien, maar wel degelijk de goddelijke vonk van het leven, met alle consequenties vandien. Bijvoorbeeld de heftigheid waarmee de debatten af en toe gevoerd worden.
Een andere consequentie van de uiteenlopende opvattingen is meteen het tweede aspect van mijn probleem, en het vloeit uit de kenniskloof voort. Wanneer je met het chemisch proces in het achterhoofd verklaringen leest over mensen die in naam van de waarde van elk leven toch zijn doorgegaan, dan kan je daar begrip voor voelen, en een aanzienlijke mate van bewondering. Als je leest over het verdriet van een moeder die tien jaar na het verlies van haar kind nog altijd treurt, dan kan je een diep meeleven voelen (aanzienlijk versterkt als je zelf de papa van baby Sarah bent, daar niet van). En tegelijk kan je een even diep begrip en meeleven voelen met mensen die dingen schrijven als "het is gemakkelijk om tijdens je werkuren het gehandicapt leven te redden, en na het werk naar huis te gaan en het probleem achter te laten, maar dat gaat niet wanneer je zelf de ouder van het gehandicapt kind bent." Of ook "maar wij voelen ons voor het leven veroordeeld - en waarom?". De wanhoop, de bitterheid, de uitzichtloosheid, de woede... ik kan me een begin van een idee vormen van hoe dat moet voelen - ik kan het tenminste proberen.
Maar in de andere richting werkt het zo niet. Met de goddelijke vonk in het achterhoofd zijn we weer op het punt dat wat die mensen denken en voelen zomaar opeens een universele waarheid is. De mensen die ooit, in deze omstandigheden, niet geprobeerd hebben een kind te houden, verschijnen nu als harteloze egoisten, die alleen aan zichzelf denken, de waarde van het leven negeren, en het goddelijk plan in de war sturen. En natuurlijk hebben ze het recht op die opinie, en ze hebben het recht om die te uiten, tot je in de krant ook kan lezen dat de moeder die haar wanhoop publiek heeft gemaakt toch wel van grote moed getuigt. Dat aspect van mijn probleem kan je de "assymetrie" noemen. Denkend in termen van een chemisch proces kan je begrip en bewondering voelen voor mensen die het anders voelen, en er naar handelen. Denken in termen van een goddelijke vonk krijgen we integendeel de neiging om die opvatting aan de hele rest van de wereld op te leggen.
En met die assymetrie heb ik een probleem. Iedereen die na dit stuk een heel andere mening heeft dan ikzelf mag van mij die mening hebben en er naar handelen. Het enige wat ik vraag is dat mensen die mijn mening zijn toegedaan van de andere kant evenveel recht op die mening krijgen, en evenzeer het recht er naar te handelen. Wedden dat er heel veel minder hoogoplopende ruzies zouden zijn?
----------------------------------------------------------------------------
(1) http://speelsmaarserieus.blogspot.com/2006/02/herman-de-dijn.html
Ik voel me haperen bij één van de brieven waarin een moeder vertelt hoe ze haar gehandicapt kind een leven heeft kunnen bieden, waarin dat kind een zeker geluk kan ervaren. Dat is prachtig: al mijn felicitaties. Als de boodschap er hier één van troost, medeleven en steun is, dan had ik het niet beter kunnen zeggen. Als de boodschap er één is waarin "ieder leven waarde heeft", zodat iedereen maar meteen dezelfde weg moet volgen, en moet willen volgen, dan heb ik een probleem (dat me doet terugdenken aan een post uit de vroegste periode van dit blog (1), maar dit terzijde).
Een eerste aspect gaat over kennis. Nu zegt een basisregel uit de psychologie dat je geen boodschappen mag overmaken waar mensen niet klaar voor zijn. Het overwinnen van het kennisprobleem lijkt me hier nochtans belangrijker dan de emotionele problemen die er uit kunnen volgen. De moeilijke boodschap is als volgt. Een mensenleven is geen door God gezonden zegening die tot elke prijs in stand moet gehouden worden, maar wel een chemisch proces. We kennen de chemische bestanddelen van dat proces, dat zoals alle chemische processen bestaat uit dezelfde bouwstenen (koolstof waterstof, zuurstof, enzovoort). We kennen de manieren waarop die zoals bij alle chemische processen met elkaar reageren. We kennen de fysieke oorzaken die het proces in gang zetten, en we kennen een hoop fysieke oorzaken van dingen die het proces bemoeilijken ("ziekte") of stopzetten ("dood"), en we weten hoe na dat laatste de bouwstenen gerecycleerd worden in het systeem dat de oppervlakte van de planeet Aarde is. Steeds zoals dat voor alle andere chemische processen geldt. (Naar ik me heb laten vertellen is de kans erg groot dat sommige waterstofmoleculen die ooit in Socrates hebben gezeten op dit moment in u en mij zitten)
Zoals gezegd, dat is een inzicht waar niet iedereen aan toe is, en waar veel mensen het zelfs erg moeilijk mee hebben. Maar de realiteit is dat de correctheid van de beschrijvingen van die realiteit niet afhangt van de vraag of de resultaten ons aanstaan. Zo krijgen we sterk uiteenlopende opvattingen, waarbij mensen helemaal geen chemisch proces zien, maar wel degelijk de goddelijke vonk van het leven, met alle consequenties vandien. Bijvoorbeeld de heftigheid waarmee de debatten af en toe gevoerd worden.
Een andere consequentie van de uiteenlopende opvattingen is meteen het tweede aspect van mijn probleem, en het vloeit uit de kenniskloof voort. Wanneer je met het chemisch proces in het achterhoofd verklaringen leest over mensen die in naam van de waarde van elk leven toch zijn doorgegaan, dan kan je daar begrip voor voelen, en een aanzienlijke mate van bewondering. Als je leest over het verdriet van een moeder die tien jaar na het verlies van haar kind nog altijd treurt, dan kan je een diep meeleven voelen (aanzienlijk versterkt als je zelf de papa van baby Sarah bent, daar niet van). En tegelijk kan je een even diep begrip en meeleven voelen met mensen die dingen schrijven als "het is gemakkelijk om tijdens je werkuren het gehandicapt leven te redden, en na het werk naar huis te gaan en het probleem achter te laten, maar dat gaat niet wanneer je zelf de ouder van het gehandicapt kind bent." Of ook "maar wij voelen ons voor het leven veroordeeld - en waarom?". De wanhoop, de bitterheid, de uitzichtloosheid, de woede... ik kan me een begin van een idee vormen van hoe dat moet voelen - ik kan het tenminste proberen.
Maar in de andere richting werkt het zo niet. Met de goddelijke vonk in het achterhoofd zijn we weer op het punt dat wat die mensen denken en voelen zomaar opeens een universele waarheid is. De mensen die ooit, in deze omstandigheden, niet geprobeerd hebben een kind te houden, verschijnen nu als harteloze egoisten, die alleen aan zichzelf denken, de waarde van het leven negeren, en het goddelijk plan in de war sturen. En natuurlijk hebben ze het recht op die opinie, en ze hebben het recht om die te uiten, tot je in de krant ook kan lezen dat de moeder die haar wanhoop publiek heeft gemaakt toch wel van grote moed getuigt. Dat aspect van mijn probleem kan je de "assymetrie" noemen. Denkend in termen van een chemisch proces kan je begrip en bewondering voelen voor mensen die het anders voelen, en er naar handelen. Denken in termen van een goddelijke vonk krijgen we integendeel de neiging om die opvatting aan de hele rest van de wereld op te leggen.
En met die assymetrie heb ik een probleem. Iedereen die na dit stuk een heel andere mening heeft dan ikzelf mag van mij die mening hebben en er naar handelen. Het enige wat ik vraag is dat mensen die mijn mening zijn toegedaan van de andere kant evenveel recht op die mening krijgen, en evenzeer het recht er naar te handelen. Wedden dat er heel veel minder hoogoplopende ruzies zouden zijn?
----------------------------------------------------------------------------
(1) http://speelsmaarserieus.blogspot.com/2006/02/herman-de-dijn.html
donderdag 7 december 2006
Epaminondas
Epaminondas... Waar heb ik die klank toch nog gehoord? Bladerbladerblader door het verre geheugen, en daar verschijnt een man met een vervaarlijke kinnebak voor mijn geestesoog. De Backer heette die man, en hij zag er uit alsof hij destijds persoonlijk de Mongolen had gestopt. Met een blik die alle twaalfjarige scholieren, ook die van de jeugd van tegenwoordig, onder de bank deed wegkruipen keek hij de klas in, en twee minuten nadat hij zijn mond had opengedaan lagen ze slap van het lachen in elkaars armen. Dàt waren nog eens geschiedenislessen!
Die man, dus, zie ik nog bijna voor mijn ogen, en ik hoor hem nog praten over Epaminondas. Helaas, meer weet ik er al niet meer van. Maar dat komt ongetwijfeld in zéér grote mate omdat (a) het toch al een tijdje geleden is dat ik twaalf jaar was, en (b) toen ik twaalf jaar was (en een hoop langer, als ik eerlijk ben) ik mijn tijd op de schoolbanken slapend en dromend doorbracht.
Maar aangezien meneer De Backer mij over Epaminondas heeft gesproken, en aangezien ik dus weet in welk jaar dat was, zal ik hem bij de oude Egyptenaren of oude Grieken moeten zoeken. En daarmee was tot een paar maanden geleden mijn kennis uitgeput – maar het zou al stukken beter geweest zijn dan iemand aan wie ik laatst vroeg wanneer de profeet Mohammed (vrede zij met hem en vooral zijn volgelingen) leefde, en die als antwoord “Ui – 5,000 voor Christus?” probeerde (1).
Edoch! Een geprepareerde geest is er twee waard! De geregelde lezer van Speels maar Serieus herinnert zich nog wel dat fenomeen uit de oudheid, onze vrienden de Spartanen. We weten nu dat (en waarom) er met de Spartanen van de tijd van de Perzische en Peloponnesische oorlogen bepaald niet gelachen werd: vijfde eeuw voor Christus. We weten (hopelijk ook nog wel) dat er in de tijd van Julius Caesar van de Spartanen niet meer geklapt werd: eerste eeuw voor Christus. En ja – Alexander de Grote, die moet daar toch ook gepasseerd zijn zonder we er maar een glimp van opvangen. Ze moeten al weg geweest zijn: derde eeuw voor Christus.
Hmmmm... Tussen de vijfde eeuw voor Christus, toen het vermelden van de Spartanen genoeg was om de andere hoplieten te doen verbleken van schrik, en de derde eeuw toen Alexander er los doorheen wandelde, moet er iets gebeurd zijn, nietwaar?
En dat is ook zo. Epaminondas, dat is wat er gebeurd is. In de vierde eeuw voor Christus: wil me dat lukken.
Het zit zo. In de periode voor, tijdens, en na die formidabele periode die tot vandaag maakt dat we de Grieken als de bakermat van onze beschaving beschouwen, was Griekenland een politiek verdeelde beschaving. De materiële basis van de Griekse cultuur was een reeks zogenaamde “stadsstaten”, die allemaal onafhankelijk van elkaar waren. De term “stadsstaten” slaat op het feit dat de politieke eenheden doorgaans bestonden uit één enkele stad, omringd door een (naar zowel hedendaagse, als toenmalige Perzische maatstaven) lachwekkend lapje grond. Elk van die steden zat verwikkeld in een ingewikkeld spel van intriges, allianties en verraad tegenover alle andere steden. Alles bij elkaar liep het aantal in de honderden, verspreid over het Griekse vasteland, de eilanden en eilandjes, de Ionische (nu Turkse) kust en de vele kusten van de gekolonizeerde gebieden.
De meerderheid was nog minusculer dan je kan opmaken uit dit soort beschrijving. Daartegenover is de lof van de grootste, Athene, (niet ten onrechte) zo vaak bezongen dat je de rest uit het oog zou verliezen. En zoals dat gaat had je in werkelijkheid een heel brede waaier, met tussen al dat klein grut en Athene zelf een aantal steden die Athene naar de kroon staken of toch minstens een serieuze vinger in de pap hadden. Een paar namen van die belangrijke steden zouden onder andere Sparta, Korinthe, Thebe of Argos zijn.
Thebe is een naam die de lezer misschien herkent van “Koning Oidipous”. Maar Thebe was ook de stad van Epaminondas. In de vierde eeuw voor Christus presteerde Epaminondas het om de macht van de Spartanen te weerstaan. Dus stonden de Spartanen al gauw voor de poort, en toen deed Epaminondas iets ongehoords. Hij veranderde de opstelling waarin de Griekse hoplieten sinds mensenheugenis met elkaar vochten. De nomale manier volgde uit het feit dat de hopliet zijn speer in de rechterhand hield, en zijn schild in de linker. Daaruit volgde dat de uiterste rechterflank onbeschermd was, en dat de falanks altijd naar rechts uitweek, om te vermijden in die flank te worden aangevallen. En daarom ook stonden aan de rechterflanken de beste eenheden – en de falanks waarvan de elitetroepen het eerst de linkerflank van de vijand kon doen wijken was vaak de falanks die de overwinning behaalde.
De lezer heeft natuurlijk al lang begrepen dat het antwoord op die vraag in de concrete realiteit heel vaak “de Spartanen” (je herkende ze van ver aan hun rode mantels) was.
Maar Epaminondas had dat allemaal niet alleen goed begrepen, maar hij deed er ook iets aan. In plaats van zijn elitetroepen op de rechterflank te plaatsen, zette hij ze in op de linkerflank. En dus stonden van bij het begin de elitetroepen van de Spartanen tegen die van de Thebanen, maar het verschil was dat de Thebanen daarop hadden gerekend.
Aan de militaire hegemonie van Sparta kwam een eind toen de Thebanen van Epaminondas ze versloegen met een vernieuwende tactiek, en vervolgens de oorlog naar de Peloponnesos verlegden, waar ze Sparta reduceerden tot een groot dorp. Dat zal destijds ongeveer even spectaculair geweest zijn als het feit dat de Mongolen op een dag een veldslag (hou je vast) verloren(!!) tegen de Mameluken (17 eeuwen later of zoiets) of de overwinning van Zulte Waregem op Anderlecht (25 eeuwen later). De Spartanen! Amen en uit!
Maar met wijsheid achteraf was het natuurlijk alleen maar de zoveelste twist tussen Griekse steden. Je kent dat: ze waren allemaal weer eens glorieus gestorven op het veld van eer, maar ze waren ondertussen toch maar dood. En nog een beetje later lijfde Alexander de Grote heel dat gebied van zelden geziene uitstraling in, en nog wat later arriveerden de Romeinen, en ze deden het werk van Alexander nog eens over, en de Grieken waren niet langer in een positie om daar wat dan ook aan te doen. Uitgeput van de vele ruzies.
Dus volgt aan het einde van het verhaal een morele preek. Neenee, niet over “grootheid en verval”, of de domme twisten van de Griekse stadstaten. Wel over het feit dat het officiële onderwijs de naam Epaminondas even snel weer doet vergeten als ze hem hebben ter sprake gebracht. Zou een verhaal dat hem plaatst tussen de daden van de Spartanen van de vijfde eeuw voor Christus en het passeren van Alexander in de derde niet meer kans maken dat er iets van blijft hangen? Want zeg nu zelf, wat is er moeilijk aan het gemiddelde van drie en vijf?
Die man, dus, zie ik nog bijna voor mijn ogen, en ik hoor hem nog praten over Epaminondas. Helaas, meer weet ik er al niet meer van. Maar dat komt ongetwijfeld in zéér grote mate omdat (a) het toch al een tijdje geleden is dat ik twaalf jaar was, en (b) toen ik twaalf jaar was (en een hoop langer, als ik eerlijk ben) ik mijn tijd op de schoolbanken slapend en dromend doorbracht.
Maar aangezien meneer De Backer mij over Epaminondas heeft gesproken, en aangezien ik dus weet in welk jaar dat was, zal ik hem bij de oude Egyptenaren of oude Grieken moeten zoeken. En daarmee was tot een paar maanden geleden mijn kennis uitgeput – maar het zou al stukken beter geweest zijn dan iemand aan wie ik laatst vroeg wanneer de profeet Mohammed (vrede zij met hem en vooral zijn volgelingen) leefde, en die als antwoord “Ui – 5,000 voor Christus?” probeerde (1).
Edoch! Een geprepareerde geest is er twee waard! De geregelde lezer van Speels maar Serieus herinnert zich nog wel dat fenomeen uit de oudheid, onze vrienden de Spartanen. We weten nu dat (en waarom) er met de Spartanen van de tijd van de Perzische en Peloponnesische oorlogen bepaald niet gelachen werd: vijfde eeuw voor Christus. We weten (hopelijk ook nog wel) dat er in de tijd van Julius Caesar van de Spartanen niet meer geklapt werd: eerste eeuw voor Christus. En ja – Alexander de Grote, die moet daar toch ook gepasseerd zijn zonder we er maar een glimp van opvangen. Ze moeten al weg geweest zijn: derde eeuw voor Christus.
Hmmmm... Tussen de vijfde eeuw voor Christus, toen het vermelden van de Spartanen genoeg was om de andere hoplieten te doen verbleken van schrik, en de derde eeuw toen Alexander er los doorheen wandelde, moet er iets gebeurd zijn, nietwaar?
En dat is ook zo. Epaminondas, dat is wat er gebeurd is. In de vierde eeuw voor Christus: wil me dat lukken.
Het zit zo. In de periode voor, tijdens, en na die formidabele periode die tot vandaag maakt dat we de Grieken als de bakermat van onze beschaving beschouwen, was Griekenland een politiek verdeelde beschaving. De materiële basis van de Griekse cultuur was een reeks zogenaamde “stadsstaten”, die allemaal onafhankelijk van elkaar waren. De term “stadsstaten” slaat op het feit dat de politieke eenheden doorgaans bestonden uit één enkele stad, omringd door een (naar zowel hedendaagse, als toenmalige Perzische maatstaven) lachwekkend lapje grond. Elk van die steden zat verwikkeld in een ingewikkeld spel van intriges, allianties en verraad tegenover alle andere steden. Alles bij elkaar liep het aantal in de honderden, verspreid over het Griekse vasteland, de eilanden en eilandjes, de Ionische (nu Turkse) kust en de vele kusten van de gekolonizeerde gebieden.
De meerderheid was nog minusculer dan je kan opmaken uit dit soort beschrijving. Daartegenover is de lof van de grootste, Athene, (niet ten onrechte) zo vaak bezongen dat je de rest uit het oog zou verliezen. En zoals dat gaat had je in werkelijkheid een heel brede waaier, met tussen al dat klein grut en Athene zelf een aantal steden die Athene naar de kroon staken of toch minstens een serieuze vinger in de pap hadden. Een paar namen van die belangrijke steden zouden onder andere Sparta, Korinthe, Thebe of Argos zijn.
Thebe is een naam die de lezer misschien herkent van “Koning Oidipous”. Maar Thebe was ook de stad van Epaminondas. In de vierde eeuw voor Christus presteerde Epaminondas het om de macht van de Spartanen te weerstaan. Dus stonden de Spartanen al gauw voor de poort, en toen deed Epaminondas iets ongehoords. Hij veranderde de opstelling waarin de Griekse hoplieten sinds mensenheugenis met elkaar vochten. De nomale manier volgde uit het feit dat de hopliet zijn speer in de rechterhand hield, en zijn schild in de linker. Daaruit volgde dat de uiterste rechterflank onbeschermd was, en dat de falanks altijd naar rechts uitweek, om te vermijden in die flank te worden aangevallen. En daarom ook stonden aan de rechterflanken de beste eenheden – en de falanks waarvan de elitetroepen het eerst de linkerflank van de vijand kon doen wijken was vaak de falanks die de overwinning behaalde.
De lezer heeft natuurlijk al lang begrepen dat het antwoord op die vraag in de concrete realiteit heel vaak “de Spartanen” (je herkende ze van ver aan hun rode mantels) was.
Maar Epaminondas had dat allemaal niet alleen goed begrepen, maar hij deed er ook iets aan. In plaats van zijn elitetroepen op de rechterflank te plaatsen, zette hij ze in op de linkerflank. En dus stonden van bij het begin de elitetroepen van de Spartanen tegen die van de Thebanen, maar het verschil was dat de Thebanen daarop hadden gerekend.
Aan de militaire hegemonie van Sparta kwam een eind toen de Thebanen van Epaminondas ze versloegen met een vernieuwende tactiek, en vervolgens de oorlog naar de Peloponnesos verlegden, waar ze Sparta reduceerden tot een groot dorp. Dat zal destijds ongeveer even spectaculair geweest zijn als het feit dat de Mongolen op een dag een veldslag (hou je vast) verloren(!!) tegen de Mameluken (17 eeuwen later of zoiets) of de overwinning van Zulte Waregem op Anderlecht (25 eeuwen later). De Spartanen! Amen en uit!
Maar met wijsheid achteraf was het natuurlijk alleen maar de zoveelste twist tussen Griekse steden. Je kent dat: ze waren allemaal weer eens glorieus gestorven op het veld van eer, maar ze waren ondertussen toch maar dood. En nog een beetje later lijfde Alexander de Grote heel dat gebied van zelden geziene uitstraling in, en nog wat later arriveerden de Romeinen, en ze deden het werk van Alexander nog eens over, en de Grieken waren niet langer in een positie om daar wat dan ook aan te doen. Uitgeput van de vele ruzies.
Dus volgt aan het einde van het verhaal een morele preek. Neenee, niet over “grootheid en verval”, of de domme twisten van de Griekse stadstaten. Wel over het feit dat het officiële onderwijs de naam Epaminondas even snel weer doet vergeten als ze hem hebben ter sprake gebracht. Zou een verhaal dat hem plaatst tussen de daden van de Spartanen van de vijfde eeuw voor Christus en het passeren van Alexander in de derde niet meer kans maken dat er iets van blijft hangen? Want zeg nu zelf, wat is er moeilijk aan het gemiddelde van drie en vijf?
woensdag 6 december 2006
Moderne Kunst
Een scène uit het destijds populaire programma De Mol spookt nog af en toe door mijn hoofd. De deelnemers hadden tot opdracht een “abstract kunstwerk” te maken. Dat kunstwerk zou vervolgens tussen andere abstracte kunstwerken op een tentoonstelling voor “moderne kunst” terecht komen. Er werd ook nog een specialist uit Madrid verwacht, en daarmee zouden de programmamakers de tentoonstelling afwandelen, en op het einde vertellen dat ze er een amateurwerk hadden tussen gesmokkeld. De opdracht zou geslaagd zijn indien de specialist het kunstwerk van de deelnemers niet als zodanig zou kunnen ontmaskeren.
En aangezien ik altijd alles beter weet, en ik ervan overtuigd ben dat de zogenaamde moderne en abstracte kunst één groot complot is om een bende snobs zichzelf en elkaar de indruk te geven dat ze iets voorstellen (terwijl hun productsels op een bestek van enkele weken rijp zijn voor de vergetelheid), zat ik me geweldig te verkneukelen. De deelnemers togen aan het werk, en op basis van allerlei ideeën (“die twee pijpen stellen het verlangen naar de horizon, en dus de oneindigheid voor”: tuurlijk, tuurlijk) wrochtten zij hun abstract kunstwerk bij elkaar. En natuurlijk was het onmogelijk dat iemand ooit dat werk uit de rest zou kunnen halen: ik had het toch zeker zelf gezegd?
En het kunstwerk kwam temidden van de tentoontstelling terecht en de expert uit Madrid arriveerde, en het bezoek begon. Ik herinner me onder andere dat er een taart met allerlei spijkers in geslagen tussen stond – alsof iemand ooit dààrvan het verschil met een haastig in mekaar geflanst stel buizen zou kunnen zien!
De expert becommentariëerde plichtsgetrouw alle vertoonde gedrochten, en kraamde daarbij de obligate, en door mij voorspelde onzin uit. Veel dramatiek hier, veel gevoel daar, de taart met spijkers was alweer heel wat punten op de schaal van Beethoven waard, en het volgende “meesterwerk” getuigde ook van veel inspiratie. Maar kijk me nu, toen ze bij het werk van de deelnemers aan het spel arriveerden, toen trok de expert aan zijn lip, krabde zich over de kop, en sprak “terwijl hier, dat lijkt me wel eerder de inspiratie van de kunstacademie”.
Onnodig te zeggen dat, toen hij eenmaal hoorde dat er eentje eigenlijk nep was, hij onmiddellijk terugdacht aan de kunstacademie, en onze deelnemers hadden gefaald in hun opdracht.
En ik zat met een existentiële crisis. Ik was er nochtans héél zeker van geweest. Het is, nogmaals, onmogelijk dat er een verschil tussen al die spullen gemaakt kan worden, het is allemaal pure poppekast. Hoe - kan - dat - nu?Ik weet het! Dat programma is doorgestoken kaart! Want de feiten mogen dan niet kloppen, maar de theorie is toch juist.
Of niet soms?
En aangezien ik altijd alles beter weet, en ik ervan overtuigd ben dat de zogenaamde moderne en abstracte kunst één groot complot is om een bende snobs zichzelf en elkaar de indruk te geven dat ze iets voorstellen (terwijl hun productsels op een bestek van enkele weken rijp zijn voor de vergetelheid), zat ik me geweldig te verkneukelen. De deelnemers togen aan het werk, en op basis van allerlei ideeën (“die twee pijpen stellen het verlangen naar de horizon, en dus de oneindigheid voor”: tuurlijk, tuurlijk) wrochtten zij hun abstract kunstwerk bij elkaar. En natuurlijk was het onmogelijk dat iemand ooit dat werk uit de rest zou kunnen halen: ik had het toch zeker zelf gezegd?
En het kunstwerk kwam temidden van de tentoontstelling terecht en de expert uit Madrid arriveerde, en het bezoek begon. Ik herinner me onder andere dat er een taart met allerlei spijkers in geslagen tussen stond – alsof iemand ooit dààrvan het verschil met een haastig in mekaar geflanst stel buizen zou kunnen zien!
De expert becommentariëerde plichtsgetrouw alle vertoonde gedrochten, en kraamde daarbij de obligate, en door mij voorspelde onzin uit. Veel dramatiek hier, veel gevoel daar, de taart met spijkers was alweer heel wat punten op de schaal van Beethoven waard, en het volgende “meesterwerk” getuigde ook van veel inspiratie. Maar kijk me nu, toen ze bij het werk van de deelnemers aan het spel arriveerden, toen trok de expert aan zijn lip, krabde zich over de kop, en sprak “terwijl hier, dat lijkt me wel eerder de inspiratie van de kunstacademie”.
Onnodig te zeggen dat, toen hij eenmaal hoorde dat er eentje eigenlijk nep was, hij onmiddellijk terugdacht aan de kunstacademie, en onze deelnemers hadden gefaald in hun opdracht.
En ik zat met een existentiële crisis. Ik was er nochtans héél zeker van geweest. Het is, nogmaals, onmogelijk dat er een verschil tussen al die spullen gemaakt kan worden, het is allemaal pure poppekast. Hoe - kan - dat - nu?Ik weet het! Dat programma is doorgestoken kaart! Want de feiten mogen dan niet kloppen, maar de theorie is toch juist.
Of niet soms?
dinsdag 5 december 2006
"Chimpanzee Politics": Een nieuwe toepassing
(Voor de term "Chimpanzee Politics", zie:
http://speelsmaarserieus.blogspot.com/2006/10/chimpanzee-politics.html
http://speelsmaarserieus.blogspot.com/2006/10/chimpanzee-politics-en-evolutietheorie.html )
Hier is de stelling. De mens is één van pakweg 200 soorten apen. Zoals je een apensoort - zeg: de baviaan - kan bestuderen op zijn sociaal (of seksueel, of ecologisch, of whatever) gedrag, zo kan je dat ook bij de mens. En de eerste toepassing halen hobbyfilosofen (laat me er vooral duidelijk bijzeggen dat wetenschappers hiermee zeer terughoudend omgaan) uit het boek hierboven. Ieder zinnig mens die een eerste (laat staan volgende) blik werpt op wat wij "politiek" noemen, kan zijn ogen en oren niet geloven, en vervolgens legt hij er zich zuchtend bij neer dat het toch zo gaat. En als we er aan herinneren dat de clownerij ons uiteindelijk veel geld kost (uitverkoop van overheidsgebouwen gevolgd door lease-back levert echt heel, heel veel kandidaat kopers op... conclusies, iemand?)... Zelfde reactie! "Het werkt nu eenmaal zo"!
Hoe, "het werkt nu eenmaal zo"? Hoe is het eigenlijk godsmogelijk dat een André "alles is volgens de procedures verlopen" Flahaut nog vrij rondloopt - laat staan nog altijd op zijn stoel zit? Hoe komt het dat de Waalse PS intussen ronddobbert op een beerput van zodanige omvang dat het de Walen zelf opvalt, en dat ze vervolgens de facto de absolute meerderheid behalen? Dat is toch in werkelijkheid zo absurd dat er geen woorden meer voor zijn? En toch kunnen we een lijst soortgelijke voorbeelden aanleggen van hier tot in Shanghai.
Om een beetje te begrijpen hoe dat kan moeten we het verschijnsel in sterk verdunde toestand bekijken. Iedereen die werkt voor een commerciëel bedrijf kent de ervaring dat bepaalde maatregelen een goed idee zouden zijn - maar het gebeurt niet. En iedereen heeft al meegmaakt dat de één of de ander vervolgens de ogen naar het plafond rolt, en opmerkt, "het is allemaal (jawel...) politiek". Daarmee liggen de feiten op tafel. Een commerciëel bedrijf maakt goederen of levert diensten en probeert die aan de man te brengen voor meer dan de kosten van de productie. Dat is in ruime mate een rationeel, berekenbaar proces. En tegelijk interfereert daarmee geregeld een heel ander proces, en iedereen noemt dat ander proces spontaan "politiek". Juist omdat de "politiek" in het geval van rationele ondernemingen heel sterk in bedwang wordt gehouden door die beredeneerbaarheid, krijg je niet zo vaak de excessen te zien die je wel krijgt in de "echte" (sic! Voel je hoe ze er nog trots op zijn ook?) politiek. Zo verschijnt in verdunde toestand de realiteit voor onze ogen. Ons gedrag is een resultante van heel verschillende, zelfs contradictorische oorzaken. Van die complexe causaliteit vormt de rationele component maar een klein onderdeel.
Wat is dan die heel andere component, en waar komt die vandaan? Wel, de mens is één van 200 soorten apen, remember? En wat we te zien krijgen wanneer we het sociaal gedrag van een stel chimpansees bestuderen, is precies het soort "politiek" gedrag dat we bij onze politiek ook te zien krijgen. Voor de chimpansee is het alleen maar een voortplantingsstrategie: de mannetjes krijgen meer nakomelingen naarmate ze hoger in in de hiërarchie staan, en de rest staat nog steeds in die url's hierboven. We vertonen dus een gedrag dat we gemeenschappelijk hebben met onze naaste verwant de chimpansee, hetgeen suggereert dat we de drager zijn van een miljoenen jaren oude erfenis.
Daarentegen is een beredeneerd, rationeel optreden een kunst die we nog maar enkele duizenden tot tienduizenden jaren machtig zijn. Waarop verwacht je nu zelf dat de mensheid bij de eerste de beste spanning zal terugvallen - die "rationalistische" nieuwlichterij, of het soort strategie dat gedurende miljoenen jaren tot overleving heeft geleid? En ziedaar de richting waarin we volgens mij de oplossing van het raadsel "politiek" moeten zoeken. Het is, in alle letterlijkheid, een apengedrag. En dat verklaart, in alle letterlijkheid, heel veel.
Maar zijn er nog meer dingen die het verklaart? Ik lees in de krant dat een groepje jongeren met stenen werd bekogeld, omdat ze joden zijn. De stenengooiers hadden een moslimachtergrond. Moeten we de verklaring zoeken in hun religieuze gevoelens, en - dit is doorgaans maar een kleine stap voor de mensheid, maar eigenlijk wel een gigantische sprong in het duister voor de intellectuele hygiëne - bijgevolg in de "inherent" "kwaadaardige" (of zoiets) Islam?
Maar het zou niet de eerste keer zijn dat de stenengooiers wel een Islam achtergrond hebben, maar nooit in zich zouden laten opkomen om te streven naar het leven van onderwerping, berusting en (vooral?) onthechting dat daarmee in verband staat. Dus misschien moeten we de verklaring ergens anders zoeken? Wat zou er gebeuren wanneer in een chimpansee samenleving een stel jonge mannetjes niets te doen had, gemarginalizeerd leefde aan de rand van de samenleving met weinig hoop op toekomst? Gegarandeerd boel, dat is wat er van zou komen, en veel, en rap, en erg. En zeker begrijp ik dat in de botsing tussen twee culturen, die met niet eens heel veel duwen en trekken al millennia bezig is, de verleiding om te zeggen dat het aan de cultuur ligt - aan de cultuur van de anderen, natuurlijk - zeer groot is. Maar ik denk dat het afreageren van emoties, eerder dan het werkelijk zoeken naar verklaringen weliswaar oplucht, maar ons niet veel vooruit helpt. Ik denk dat het juiste spoor is dat het gedrag van de vandalen en stenengooiers apengedrag is. En dat het ons eigen apengedrag is dat het ons zo moeilijk maakt dat te zien.
http://speelsmaarserieus.blogspot.com/2006/10/chimpanzee-politics.html
http://speelsmaarserieus.blogspot.com/2006/10/chimpanzee-politics-en-evolutietheorie.html )
Hier is de stelling. De mens is één van pakweg 200 soorten apen. Zoals je een apensoort - zeg: de baviaan - kan bestuderen op zijn sociaal (of seksueel, of ecologisch, of whatever) gedrag, zo kan je dat ook bij de mens. En de eerste toepassing halen hobbyfilosofen (laat me er vooral duidelijk bijzeggen dat wetenschappers hiermee zeer terughoudend omgaan) uit het boek hierboven. Ieder zinnig mens die een eerste (laat staan volgende) blik werpt op wat wij "politiek" noemen, kan zijn ogen en oren niet geloven, en vervolgens legt hij er zich zuchtend bij neer dat het toch zo gaat. En als we er aan herinneren dat de clownerij ons uiteindelijk veel geld kost (uitverkoop van overheidsgebouwen gevolgd door lease-back levert echt heel, heel veel kandidaat kopers op... conclusies, iemand?)... Zelfde reactie! "Het werkt nu eenmaal zo"!
Hoe, "het werkt nu eenmaal zo"? Hoe is het eigenlijk godsmogelijk dat een André "alles is volgens de procedures verlopen" Flahaut nog vrij rondloopt - laat staan nog altijd op zijn stoel zit? Hoe komt het dat de Waalse PS intussen ronddobbert op een beerput van zodanige omvang dat het de Walen zelf opvalt, en dat ze vervolgens de facto de absolute meerderheid behalen? Dat is toch in werkelijkheid zo absurd dat er geen woorden meer voor zijn? En toch kunnen we een lijst soortgelijke voorbeelden aanleggen van hier tot in Shanghai.
Om een beetje te begrijpen hoe dat kan moeten we het verschijnsel in sterk verdunde toestand bekijken. Iedereen die werkt voor een commerciëel bedrijf kent de ervaring dat bepaalde maatregelen een goed idee zouden zijn - maar het gebeurt niet. En iedereen heeft al meegmaakt dat de één of de ander vervolgens de ogen naar het plafond rolt, en opmerkt, "het is allemaal (jawel...) politiek". Daarmee liggen de feiten op tafel. Een commerciëel bedrijf maakt goederen of levert diensten en probeert die aan de man te brengen voor meer dan de kosten van de productie. Dat is in ruime mate een rationeel, berekenbaar proces. En tegelijk interfereert daarmee geregeld een heel ander proces, en iedereen noemt dat ander proces spontaan "politiek". Juist omdat de "politiek" in het geval van rationele ondernemingen heel sterk in bedwang wordt gehouden door die beredeneerbaarheid, krijg je niet zo vaak de excessen te zien die je wel krijgt in de "echte" (sic! Voel je hoe ze er nog trots op zijn ook?) politiek. Zo verschijnt in verdunde toestand de realiteit voor onze ogen. Ons gedrag is een resultante van heel verschillende, zelfs contradictorische oorzaken. Van die complexe causaliteit vormt de rationele component maar een klein onderdeel.
Wat is dan die heel andere component, en waar komt die vandaan? Wel, de mens is één van 200 soorten apen, remember? En wat we te zien krijgen wanneer we het sociaal gedrag van een stel chimpansees bestuderen, is precies het soort "politiek" gedrag dat we bij onze politiek ook te zien krijgen. Voor de chimpansee is het alleen maar een voortplantingsstrategie: de mannetjes krijgen meer nakomelingen naarmate ze hoger in in de hiërarchie staan, en de rest staat nog steeds in die url's hierboven. We vertonen dus een gedrag dat we gemeenschappelijk hebben met onze naaste verwant de chimpansee, hetgeen suggereert dat we de drager zijn van een miljoenen jaren oude erfenis.
Daarentegen is een beredeneerd, rationeel optreden een kunst die we nog maar enkele duizenden tot tienduizenden jaren machtig zijn. Waarop verwacht je nu zelf dat de mensheid bij de eerste de beste spanning zal terugvallen - die "rationalistische" nieuwlichterij, of het soort strategie dat gedurende miljoenen jaren tot overleving heeft geleid? En ziedaar de richting waarin we volgens mij de oplossing van het raadsel "politiek" moeten zoeken. Het is, in alle letterlijkheid, een apengedrag. En dat verklaart, in alle letterlijkheid, heel veel.
Maar zijn er nog meer dingen die het verklaart? Ik lees in de krant dat een groepje jongeren met stenen werd bekogeld, omdat ze joden zijn. De stenengooiers hadden een moslimachtergrond. Moeten we de verklaring zoeken in hun religieuze gevoelens, en - dit is doorgaans maar een kleine stap voor de mensheid, maar eigenlijk wel een gigantische sprong in het duister voor de intellectuele hygiëne - bijgevolg in de "inherent" "kwaadaardige" (of zoiets) Islam?
Maar het zou niet de eerste keer zijn dat de stenengooiers wel een Islam achtergrond hebben, maar nooit in zich zouden laten opkomen om te streven naar het leven van onderwerping, berusting en (vooral?) onthechting dat daarmee in verband staat. Dus misschien moeten we de verklaring ergens anders zoeken? Wat zou er gebeuren wanneer in een chimpansee samenleving een stel jonge mannetjes niets te doen had, gemarginalizeerd leefde aan de rand van de samenleving met weinig hoop op toekomst? Gegarandeerd boel, dat is wat er van zou komen, en veel, en rap, en erg. En zeker begrijp ik dat in de botsing tussen twee culturen, die met niet eens heel veel duwen en trekken al millennia bezig is, de verleiding om te zeggen dat het aan de cultuur ligt - aan de cultuur van de anderen, natuurlijk - zeer groot is. Maar ik denk dat het afreageren van emoties, eerder dan het werkelijk zoeken naar verklaringen weliswaar oplucht, maar ons niet veel vooruit helpt. Ik denk dat het juiste spoor is dat het gedrag van de vandalen en stenengooiers apengedrag is. En dat het ons eigen apengedrag is dat het ons zo moeilijk maakt dat te zien.
maandag 4 december 2006
Socratische Dialoog, met Poedels
Rollen:
Dionysodorus: Sofist
Socrates: Filosoof
Sofist: “De bijbel zegt dat alle soorten zich voortplanten binnen hun soort. En inderdaad, een kat krijgt nooit hondjes, en een hond werpt nooit katjes. Bijgevolg kan de evolutietheorie niet waar zijn: de soortgrens kan niet gepasseerd worden.
Socrates: “Drommels, Dionysodorus, dat is sterk! Maar zeg me eerst eens of ik het wel goed begrijp. Dus als een hond jongen krijgt, dan zijn dat ook honden, juist?”
Sofist: “Wel, natuurlijk, Socrates, dat weet ge toch zelf ook.”
Socrates: “Zeker, maar toch, laat me even doordenken. Dus als die jongen later zelf ook jongen krijgen, dan zijn dat ook weer honden, en zo ook voor de volgende generatie, en zo voort, om het even hoe lang?
Sofist: “Het is precies zoals gij het zegt, Socrates.”
Socrates: “En dus, als van twee individuen de één een nakomeling is van de andere, om het even hoeveel verschil in tijd of generaties er is, dan horen ze tot dezelfde soort? En dat volgt allemaal uit het feit dat de soortgrens niet kan overschreden worden?”
Sofist: “Zeker, Socrates.
Socrates: “Ik begrijp het. Maar zeg me nu eens, hebt gij ook al bemerkt dat binnen een soort geen twee individuen ooit precies gelijk zijn?”
Sofist: “Dat spreekt toch vanzelf, Socrates?
Socrates: “En hebt gij ook al bemerkt dat sommige van die verschillen van vader en moeder op kinderen worden doorgegeven? Zoals wanneer blanke mensen blanke kinderen krijgen, en zwarte mensen zwarte kinderen krijgen?”
Sofist: “Zeker.”
Socrates: “En meent gij soms dat alle individuen evenveel nakomelingen krijgen?”
Sofist: “Heel zeker niet, Socrates! Dat moet gij toch ook weten, dat sommige individuen helemaal geen nakomelingen krijgen, en andere enkele, en sommige zelfs velen.”
Socrates: “Hemel, Dionysodorus, ge stelt me helemaal gerust! Dat is nu precies wat ik zelf ook dacht! En zeg me eens, waarvan hangt dat af, denkt ge, of iemand veel of weinig, of helemaal geen nakomelingen krijgt?”
Sofist: “Wel, Socrates, het kan van erg veel dingen afhangen, bijvoorbeeld, van die verschillen tussen de de individuen onderling, waarover ge het zojuist had.”
Socrates: “Maar stel dan eens dat we een kenmerk vinden dat sommige individuen een grotere kans gaf om meer nakomelingen te krijgen dan andere. En stel dat dat kenmerk ook erfelijk was. Meent ge dan niet dat met het verstrijken van de generaties dat kenmerk meer en meer zou voorkomen? Immers, als het kenmerk helpt in vergelijking met zij die het niet hebben, dan moeten er in de volgende generatie iets meer nakomelingen van individuen met dat kenmerk zien. En als dat kenmerk ook nog erfelijk is, dan moeten die individuen niet alleen met meer zijn, maar zelf ook dat kenmerk hebben. En daarna weer, en dan opnieuw, enzovoort, tot er een aanzienlijke verschuiving in dezelfde richting optreedt?”
Sofist: “Zeker, Socrates, maar dan hebben we het alleen over variatie binnen de soort! Het is niet omdat konijnen met de generaties beter kunnen lopen voor de vos, dat de konijnen daarmee in vossen veranderen.”
Socrates: “Hmmmmm, een zeer sterk punt, beste Dionysodorus, ik denk dat je me bijna overtuigd hebt. Maar toch, één klein puntje zoudt ge me toch nog moeten helpen ophelderen. We weten, omdat wij mensen daar zelf voor hebben gezorgd, dat op enkele duizenden jaren tijd, uit wolven honden zijn gefokt.”
Sofist: “Dat is zo.”
Socrates: “En een individu dat een nakomeling is van een ander individu, is altijd lid van dezelfde soort als dat eerste individu?”
Sofist: “Zo zijn we daarstraks overeengekomen.”
Socrates: “Ongeacht het aantal stappen dat daartussen zit?”
Sofist: “Zeker, Socrates, dat was de consequentie van het feit dat de soortgrens niet kan doorbroken worden.”
Socrates: “Maar als honden na al die generaties fokken honden zijn, en tegelijk, vermits de soortgrens niet kan doorbroken worden, wolven zijn, dan zijn honden eigenlijk wolven?”
Sofist: “Daar lijkt het wel op.”
Socrates: “Maar laten we dan het voorbeeld van de poedels nemen...”
Sofist: “Poedels? Bestaan er dan poedels?
Socrates: “Nu nog niet, maar over 2,500 jaar, wanneer deze dialoog zal geschreven worden (we kunnen Plato toch niet al het werk alléén laten doen?) zullen er wèl poedels zijn. Daaruit volgt: mensen zullen van sommige honden van vandaag de kleinste exemplaren kiezen, en die met het meeste krulletjes, en die er het meest snoezig uitzien in de ogen van oude dames en jonge kinderen, en die zullen ze het meeste kleine hondjes laten krijgen. En wanneer daaruit nieuwe generaties honden op de wereld komen, die overeenkomstig jouw “variatie binnen de soort” een beetje op de poedels van over 2,500 jaar lijken, dan zullen mensen daaruit wéér die individuen die meest op die poedels lijken meer nakomelingen laten krijgen dan de andere, enzovoort, generatie na generatie. En zullen er op die manier op het einde, als we dat lang genoeg hebben volgehouden, geen poedels zijn, klein, schattig, met belachelijke staartjes en krulletjes?"
Sofist: “Nu ge het zegt, ik denk het wel.”
Socrates: “Maar aangezien die poedels de nakomelingen zullen zijn van de honden van vandaag, behoren ze toch, overeenkomstig wat we zonet hebben gezegd, tot dezelfde soort?”
Sofist: “Inderdaad, Socrates, tot die conclusie waren we gekomen.”
Socrates: “En als die honden van vandaag eigenlijk ook wolven waren, en vermits het er niet toe doet hoeveel generaties later een individu nakomeling is van een ander - moeten we dan niet besluiten dat poedels eigenlijk wolven zijn?”
Sofist: “Drommels, Socrates, zo gaat dat nu altijd met die Jezuïetenstreken van u. Ge kunt maar beter oppassen dat de mensen dat niet zo moe raken, dat ze u de gifbeker doen leegdrinken.”
Doek
(Noot: Deze dialoog is geïnspireerd op discussies die zich werkelijk hebben afgespeeld tussen een Getuige van Jehova en ikzelf, ongeveer in het jaar Onzes Heeren 2,005, op de nieuwsgroep nl.religie. Het grapje met het vergiftigen op het einde is niet iets waarmee de creationist heeft gedreigd, maar een knipoog naar de historische gebeurtenissen van lang geleden.)
Dionysodorus: Sofist
Socrates: Filosoof
Sofist: “De bijbel zegt dat alle soorten zich voortplanten binnen hun soort. En inderdaad, een kat krijgt nooit hondjes, en een hond werpt nooit katjes. Bijgevolg kan de evolutietheorie niet waar zijn: de soortgrens kan niet gepasseerd worden.
Socrates: “Drommels, Dionysodorus, dat is sterk! Maar zeg me eerst eens of ik het wel goed begrijp. Dus als een hond jongen krijgt, dan zijn dat ook honden, juist?”
Sofist: “Wel, natuurlijk, Socrates, dat weet ge toch zelf ook.”
Socrates: “Zeker, maar toch, laat me even doordenken. Dus als die jongen later zelf ook jongen krijgen, dan zijn dat ook weer honden, en zo ook voor de volgende generatie, en zo voort, om het even hoe lang?
Sofist: “Het is precies zoals gij het zegt, Socrates.”
Socrates: “En dus, als van twee individuen de één een nakomeling is van de andere, om het even hoeveel verschil in tijd of generaties er is, dan horen ze tot dezelfde soort? En dat volgt allemaal uit het feit dat de soortgrens niet kan overschreden worden?”
Sofist: “Zeker, Socrates.
Socrates: “Ik begrijp het. Maar zeg me nu eens, hebt gij ook al bemerkt dat binnen een soort geen twee individuen ooit precies gelijk zijn?”
Sofist: “Dat spreekt toch vanzelf, Socrates?
Socrates: “En hebt gij ook al bemerkt dat sommige van die verschillen van vader en moeder op kinderen worden doorgegeven? Zoals wanneer blanke mensen blanke kinderen krijgen, en zwarte mensen zwarte kinderen krijgen?”
Sofist: “Zeker.”
Socrates: “En meent gij soms dat alle individuen evenveel nakomelingen krijgen?”
Sofist: “Heel zeker niet, Socrates! Dat moet gij toch ook weten, dat sommige individuen helemaal geen nakomelingen krijgen, en andere enkele, en sommige zelfs velen.”
Socrates: “Hemel, Dionysodorus, ge stelt me helemaal gerust! Dat is nu precies wat ik zelf ook dacht! En zeg me eens, waarvan hangt dat af, denkt ge, of iemand veel of weinig, of helemaal geen nakomelingen krijgt?”
Sofist: “Wel, Socrates, het kan van erg veel dingen afhangen, bijvoorbeeld, van die verschillen tussen de de individuen onderling, waarover ge het zojuist had.”
Socrates: “Maar stel dan eens dat we een kenmerk vinden dat sommige individuen een grotere kans gaf om meer nakomelingen te krijgen dan andere. En stel dat dat kenmerk ook erfelijk was. Meent ge dan niet dat met het verstrijken van de generaties dat kenmerk meer en meer zou voorkomen? Immers, als het kenmerk helpt in vergelijking met zij die het niet hebben, dan moeten er in de volgende generatie iets meer nakomelingen van individuen met dat kenmerk zien. En als dat kenmerk ook nog erfelijk is, dan moeten die individuen niet alleen met meer zijn, maar zelf ook dat kenmerk hebben. En daarna weer, en dan opnieuw, enzovoort, tot er een aanzienlijke verschuiving in dezelfde richting optreedt?”
Sofist: “Zeker, Socrates, maar dan hebben we het alleen over variatie binnen de soort! Het is niet omdat konijnen met de generaties beter kunnen lopen voor de vos, dat de konijnen daarmee in vossen veranderen.”
Socrates: “Hmmmmm, een zeer sterk punt, beste Dionysodorus, ik denk dat je me bijna overtuigd hebt. Maar toch, één klein puntje zoudt ge me toch nog moeten helpen ophelderen. We weten, omdat wij mensen daar zelf voor hebben gezorgd, dat op enkele duizenden jaren tijd, uit wolven honden zijn gefokt.”
Sofist: “Dat is zo.”
Socrates: “En een individu dat een nakomeling is van een ander individu, is altijd lid van dezelfde soort als dat eerste individu?”
Sofist: “Zo zijn we daarstraks overeengekomen.”
Socrates: “Ongeacht het aantal stappen dat daartussen zit?”
Sofist: “Zeker, Socrates, dat was de consequentie van het feit dat de soortgrens niet kan doorbroken worden.”
Socrates: “Maar als honden na al die generaties fokken honden zijn, en tegelijk, vermits de soortgrens niet kan doorbroken worden, wolven zijn, dan zijn honden eigenlijk wolven?”
Sofist: “Daar lijkt het wel op.”
Socrates: “Maar laten we dan het voorbeeld van de poedels nemen...”
Sofist: “Poedels? Bestaan er dan poedels?
Socrates: “Nu nog niet, maar over 2,500 jaar, wanneer deze dialoog zal geschreven worden (we kunnen Plato toch niet al het werk alléén laten doen?) zullen er wèl poedels zijn. Daaruit volgt: mensen zullen van sommige honden van vandaag de kleinste exemplaren kiezen, en die met het meeste krulletjes, en die er het meest snoezig uitzien in de ogen van oude dames en jonge kinderen, en die zullen ze het meeste kleine hondjes laten krijgen. En wanneer daaruit nieuwe generaties honden op de wereld komen, die overeenkomstig jouw “variatie binnen de soort” een beetje op de poedels van over 2,500 jaar lijken, dan zullen mensen daaruit wéér die individuen die meest op die poedels lijken meer nakomelingen laten krijgen dan de andere, enzovoort, generatie na generatie. En zullen er op die manier op het einde, als we dat lang genoeg hebben volgehouden, geen poedels zijn, klein, schattig, met belachelijke staartjes en krulletjes?"
Sofist: “Nu ge het zegt, ik denk het wel.”
Socrates: “Maar aangezien die poedels de nakomelingen zullen zijn van de honden van vandaag, behoren ze toch, overeenkomstig wat we zonet hebben gezegd, tot dezelfde soort?”
Sofist: “Inderdaad, Socrates, tot die conclusie waren we gekomen.”
Socrates: “En als die honden van vandaag eigenlijk ook wolven waren, en vermits het er niet toe doet hoeveel generaties later een individu nakomeling is van een ander - moeten we dan niet besluiten dat poedels eigenlijk wolven zijn?”
Sofist: “Drommels, Socrates, zo gaat dat nu altijd met die Jezuïetenstreken van u. Ge kunt maar beter oppassen dat de mensen dat niet zo moe raken, dat ze u de gifbeker doen leegdrinken.”
Doek
(Noot: Deze dialoog is geïnspireerd op discussies die zich werkelijk hebben afgespeeld tussen een Getuige van Jehova en ikzelf, ongeveer in het jaar Onzes Heeren 2,005, op de nieuwsgroep nl.religie. Het grapje met het vergiftigen op het einde is niet iets waarmee de creationist heeft gedreigd, maar een knipoog naar de historische gebeurtenissen van lang geleden.)
zondag 3 december 2006
Testosteron
In het postje waarin ik gered werd door een bonobo kwam het verschijnsel “girl talk” voor (1). Natuurlijk heb ikzelf, een mannetje, geen mogelijkheid om te weten wat er werkelijk besproken wordt wanneer een stel vrouwtjes gezellig onder elkaar zit te keuvelen. Maar waar ik dan weer ruime ervaring mee heb is wat er besproken wordt wanneer er een stel mannetjes onder elkaar zit te keuvelen. En daar zat ik na die post nog wat over door te peinzen, en ineens viel me weer iets in dat me – om eerlijk te zijn: ook al weer een hele tijd geleden – ooit sterk getroffen heeft.
Hopelijk verwacht niemand op dit punt enkele stomende bekentenissen, want verder dan één van de vele mogelijke flauwiteiten raakt dit voorbeeld niet. Het gaat er om dat wij, de mannetjes van onze soort, allemaal zeer vertrouwd zijn met het verschijnsel waarbij wij, nogal onverwacht, nogal onheus, soms, worden afgeblaft door één van de vele vrouwtjes die onze soort rijk is. En in de volgende exclusieve mannetjes vergadering komt dat dan uitgebreid (en op verongelijkte toon) aan bod, en dan is het een kwestie van tijd – van pijnlijk weinig tijd - voor er eentje opmerkt “het verkeerde moment van de maand”, gevolgd door gegniffel alom, en iedereen voelt zich weer opperbest.
En dat heeft eigenlijk iets waarlijk pathetisch’. Laten we even wat simpele feiten bekijken. Vrouwen leven gemiddeld een pak langer dan mannen: dat heeft veel te maken met een bepaald soort gedrag. “Ooit al een vrouw met gierende banden zien wegrijden bij een dancing?” Verder ken ik de preciese cijfers niet, maar als ik beweer dat mannen 90% van de misdrijven plegen, dan krijg je een beeld van het idee. In twee woorden, het mogen de vrouwen zijn die willen opvallen in termen van juwelen en kleren, maar het zijn de mannetjes die willen opvallen met pronk- en imponeergedrag; en het mag iets kosten in termen van risico. Genoeg om een zichtbaar verschil te maken in de overlevingsstatistieken: gierende banden, sneller, luider, roker en drinker, zolang het maar stoer staat (meestal alleen in hun eigen ogen, dan nog).
Als je je vervolgens afvraagt: hoe komt dat; wat is de fysieke oorzaak van het feit dat die mannetjes als groep zich zo apart gedragen dat de vergelijking met een stel kleuters vaak zal vallen (vanzelfsprekend in één van die typische exclusieve bijeenkomsten van vrouwtjes), dan is het antwoord: testosteron. We kunnen nu ook nog lange omwegen maken naar evolutietheorie en natuurlijke selectie over de vraag hoe dat dan weer precies komt, maar het punt is, mannetjes zitten gewoon voortdurend tjokvol testosteron. Niet één keer per maand, gedurende een paar dagen. Neenee, elke dag opnieuw, van ’s morgens tot ’s avonds, tot en met in hun dromen.
En die jokers komen nu op het idee om zichzelf heel slim te vinden, als ze grapjes maken over vrouwen, als die het enkele dagen per maand ook eens voor hebben. Je moet er maar opkomen, nietwaar?
--------------------------------------------
(1) http://speelsmaarserieus.blogspot.com/2006/11/geholpen-door-de-bonobo.html
Hopelijk verwacht niemand op dit punt enkele stomende bekentenissen, want verder dan één van de vele mogelijke flauwiteiten raakt dit voorbeeld niet. Het gaat er om dat wij, de mannetjes van onze soort, allemaal zeer vertrouwd zijn met het verschijnsel waarbij wij, nogal onverwacht, nogal onheus, soms, worden afgeblaft door één van de vele vrouwtjes die onze soort rijk is. En in de volgende exclusieve mannetjes vergadering komt dat dan uitgebreid (en op verongelijkte toon) aan bod, en dan is het een kwestie van tijd – van pijnlijk weinig tijd - voor er eentje opmerkt “het verkeerde moment van de maand”, gevolgd door gegniffel alom, en iedereen voelt zich weer opperbest.
En dat heeft eigenlijk iets waarlijk pathetisch’. Laten we even wat simpele feiten bekijken. Vrouwen leven gemiddeld een pak langer dan mannen: dat heeft veel te maken met een bepaald soort gedrag. “Ooit al een vrouw met gierende banden zien wegrijden bij een dancing?” Verder ken ik de preciese cijfers niet, maar als ik beweer dat mannen 90% van de misdrijven plegen, dan krijg je een beeld van het idee. In twee woorden, het mogen de vrouwen zijn die willen opvallen in termen van juwelen en kleren, maar het zijn de mannetjes die willen opvallen met pronk- en imponeergedrag; en het mag iets kosten in termen van risico. Genoeg om een zichtbaar verschil te maken in de overlevingsstatistieken: gierende banden, sneller, luider, roker en drinker, zolang het maar stoer staat (meestal alleen in hun eigen ogen, dan nog).
Als je je vervolgens afvraagt: hoe komt dat; wat is de fysieke oorzaak van het feit dat die mannetjes als groep zich zo apart gedragen dat de vergelijking met een stel kleuters vaak zal vallen (vanzelfsprekend in één van die typische exclusieve bijeenkomsten van vrouwtjes), dan is het antwoord: testosteron. We kunnen nu ook nog lange omwegen maken naar evolutietheorie en natuurlijke selectie over de vraag hoe dat dan weer precies komt, maar het punt is, mannetjes zitten gewoon voortdurend tjokvol testosteron. Niet één keer per maand, gedurende een paar dagen. Neenee, elke dag opnieuw, van ’s morgens tot ’s avonds, tot en met in hun dromen.
En die jokers komen nu op het idee om zichzelf heel slim te vinden, als ze grapjes maken over vrouwen, als die het enkele dagen per maand ook eens voor hebben. Je moet er maar opkomen, nietwaar?
--------------------------------------------
(1) http://speelsmaarserieus.blogspot.com/2006/11/geholpen-door-de-bonobo.html
vrijdag 1 december 2006
Zelfs de hond
Sinds enkele dagen kunnen we in de kranten het proces volgen tegen een man die de driejarige kleuter Stefke heeft doodgeslagen. Met tientallen en tientallen klappen en vuistslagen. Volgens de dader was het een "ongeluk" - maar dat is niet de reden waarom ik het er na enkele dagen toch over heb. Wel verwijt iemand (die altijd veel wijzer is geweest dan ikzelf) me dat ik een sentimenteel trekje (in de pejoratieve zin) heb. Dus is dat misschien de reden dat ik tranen voel opkomen als ik lees dat de laatste woorden van Stefke "ik ben moe maar ik kan niet slapen" waren. Het gevaar op valse sentimentaliteit maakte dat ik het ongepast vond om er over te bloggen. Als papa van baby Sarah verbeteren mijn emotionele reacties overigens niet wanneer ik lees dat het kind onder de slagenregen wegkroop in zijn bedje. Dat is nu eenmaal omdat de scène van een kind in een bedje voor mij te veel doet denken aan een warm nestje, eerder dan wat ik me daar in dit verhaal moet bij voorstellen, en dus ben ik niet objectief: geen goed uitgangspunt om er veel over te zeggen.
Overigens zitten we nog steeds met het feit dat het "ongeluk" maar bleef doorgaan, zelfs toen het kind al zat weggekropen in zijn bedje, maar goed. Ikzelf ben dol op gelegenheden tot "bijtend sarcasme" en teksten die "druipen van hoon" (allemaal verwijten, ongetwijfeld terecht, die nog in mijn oren galmen van mijn tijd op usenet), maar zie dat de aanklager daar nog veel en veel beter werk van gemaakt heeft dan ik ooit had kunnen doen. Dus daarvoor hoef ik er ook al niet meer over te beginnen.
En dus is het enige wat overblijft een neerslachtig, gedeprimeerd gevoel, dat onder verdenking staat een uitdrukking van "sentimentaliteit" te zijn. Iets heel anders, dus, dan het donkere, maar nobele, gevoel van wanhoop aan de mensheid dat, naar het schijnt, alle filosofen af en toe bekruipt: tot en met hobbyfilosofen zoals ikzelf. Elke post daarover zou niets anders zijn dan een oefening in zelfbeklag, in "zie eens hoe erg ik dat vind". En dus kwam die post er niet.
Wat de zaak veranderd heeft is dat ik nu ook nog lees dat tijdens het "ongeluk" - dat zijn nog steeds die vele tientallen klappen waarmee een kleuter werd dood geslagen - de hond, u leest het goed: de hond van de dader heeft geprobeerd tussenbeide te komen. Zelfs de hond. Zelfs de hond had een beter benul van goed en kwaad dan de man die tot jaren later beweert dat het een "ongeluk" was.
Voor het eerst in mijn leven voel ik me als mens, tegenover een hond, beschaamd over een medemens.
Overigens zitten we nog steeds met het feit dat het "ongeluk" maar bleef doorgaan, zelfs toen het kind al zat weggekropen in zijn bedje, maar goed. Ikzelf ben dol op gelegenheden tot "bijtend sarcasme" en teksten die "druipen van hoon" (allemaal verwijten, ongetwijfeld terecht, die nog in mijn oren galmen van mijn tijd op usenet), maar zie dat de aanklager daar nog veel en veel beter werk van gemaakt heeft dan ik ooit had kunnen doen. Dus daarvoor hoef ik er ook al niet meer over te beginnen.
En dus is het enige wat overblijft een neerslachtig, gedeprimeerd gevoel, dat onder verdenking staat een uitdrukking van "sentimentaliteit" te zijn. Iets heel anders, dus, dan het donkere, maar nobele, gevoel van wanhoop aan de mensheid dat, naar het schijnt, alle filosofen af en toe bekruipt: tot en met hobbyfilosofen zoals ikzelf. Elke post daarover zou niets anders zijn dan een oefening in zelfbeklag, in "zie eens hoe erg ik dat vind". En dus kwam die post er niet.
Wat de zaak veranderd heeft is dat ik nu ook nog lees dat tijdens het "ongeluk" - dat zijn nog steeds die vele tientallen klappen waarmee een kleuter werd dood geslagen - de hond, u leest het goed: de hond van de dader heeft geprobeerd tussenbeide te komen. Zelfs de hond. Zelfs de hond had een beter benul van goed en kwaad dan de man die tot jaren later beweert dat het een "ongeluk" was.
Voor het eerst in mijn leven voel ik me als mens, tegenover een hond, beschaamd over een medemens.
donderdag 30 november 2006
Revolutie in het onderwijs!
De Standaard maakt melding van een revolutionair idee van een leraar: het onderwijs moet kennis overbrengen! Cerebrale types zoals ikzelf vinden dat natuurlijk een uitstekend idee. Maar toch. Het is een mes dat aan twee kanten snijdt, zoals persoonlijke ervaring me heeft bijgebracht op een manier die me er tot vandaag over doet blijven piekeren (1). Voor mij toch maar liever geen afgerammelde namen van koningen, data, veldslagen en, godbeware, stamtijden. En ik vergeet de catechismus.
Neen, dus, als het van mij zou afhangen zou ik wel voor het vermeerderen van de kennisoverdracht zijn, maar dan wel op een manier die niet de mensen zoals ik doet afhaken. Met andere woorden: niet de militaire dril, wel het verhalende karakter dat maakt dat de luisteraars zich zelf afvragen “waar die weg vandaan kwam, en waar hij heen ging, en wie er woonde op die zeven heuveltjes bij de oversteek van de rivier”.
Maar zoals het in de krant stond klonk het anders. Te weinig aandacht ging naar spraakkunst en grammatica.
Hmmmm... Op dit blog zijn al herhaalde malen posts verschenen met als thema “dingen die iedereen zou moeten weten”. Zonder het na te tellen schat ik dat ik van de helft daarvan ook werkelijk een poging kon wagen om het concept in een korte en begrijpelijke beschrijving samen te vatten. En van de andere helft (het relativiteitsprincipe, de Türingmachine, de entropiewet, ...) kon ik het niet.
Sta me toe me nu in te beelden dat mijn onderwijs van destijds minder aandacht had besteed aan spraakkunst en grammatica. Om eerlijk te zijn denk ik dat ik minder had geweten wat arcane begrippen als “lijdend voorwerp” en “meewerkend voorwerp” precies betekenen, maar dat dat me nauwelijks tot niet zou beletten te praten, en zelfs te schrijven. Anderzijds, als het onderwijs de vrijgekomen tijd had gebruikt om enkele dingen als “samengestelde interest” (2) duidelijk te maken, alsook “natuurlijke selectie” (3), dan had ik me nu niet de “neiging tot het belerende” moeten laten verwijten, of noodkreten over wat ik allemaal niet weet (terwijl iedereen het juist zou moeten weten) de wereld moeten insturen.
Ik kan me voorstellen dat een hoop mensen nu iets denken als “wat heb ik in godsnaam met “natuurlijke selectie” (en de rest) te maken?”. Precies. Het feit dat je je dat moet afvragen (de lezer moet hier verderlezen op zéér, zéér belerende toon, bijvoorbeeld alsof hij door zijn neus spreekt) is nu juist een symptoom van het feit dat er iets mis is – maar hoe zou je kunnen beseffen dat er iets mis is als je niet eens het (zo eenvoudige) concept van (om bij dat voorbeeld te blijven) “natuurlijke selectie” kent?
Zelfs wie niet overtuigd is stel ik voor zich af te vragen wat het alternatief is. De lezer zat, dus, destijds op de schoolbanken, waarschijnlijk in vrij sterke mate tegen zijn zin, om daar “spraakkunst en grammatica” te leren. Vraag 1, hoeveel heeft de lezer eigenlijk onthouden van al die “kennis”? Vraag 2, in welke mate helpt dat de lezer vooruit wanneer zijn kleuter hem vraagt waar de kindjes vandaan komen, en of er meer sterren zijn dan zandkorrels, en of het waar is dat we van de apen afstammen (4)? Vraag 3, OK, je zit nu in zo’n houten bank en iemand gaat je “kennis” door je strot wringen, je mag alleen beslissen wat die kennis zal zijn. Kies je voor “spraakkunst en grammatica”, of eerder voor enkele van die dingen die, bijvoorbeeld, op dit blog toch ook niet zo vreselijk vervelend zullen geweest zijn (want je zit toch tot hier te lezen)?
En dat zijn dan nog dingen die te maken hebben met het kunnen nadenken. Daarnaast is er ook nog het inzicht in feiten, dingen die je alleen maar weet omdat je ze ooit in je hebt opgenomen. Hoeveel mensen, vraag ik me af, hebben van de Spartanen alleen maar gehoord omdat ze wisten dat een “Spartaanse opvoeding” niet iets was waar ze naar zouden uitkijken? Is het denkbaar dat mijn verhaaltjes hier méér hebben bijgedragen aan het beeld dat die lezer heeft van een hoop antieke geschiedenis, dan de schoolkost van destijds? Oh, het zijn verhaaltjes zonder veel pretentie, eentje was zelfs manifest half fictie (5) (ik weet heus niet of de raadgevers van Xerxes echt bleek werden toen ze hoorden dat er driehonderd Spartanen besloten hadden een pas tegen hen te verdedigen, hoor). Maar zijn ze echt zoveel slechter als het er om gaat iets over de Spartanen te doen blijven hangen? In mijn geval was niets slechter dan het schoolsysteem, dus ook mijn verhaaltjes niet.
Ik weet het natuurlijk allemaal niet - ik kan alleen voor mezelf spreken. Maar de geregelde lezer van dit blog zal stilaan beginnen weten dat ik er sterke opinies over heb. Laat me samenvatten. Cerebrale types als ikzelf hebben er natuurlijk geen bezwaar tegen dat het onderwijs kennis wil overdragen. Maar cerebrale types als ikzelf hebben er een gigantisch groot bezwaar tegen als dat moet gebeuren op een manier die maakt dat 90% van de mensheid daar het gevoel aan overhoudt dat wetenschap, geschiedenis of filosofie doodsaai zijn. Zoals momenteel gebeurt.
----------------------------------------
(1) http://speelsmaarserieus.blogspot.com/2006/10/de-studie-van-de-geschiedenis.html
(2) http://speelsmaarserieus.blogspot.com/2006/02/dingen-die-iedereen-zou-moeten-weten.html
(3) http://speelsmaarserieus.blogspot.com/2006/03/dingen-die-iedereen-zou-moeten-weten-3.html
(4) http://speelsmaarserieus.blogspot.com/2006/05/wie-stamt-af-van-de-aap.html
(5) http://speelsmaarserieus.blogspot.com/2006/10/ga-vreemdeling-de-spartanen-vertellen.html
Neen, dus, als het van mij zou afhangen zou ik wel voor het vermeerderen van de kennisoverdracht zijn, maar dan wel op een manier die niet de mensen zoals ik doet afhaken. Met andere woorden: niet de militaire dril, wel het verhalende karakter dat maakt dat de luisteraars zich zelf afvragen “waar die weg vandaan kwam, en waar hij heen ging, en wie er woonde op die zeven heuveltjes bij de oversteek van de rivier”.
Maar zoals het in de krant stond klonk het anders. Te weinig aandacht ging naar spraakkunst en grammatica.
Hmmmm... Op dit blog zijn al herhaalde malen posts verschenen met als thema “dingen die iedereen zou moeten weten”. Zonder het na te tellen schat ik dat ik van de helft daarvan ook werkelijk een poging kon wagen om het concept in een korte en begrijpelijke beschrijving samen te vatten. En van de andere helft (het relativiteitsprincipe, de Türingmachine, de entropiewet, ...) kon ik het niet.
Sta me toe me nu in te beelden dat mijn onderwijs van destijds minder aandacht had besteed aan spraakkunst en grammatica. Om eerlijk te zijn denk ik dat ik minder had geweten wat arcane begrippen als “lijdend voorwerp” en “meewerkend voorwerp” precies betekenen, maar dat dat me nauwelijks tot niet zou beletten te praten, en zelfs te schrijven. Anderzijds, als het onderwijs de vrijgekomen tijd had gebruikt om enkele dingen als “samengestelde interest” (2) duidelijk te maken, alsook “natuurlijke selectie” (3), dan had ik me nu niet de “neiging tot het belerende” moeten laten verwijten, of noodkreten over wat ik allemaal niet weet (terwijl iedereen het juist zou moeten weten) de wereld moeten insturen.
Ik kan me voorstellen dat een hoop mensen nu iets denken als “wat heb ik in godsnaam met “natuurlijke selectie” (en de rest) te maken?”. Precies. Het feit dat je je dat moet afvragen (de lezer moet hier verderlezen op zéér, zéér belerende toon, bijvoorbeeld alsof hij door zijn neus spreekt) is nu juist een symptoom van het feit dat er iets mis is – maar hoe zou je kunnen beseffen dat er iets mis is als je niet eens het (zo eenvoudige) concept van (om bij dat voorbeeld te blijven) “natuurlijke selectie” kent?
Zelfs wie niet overtuigd is stel ik voor zich af te vragen wat het alternatief is. De lezer zat, dus, destijds op de schoolbanken, waarschijnlijk in vrij sterke mate tegen zijn zin, om daar “spraakkunst en grammatica” te leren. Vraag 1, hoeveel heeft de lezer eigenlijk onthouden van al die “kennis”? Vraag 2, in welke mate helpt dat de lezer vooruit wanneer zijn kleuter hem vraagt waar de kindjes vandaan komen, en of er meer sterren zijn dan zandkorrels, en of het waar is dat we van de apen afstammen (4)? Vraag 3, OK, je zit nu in zo’n houten bank en iemand gaat je “kennis” door je strot wringen, je mag alleen beslissen wat die kennis zal zijn. Kies je voor “spraakkunst en grammatica”, of eerder voor enkele van die dingen die, bijvoorbeeld, op dit blog toch ook niet zo vreselijk vervelend zullen geweest zijn (want je zit toch tot hier te lezen)?
En dat zijn dan nog dingen die te maken hebben met het kunnen nadenken. Daarnaast is er ook nog het inzicht in feiten, dingen die je alleen maar weet omdat je ze ooit in je hebt opgenomen. Hoeveel mensen, vraag ik me af, hebben van de Spartanen alleen maar gehoord omdat ze wisten dat een “Spartaanse opvoeding” niet iets was waar ze naar zouden uitkijken? Is het denkbaar dat mijn verhaaltjes hier méér hebben bijgedragen aan het beeld dat die lezer heeft van een hoop antieke geschiedenis, dan de schoolkost van destijds? Oh, het zijn verhaaltjes zonder veel pretentie, eentje was zelfs manifest half fictie (5) (ik weet heus niet of de raadgevers van Xerxes echt bleek werden toen ze hoorden dat er driehonderd Spartanen besloten hadden een pas tegen hen te verdedigen, hoor). Maar zijn ze echt zoveel slechter als het er om gaat iets over de Spartanen te doen blijven hangen? In mijn geval was niets slechter dan het schoolsysteem, dus ook mijn verhaaltjes niet.
Ik weet het natuurlijk allemaal niet - ik kan alleen voor mezelf spreken. Maar de geregelde lezer van dit blog zal stilaan beginnen weten dat ik er sterke opinies over heb. Laat me samenvatten. Cerebrale types als ikzelf hebben er natuurlijk geen bezwaar tegen dat het onderwijs kennis wil overdragen. Maar cerebrale types als ikzelf hebben er een gigantisch groot bezwaar tegen als dat moet gebeuren op een manier die maakt dat 90% van de mensheid daar het gevoel aan overhoudt dat wetenschap, geschiedenis of filosofie doodsaai zijn. Zoals momenteel gebeurt.
----------------------------------------
(1) http://speelsmaarserieus.blogspot.com/2006/10/de-studie-van-de-geschiedenis.html
(2) http://speelsmaarserieus.blogspot.com/2006/02/dingen-die-iedereen-zou-moeten-weten.html
(3) http://speelsmaarserieus.blogspot.com/2006/03/dingen-die-iedereen-zou-moeten-weten-3.html
(4) http://speelsmaarserieus.blogspot.com/2006/05/wie-stamt-af-van-de-aap.html
(5) http://speelsmaarserieus.blogspot.com/2006/10/ga-vreemdeling-de-spartanen-vertellen.html
Update bij "neus"
"Neus" slaat op de post http://speelsmaarserieus.blogspot.com/2006/10/neus.html. Hier enkele nieuwe ontwikkelingen.
De tv staat aan, en Yves Leterme staat trillend van verontwaardiging commentaar te geven bij het besluit van de NVA om Dedecker in te lijven. Baby Sarah toont haar vermogens om al die ministers van Belangrijke Zaken te relativeren. Ze kruipt naar het scherm, richt zich helemaal op, en legt haar vinger op zijn neus. En kijkt triomfantelijk achter zich. Wie de post "neus" heeft gelezen weet dat daarmee nieuwe richtingen worden aangesneden.
(Terzijde stijgt Leterme wel in mijn achting.)
Minder geluk hadden we bij de pediater. "Hoe zit het met de fijne motoriek?" had die gevraagd. Ha, dat ging de papa eens direct demonstreren: "Saartje, waar is het neusje?". Waarop baby Sarah haar oortjes aanwijst.
En ze kan het nochtans. Maar omdat de pediater zo grappig opmerkte "OK, oefenen jullie dat nog eens tegen de volgende keer?" konden we niet boos op haar zijn.
De tv staat aan, en Yves Leterme staat trillend van verontwaardiging commentaar te geven bij het besluit van de NVA om Dedecker in te lijven. Baby Sarah toont haar vermogens om al die ministers van Belangrijke Zaken te relativeren. Ze kruipt naar het scherm, richt zich helemaal op, en legt haar vinger op zijn neus. En kijkt triomfantelijk achter zich. Wie de post "neus" heeft gelezen weet dat daarmee nieuwe richtingen worden aangesneden.
(Terzijde stijgt Leterme wel in mijn achting.)
Minder geluk hadden we bij de pediater. "Hoe zit het met de fijne motoriek?" had die gevraagd. Ha, dat ging de papa eens direct demonstreren: "Saartje, waar is het neusje?". Waarop baby Sarah haar oortjes aanwijst.
En ze kan het nochtans. Maar omdat de pediater zo grappig opmerkte "OK, oefenen jullie dat nog eens tegen de volgende keer?" konden we niet boos op haar zijn.
woensdag 29 november 2006
Middenvakrijders...
Als je in Mechelen woont, in Brussel werkt en in Antwerpen familie en vrienden hebt, dan heb je al snel een rijkgevulde carrière aan auto-momenten bij elkaar. Vandaag een geval van “middenvakrijders”. Je kent ze wel: met een practisch lege rechterbaan, kilometers lang, rijden ze op het middenste vak. Als er een beetje verkeer is, heb ik me laten vertellen, drukt het de capaciteit van de autoweg al snel met een 30%.
De enige manier om daar een beetje plezier aan te beleven is ze langs rechts in te halen. Let wel: zonder zever. Als je je enorm moet haasten om ze voorbij te raken, en dan bij het links inschuiven scherp moet remmen en afsnijden om niet op hun voorligger te knallen, dan zijn wij geen vrienden. Het moet gaan om een de facto leeg rechtervak.
Na een tijdje ontdek je dat je ze kan indelen naargelang hun reactie op dat rechts inhalen. Een eerste categorie kan je met “houten kop” omschrijven: blijft onverstoorbaar verder in het midden rijden. Verliest nog liever een wiel dan toegeven dat er iets fout ging, heeft misschien niet eens in de gaten dat er iets fout ging; ja, heeft misschien niet eens door dat hij zich net lang rechts heeft laten inhalen.
Daarnaast heb je de “oeps” categorie: dat is waar ik zelf af en toe inval. “Oeps, zit ik toch weer te dromen, zeker.” Ze begrijpen de hint, zetten de richtingaanwijzer aan, en begeven zich sportief naar het rechtse baanvak.
Dan zijn er een hoop die vinden dat ze geen lessen te krijgen hebben van iemand die met een kleinere auto rijdt dan zijzelf. Ze beginnen sneller te rijden, plakken ineens tegen een voorligger, of, als je ze dan toch kan inhalen – groter momentum, weet je wel, of de voorligger kan zelf rechts ingehaald worden – zijn ze niet gerust voor ze je zelf ook weer hebben ingehaald; zij het dat dat fatsoenlijk langs links zal moeten gebeuren. Om één of andere reden schijnen ze te denken dat daarmee de “belediging” is uitgewist. Maar waar halen ze toch vandaan dat het een belediging was – zij zijn tenslotte de mensen die met een leeg rechtervak in het midden rijden?
En daarmee kom je bij wat ergens de interessantste categorie is. Niet alleen zien ze het als een soort belediging, maar ze maken er zich ook erg boos om. Ze beginnen met hun lichten te flitsen of komen enkele honderden meters aan je bumper hangen (een hint voor bij daglicht: gewoon even je lichten aanzetten. Creëert een heel grote afstand in heel weinig tijd, maar ik moet toegeven, kalmer worden ze er meestal niet van) en dat soort dingen. Ze zijn duidelijk heel boos op de persoon die hen rechts inhaalt, maar de vraag hoe het komt dat iemand ze rechts kan inhalen komt duidelijk niet bij ze op. Zoals ik al zei, ergens toch de interessantste categorie.
Maar toch, de soort die ik vandaag te zien kreeg is uniek. Het is nog vroeg, dus de A12 is nog goed te doen. Ineens zie je de symptomen van problemen opduiken: links beginnen de remlichten op te flitsen, rechts zie je van die eigenaardige schuivende bewegingen, en waarom rijdt dat middenvak hier nauwelijks een dikke negentig? Al die vragen raken honderd meter verder opgelost: een middenvakrijder! Sommige auto’s rechts denken dat het gevaarlijk is die langs rechts in te halen en slingeren dus, na eerst te zijn vertraagd, van helemaal rechts naar helemaal links en weer terug. Op het linkervak moeten ze natuurlijk de hele tijd remmen om al die invoegers die zo plots van rechts komen door te laten: opstopping. En het middenvak rijdt niet sneller dan de middenvakrijder zelf: opstopping.
Wanneer het mijn beurt is om de middenvakrijder te passeren (langs links, deze keer) kijk ik toch eens opzij. Naar mijn interesse voor apen me vertelt bevat zoiets een zekere boodschap, en bovendien wil ik wel eens zien welk fenomeen daar zo goedgehumeurd zoveel entropie zit te creëren.
Wel, het was simpel. Een madam van een respectabele leeftijd zat, gebruikmakend van de achteruitkijkspiegel, haar wimpers te epileren, of zoiets.
En het zou veel te gevaarlijk zijn zoiets aan de toegelaten 120 per uur te doen; zeg nu zelf.
De enige manier om daar een beetje plezier aan te beleven is ze langs rechts in te halen. Let wel: zonder zever. Als je je enorm moet haasten om ze voorbij te raken, en dan bij het links inschuiven scherp moet remmen en afsnijden om niet op hun voorligger te knallen, dan zijn wij geen vrienden. Het moet gaan om een de facto leeg rechtervak.
Na een tijdje ontdek je dat je ze kan indelen naargelang hun reactie op dat rechts inhalen. Een eerste categorie kan je met “houten kop” omschrijven: blijft onverstoorbaar verder in het midden rijden. Verliest nog liever een wiel dan toegeven dat er iets fout ging, heeft misschien niet eens in de gaten dat er iets fout ging; ja, heeft misschien niet eens door dat hij zich net lang rechts heeft laten inhalen.
Daarnaast heb je de “oeps” categorie: dat is waar ik zelf af en toe inval. “Oeps, zit ik toch weer te dromen, zeker.” Ze begrijpen de hint, zetten de richtingaanwijzer aan, en begeven zich sportief naar het rechtse baanvak.
Dan zijn er een hoop die vinden dat ze geen lessen te krijgen hebben van iemand die met een kleinere auto rijdt dan zijzelf. Ze beginnen sneller te rijden, plakken ineens tegen een voorligger, of, als je ze dan toch kan inhalen – groter momentum, weet je wel, of de voorligger kan zelf rechts ingehaald worden – zijn ze niet gerust voor ze je zelf ook weer hebben ingehaald; zij het dat dat fatsoenlijk langs links zal moeten gebeuren. Om één of andere reden schijnen ze te denken dat daarmee de “belediging” is uitgewist. Maar waar halen ze toch vandaan dat het een belediging was – zij zijn tenslotte de mensen die met een leeg rechtervak in het midden rijden?
En daarmee kom je bij wat ergens de interessantste categorie is. Niet alleen zien ze het als een soort belediging, maar ze maken er zich ook erg boos om. Ze beginnen met hun lichten te flitsen of komen enkele honderden meters aan je bumper hangen (een hint voor bij daglicht: gewoon even je lichten aanzetten. Creëert een heel grote afstand in heel weinig tijd, maar ik moet toegeven, kalmer worden ze er meestal niet van) en dat soort dingen. Ze zijn duidelijk heel boos op de persoon die hen rechts inhaalt, maar de vraag hoe het komt dat iemand ze rechts kan inhalen komt duidelijk niet bij ze op. Zoals ik al zei, ergens toch de interessantste categorie.
Maar toch, de soort die ik vandaag te zien kreeg is uniek. Het is nog vroeg, dus de A12 is nog goed te doen. Ineens zie je de symptomen van problemen opduiken: links beginnen de remlichten op te flitsen, rechts zie je van die eigenaardige schuivende bewegingen, en waarom rijdt dat middenvak hier nauwelijks een dikke negentig? Al die vragen raken honderd meter verder opgelost: een middenvakrijder! Sommige auto’s rechts denken dat het gevaarlijk is die langs rechts in te halen en slingeren dus, na eerst te zijn vertraagd, van helemaal rechts naar helemaal links en weer terug. Op het linkervak moeten ze natuurlijk de hele tijd remmen om al die invoegers die zo plots van rechts komen door te laten: opstopping. En het middenvak rijdt niet sneller dan de middenvakrijder zelf: opstopping.
Wanneer het mijn beurt is om de middenvakrijder te passeren (langs links, deze keer) kijk ik toch eens opzij. Naar mijn interesse voor apen me vertelt bevat zoiets een zekere boodschap, en bovendien wil ik wel eens zien welk fenomeen daar zo goedgehumeurd zoveel entropie zit te creëren.
Wel, het was simpel. Een madam van een respectabele leeftijd zat, gebruikmakend van de achteruitkijkspiegel, haar wimpers te epileren, of zoiets.
En het zou veel te gevaarlijk zijn zoiets aan de toegelaten 120 per uur te doen; zeg nu zelf.
dinsdag 28 november 2006
Geholpen door de bonobo
Lange tijd heb ik lopen piekeren over de volgende scène: was het een vreselijke belediging, of integendeel een groot compliment? De scène speelde zich af in het cafetaria van de universiteit waar ik rechten studeerde. Temidden van een groepje studenten aan een tafeltje, bemerk ik ineens dat ik het enige mannetje ben, in een gezelschap van, pakweg, zes vrouwtjes. Simpele kansrekening zegt dat zoiets wel vaker zal voorkomen, zonder dat het daarom een alledaagse gebeurtenis is.
De scène werd iets verrassender toen dat tafeltje zomaar overschakelde op “girl talk”! Ik weet nog hoe ik me achterover geleund en met mijn handen in mijn broekzakken zat te verbazen toen ik verschillende van de meest dominante types onder mijn mannelijke studiegenoten hoorde beschrijven in termen van “snoezige oortjes” en “popperig neusje”. Het viel me in dat die meest viriele mannetjes correct zullen verondersteld hebben dat zijzelf onderwerp van gesprek waren bij hun vrouwelijke collega’s, en zich incorrect allerlei illusies zullen gemaakt hebben over de termen waarin die gesprekken zouden gevoerd worden.
Maar mijn eigen dilemma was: hoe schat ik het feit in dat het gezelschap op dat soort gesprek overging, alsof mijn aanwezigheid lucht was?
Er zijn twee bronnen van onzekerheid. Ten eerste weten we niet of een gezelschap dat werkelijk uit louter vrouwtjes bestaat niet nog veel verder zou gaan dan de alles bij elkaar nog zeer brave conversatie die ik daar hoorde. Maar zelfs als ik daaruit afleid dat ik toch niet helemaal lucht zal geweest zijn, blijft het feit dat ik minstens in zekere mate genegeerd werd. En dus was de vraag: zegt dat iets over mijn gebrek aan mannelijke uitstraling, of zegt dat iets over mijn brede en diepe persoonlijkheid, wiens aanwezigheid dat soort gesprekken absoluut niet in de weg stond?
Enkele jaren van gepieker later kreeg ik hulp uit een onverwachte hoek! Een bonobo uit Planckendael maakte een einde aan de martelende twijfel. In die tijd ging ik ze regelmatig genoeg bezoeken om ze allemaal uit elkaar te kennen. Na een tijdje merkte ik op dat er één was, Hermien, de toenmalige nummer twee van de bonobo hiërarchie, die me altijd kwam gedag zeggen. Dat is verschillende keren gebeurd, geregeld in gezelschap van getuigen, die niet anders konden dan erkennen: Hermien heeft haar voorpoot tegen het glas gezet, en is pas weer weggegaan nadat Koen aan de andere kant zijn eigen voorpoot op dezelfde hoogte ook tegen het glas had gezet. Of ze volgde me over de helft van het bonobo eiland - alles bij elkaar een heel eind in Planckendael - tot ik nadrukkelijk had gezwaaid
Toen ik dat verhaal vertelde aan Hilde Vervaecke (de auteur van het uiterst aardige De Bonobo’s, Schalkse Apen met Menselijke Trekjes, 2,002), die ik door mijn interesse voor bonobo’s een beetje ken, zei die meteen: ja, dat is Hermien, die doet dat soms, altijd met mannen.
En daarmee waren mijn twijfels verdwenen! Want niet alleen concludeerde ik dat bonobo’s lieve en gevoelige dieren zijn, met een groot onderscheidingsvermogen en veel goede smaak, maar ook dat er blijkbaar niets mis was met mijn dierlijk magnetisme. Een hele opluchting, natuurlijk.
De scène werd iets verrassender toen dat tafeltje zomaar overschakelde op “girl talk”! Ik weet nog hoe ik me achterover geleund en met mijn handen in mijn broekzakken zat te verbazen toen ik verschillende van de meest dominante types onder mijn mannelijke studiegenoten hoorde beschrijven in termen van “snoezige oortjes” en “popperig neusje”. Het viel me in dat die meest viriele mannetjes correct zullen verondersteld hebben dat zijzelf onderwerp van gesprek waren bij hun vrouwelijke collega’s, en zich incorrect allerlei illusies zullen gemaakt hebben over de termen waarin die gesprekken zouden gevoerd worden.
Maar mijn eigen dilemma was: hoe schat ik het feit in dat het gezelschap op dat soort gesprek overging, alsof mijn aanwezigheid lucht was?
Er zijn twee bronnen van onzekerheid. Ten eerste weten we niet of een gezelschap dat werkelijk uit louter vrouwtjes bestaat niet nog veel verder zou gaan dan de alles bij elkaar nog zeer brave conversatie die ik daar hoorde. Maar zelfs als ik daaruit afleid dat ik toch niet helemaal lucht zal geweest zijn, blijft het feit dat ik minstens in zekere mate genegeerd werd. En dus was de vraag: zegt dat iets over mijn gebrek aan mannelijke uitstraling, of zegt dat iets over mijn brede en diepe persoonlijkheid, wiens aanwezigheid dat soort gesprekken absoluut niet in de weg stond?
Enkele jaren van gepieker later kreeg ik hulp uit een onverwachte hoek! Een bonobo uit Planckendael maakte een einde aan de martelende twijfel. In die tijd ging ik ze regelmatig genoeg bezoeken om ze allemaal uit elkaar te kennen. Na een tijdje merkte ik op dat er één was, Hermien, de toenmalige nummer twee van de bonobo hiërarchie, die me altijd kwam gedag zeggen. Dat is verschillende keren gebeurd, geregeld in gezelschap van getuigen, die niet anders konden dan erkennen: Hermien heeft haar voorpoot tegen het glas gezet, en is pas weer weggegaan nadat Koen aan de andere kant zijn eigen voorpoot op dezelfde hoogte ook tegen het glas had gezet. Of ze volgde me over de helft van het bonobo eiland - alles bij elkaar een heel eind in Planckendael - tot ik nadrukkelijk had gezwaaid
Toen ik dat verhaal vertelde aan Hilde Vervaecke (de auteur van het uiterst aardige De Bonobo’s, Schalkse Apen met Menselijke Trekjes, 2,002), die ik door mijn interesse voor bonobo’s een beetje ken, zei die meteen: ja, dat is Hermien, die doet dat soms, altijd met mannen.
En daarmee waren mijn twijfels verdwenen! Want niet alleen concludeerde ik dat bonobo’s lieve en gevoelige dieren zijn, met een groot onderscheidingsvermogen en veel goede smaak, maar ook dat er blijkbaar niets mis was met mijn dierlijk magnetisme. Een hele opluchting, natuurlijk.
maandag 27 november 2006
Zandkorrels, of Sterren?
Een dikke week geleden stapelden wij hier samen briefjes van duizend euro op elkaar (1). We constateerden dat je bij een miljoen euro – niet iets dat de meesten van ons zomaar even tevoorschijn halen, neem ik aan – nog altijd maar een stapeltje had van een decimeter dik: veel minder dan een baby. Het was pas “voorbij de horizon” dat de oefening explodeerde: toen we ons afvroegen hoe het verschil tussen een miljard en een biljoen euro er zou uitzien.
Nu valt me in dat een soortgelijke oefening kan helpen bij iets dat me altijd in de grootste moeilijkheden brengt. Ooit kreeg ik als uitdaging voorgelegd “waar zijn er het meest van, sterren in het universum, of zandkorrels op de aarde?”. De meeste mensen denken meteen dat het juiste antwoord “zandkorrels” is. Sommige mensen denken dat het feit dat de vraag zelfs maar gesteld wordt suggereert dat het “dan wel” sterren zullen zijn, “zeker?”. En iemand die iets van sterren afweet verzekerde me dat het antwoord inderdaad “sterren” moet zijn.
Problemen, dus! Een vriend van me greep een handje zand op een strand en liet de korrels langzaam door zijn vingers glijden. “En nu moet ik geloven dat er méér sterren zijn dan er zandkorrels zijn, op héél de wereld, stranden, duinen en woestijnen inbegrepen?”
Het is me nog niet gelukt mijn oefening tot een goed einde te brengen, maar hier is hoe het er in grote lijnen zou moeten uitzien. Als je van de Aarde naar de hemel kijkt, zijn er in totaal een grootte-orde van 10,000 sterren die we met het blote oog kunnen zien. En denken in orders van grootte zal voor de oefening goed genoeg moeten zijn. Hier gaan we – denk terug aan de euro’s van die vorige post.
We nemen een zandkorrel in onze hand. We leggen er negen bij: tien zandkorrels vormen tien puntjes op de handpalm. Van die puntjes maken we vervolgens hoopjes van 10 korrels elk: 100 zandkorrels. Maak ik me illusies als ik suggereer dat we een handjevol zand krijgen als we elk van die hoopjes geen 10, maar nu 100 korrels groot maken? Dus 1,000 zandkorrels zijn een (klein) handvol zand?
Ik denk dat we dat handje in een redelijke emmer kunnen kappen, en er nog negen handjes bijdoen, en dat de bodem van onze emmer nu wel bedekt zal zijn. Dus: alle zichtbare sterren komen neer op een bodempje zand in een emmer. Nu moet je echter weten dat er in onze melkweg heel veel meer sterren zijn dan de 10,000 die we kunnen zien. Tien keer meer? Gemakkelijk tien keer meer: en als ik tien keer de hoeveelheid zand neem die ik nodig heb om de bodem van een emmer te bedekken, dan zal mijn emmer stilaan vol zijn, zeker?
Maar eigenlijk zijn er nog altijd heel veel meer sterren in onze melkweg dan dat: Als we tien volle emmers zand nemen stellen we daarmee een miljoen sterren voor, en dat blijft een kleine fractie van het totaal aantal sterren in onze melkweg.
Nu krijg ik het moeilijk voor mijn oefening. Als ik die tien emmers zand op tien verschillende plaatsen in een vrachtwagen kap, dan zal ik wel tien hoopjes hebben. Als ik daar negen keer dezelfde hoeveelheid bijdoe – heb ik dan de bodem van mijn vrachtwagen bedekt? Ik heb hier niet langer enig idee van volumes, gewichten en hoeveelheden, dus ik doe maar blind voort, en ik heb nu de tegenwaarde van tien miljoen sterren.
De melkweg is nog lang niet uitgeput, en ik vul mijn vrachtwagen met tien keer de hoeveelheid om de bodem te bedekken, en ik orakel (want in werkelijkheid zit ik hier op bijzonder glad ijs) dat mijn vrachtwagen vol is met 100 miljoen zandkorrels: “sterren”. Dus tien vrachtwagens zijn dan een miljard sterren. En honderd vrachtwagens zijn dan 10 mia sterren, en 100 mia sterren stellen dan 1,000 vrachtwagens zand voor.
Honderd miljard sterren is ook de orde van grootte van het aantal sterren in onze melkweg. Dus de hele melkweg komt neer op duizend vrachtwagens zand? Wat stelt dat voor, duizend vrachtwagens zand? Krijg je daarmee het strand van Blankenberge gevuld? Maar in dat geval kan je toch voor tien melkwegen de badplaatsen van België (we denken in ordes van grootte, niet in exacte aantallen) vullen? En volstaan 100 melkwegen voor de badplaatsen van Frankrijk? Volstaan 1,000 melkwegen met sterren dan niet om alle badplaatsen van Europa, korrel per korrel voor ster per ster, met zand te vullen?
In dat geval moet ik met 10,000 melkwegen genoeg hebben om voor heel Eurazië de kusten van zand te voorzien. Komaan, ik neem genereus aan dat ik er al een orde van grootte naast zit, en ik heb 100,000 melkwegen nodig om de kusten van heel Azië van zand te voorzien. En met een miljoen melkwegen zijn we toch een heel eind weg om Azië zelf te vullen, niet? Hoewel, er zijn nogal veel woestijnen in Azië... Hop! Nog een orde van grootte erbij, ik geef mezelf tien miljoen melkwegen om korrel per ster heel Eurazië met zand te vullen.
Natuurlijk ben ik al lang, sinds de vrachtwagen, elk gevoel voor proportie kwijt. Maar ik weet wel dat een orde van grootte verspringen een groot effect heeft, dat ik het al twéé keer gedaan heb, gewoon voor de veiligheid, en dat ik met mijn tien miljoen melkwegen nog altijd maar een heel kleine fractie heb van het totaal aantal melkwegen in het universum.
Voel je iets komen? Het begint er naar uit te zien dat de sterren de zandkorrels wel eens zwaar zouden kunnen verslaan. Alleen is mijn kennis van sterren en zandkorrels te beperkt om het verhaal werkelijk aan elkaar te laten hangen: het blijven een hoop misschiens en ikdenks en vermoedelijks. Als iemand denkt te kunnen verfijnen, liefst een beetje onderbouwd, laat het weten. Het hele punt is: er zijn naar ik dacht iets van een honderd miljard melkwegen waarvan de mensheid zich bewust is. En ik heb er nog maar tien miljoen van opgebruikt. Ik mag dus nog minstens vier keer op dezelfde manier een orde van grootte verspringen – en aangezien we al voorbij onze horizon zitten, zo durf ik hopen, heeft iedereen stilaan in de gaten dat we daarmee heel, heel grote stukken wereld bedekken.
En dat was het punt.
---------------------------------------------
http://speelsmaarserieus.blogspot.com/2006/11/een-paar-nullen-meer-of-minder.html
Nu valt me in dat een soortgelijke oefening kan helpen bij iets dat me altijd in de grootste moeilijkheden brengt. Ooit kreeg ik als uitdaging voorgelegd “waar zijn er het meest van, sterren in het universum, of zandkorrels op de aarde?”. De meeste mensen denken meteen dat het juiste antwoord “zandkorrels” is. Sommige mensen denken dat het feit dat de vraag zelfs maar gesteld wordt suggereert dat het “dan wel” sterren zullen zijn, “zeker?”. En iemand die iets van sterren afweet verzekerde me dat het antwoord inderdaad “sterren” moet zijn.
Problemen, dus! Een vriend van me greep een handje zand op een strand en liet de korrels langzaam door zijn vingers glijden. “En nu moet ik geloven dat er méér sterren zijn dan er zandkorrels zijn, op héél de wereld, stranden, duinen en woestijnen inbegrepen?”
Het is me nog niet gelukt mijn oefening tot een goed einde te brengen, maar hier is hoe het er in grote lijnen zou moeten uitzien. Als je van de Aarde naar de hemel kijkt, zijn er in totaal een grootte-orde van 10,000 sterren die we met het blote oog kunnen zien. En denken in orders van grootte zal voor de oefening goed genoeg moeten zijn. Hier gaan we – denk terug aan de euro’s van die vorige post.
We nemen een zandkorrel in onze hand. We leggen er negen bij: tien zandkorrels vormen tien puntjes op de handpalm. Van die puntjes maken we vervolgens hoopjes van 10 korrels elk: 100 zandkorrels. Maak ik me illusies als ik suggereer dat we een handjevol zand krijgen als we elk van die hoopjes geen 10, maar nu 100 korrels groot maken? Dus 1,000 zandkorrels zijn een (klein) handvol zand?
Ik denk dat we dat handje in een redelijke emmer kunnen kappen, en er nog negen handjes bijdoen, en dat de bodem van onze emmer nu wel bedekt zal zijn. Dus: alle zichtbare sterren komen neer op een bodempje zand in een emmer. Nu moet je echter weten dat er in onze melkweg heel veel meer sterren zijn dan de 10,000 die we kunnen zien. Tien keer meer? Gemakkelijk tien keer meer: en als ik tien keer de hoeveelheid zand neem die ik nodig heb om de bodem van een emmer te bedekken, dan zal mijn emmer stilaan vol zijn, zeker?
Maar eigenlijk zijn er nog altijd heel veel meer sterren in onze melkweg dan dat: Als we tien volle emmers zand nemen stellen we daarmee een miljoen sterren voor, en dat blijft een kleine fractie van het totaal aantal sterren in onze melkweg.
Nu krijg ik het moeilijk voor mijn oefening. Als ik die tien emmers zand op tien verschillende plaatsen in een vrachtwagen kap, dan zal ik wel tien hoopjes hebben. Als ik daar negen keer dezelfde hoeveelheid bijdoe – heb ik dan de bodem van mijn vrachtwagen bedekt? Ik heb hier niet langer enig idee van volumes, gewichten en hoeveelheden, dus ik doe maar blind voort, en ik heb nu de tegenwaarde van tien miljoen sterren.
De melkweg is nog lang niet uitgeput, en ik vul mijn vrachtwagen met tien keer de hoeveelheid om de bodem te bedekken, en ik orakel (want in werkelijkheid zit ik hier op bijzonder glad ijs) dat mijn vrachtwagen vol is met 100 miljoen zandkorrels: “sterren”. Dus tien vrachtwagens zijn dan een miljard sterren. En honderd vrachtwagens zijn dan 10 mia sterren, en 100 mia sterren stellen dan 1,000 vrachtwagens zand voor.
Honderd miljard sterren is ook de orde van grootte van het aantal sterren in onze melkweg. Dus de hele melkweg komt neer op duizend vrachtwagens zand? Wat stelt dat voor, duizend vrachtwagens zand? Krijg je daarmee het strand van Blankenberge gevuld? Maar in dat geval kan je toch voor tien melkwegen de badplaatsen van België (we denken in ordes van grootte, niet in exacte aantallen) vullen? En volstaan 100 melkwegen voor de badplaatsen van Frankrijk? Volstaan 1,000 melkwegen met sterren dan niet om alle badplaatsen van Europa, korrel per korrel voor ster per ster, met zand te vullen?
In dat geval moet ik met 10,000 melkwegen genoeg hebben om voor heel Eurazië de kusten van zand te voorzien. Komaan, ik neem genereus aan dat ik er al een orde van grootte naast zit, en ik heb 100,000 melkwegen nodig om de kusten van heel Azië van zand te voorzien. En met een miljoen melkwegen zijn we toch een heel eind weg om Azië zelf te vullen, niet? Hoewel, er zijn nogal veel woestijnen in Azië... Hop! Nog een orde van grootte erbij, ik geef mezelf tien miljoen melkwegen om korrel per ster heel Eurazië met zand te vullen.
Natuurlijk ben ik al lang, sinds de vrachtwagen, elk gevoel voor proportie kwijt. Maar ik weet wel dat een orde van grootte verspringen een groot effect heeft, dat ik het al twéé keer gedaan heb, gewoon voor de veiligheid, en dat ik met mijn tien miljoen melkwegen nog altijd maar een heel kleine fractie heb van het totaal aantal melkwegen in het universum.
Voel je iets komen? Het begint er naar uit te zien dat de sterren de zandkorrels wel eens zwaar zouden kunnen verslaan. Alleen is mijn kennis van sterren en zandkorrels te beperkt om het verhaal werkelijk aan elkaar te laten hangen: het blijven een hoop misschiens en ikdenks en vermoedelijks. Als iemand denkt te kunnen verfijnen, liefst een beetje onderbouwd, laat het weten. Het hele punt is: er zijn naar ik dacht iets van een honderd miljard melkwegen waarvan de mensheid zich bewust is. En ik heb er nog maar tien miljoen van opgebruikt. Ik mag dus nog minstens vier keer op dezelfde manier een orde van grootte verspringen – en aangezien we al voorbij onze horizon zitten, zo durf ik hopen, heeft iedereen stilaan in de gaten dat we daarmee heel, heel grote stukken wereld bedekken.
En dat was het punt.
---------------------------------------------
http://speelsmaarserieus.blogspot.com/2006/11/een-paar-nullen-meer-of-minder.html
zondag 26 november 2006
Het dilemma van "openheid" vs. "belangwekkendheid"
Een vriend vertelt me over een site die hij af en toe bezoekt. Het is één of ander informaticaproject, dus ikzelf kan er evenveel gaan doen als op een site over quantumfysica. Wat hij me vertelt is dat mensen die aan de site bijdragen op één of andere manier een kwotering krijgen: er zal een soort establishment bestaan, en dat zal (neem ik aan) zelf dynamisch evolueren in de tijd, en maken dat mensen die geregeld bijdragen zelf ook stijgende of dalende koersen kunnen krijgen.
Bovendien bestaat er een verband tussen de ranking, en de mogelijkheden die iemand heeft op de site. het betreft, dus, informaticatoestanden, dus programmeertalen en -systemen, codes en wat er ook allemaal nog meer bijhoort. Op de hoogste niveau's kunnen de deelnemers bijvoorbeeld wijzigingen aanbrengen in de code, daaronder kunnen ze het minstens suggereren, op veel lagere niveau's maakt je commentaar kans om beoordeeld te worden met de bedoeling dat die op de site verschijnt, enzovoort.
En het resultaat, volgens die vriend, is dat er op die site, voor dat soort onderwerp, heel interessante dingen gebeuren. Natuurlijk moest ik terugdenken aan de onzekerheidsrelatie tussen "openheid" en "belangwekkendheid" die ik op het net al vaak heb geconstateerd. Als de som van "openheid" en "belangwekkendheid" niet groter kan zijn dan een bepaalde constante, dan kunnen "open" sites moeilijk "belangwekkend" worden, en omgekeerd.
Dat is precies wat we te zien krijgen op usenet, en vaak ook op blogs die een zeker niveau bereiken, en daarmee een zekere bekendheid, en vervolgens ondergesneeuwd raken door quasi-spam commentaren.
Natuurlijk, een site voor en door IT-mensen zal het gemakkelijker hebben om het probleem zoals ik het vaak beschrijf te omzeilen. Ten eerste, ze kunnen het zelf programmeren. Ten tweede, er is een veel objectievere maatstaf. Als iemand aan de code prutst, dan werkt het ofwel niet, ofwel een beetje beter, ofwel veel beter, enzovoort. Terwijl een site over filosofie of geschiedenis het veel moeilijker zal hebben om zonder al te veel fouten rankings te maken.
Maar ik was blij te horen dat het concept (a) wel degelijk bestaat en (b) effectief tot een site "waar interessante dingen gebeuren" leidt. Momenteel ben ik me niet bewust van manieren om dit soort blogs op dezelfde leest te schoeien. Maar ik blijf er op hopen.
Bovendien bestaat er een verband tussen de ranking, en de mogelijkheden die iemand heeft op de site. het betreft, dus, informaticatoestanden, dus programmeertalen en -systemen, codes en wat er ook allemaal nog meer bijhoort. Op de hoogste niveau's kunnen de deelnemers bijvoorbeeld wijzigingen aanbrengen in de code, daaronder kunnen ze het minstens suggereren, op veel lagere niveau's maakt je commentaar kans om beoordeeld te worden met de bedoeling dat die op de site verschijnt, enzovoort.
En het resultaat, volgens die vriend, is dat er op die site, voor dat soort onderwerp, heel interessante dingen gebeuren. Natuurlijk moest ik terugdenken aan de onzekerheidsrelatie tussen "openheid" en "belangwekkendheid" die ik op het net al vaak heb geconstateerd. Als de som van "openheid" en "belangwekkendheid" niet groter kan zijn dan een bepaalde constante, dan kunnen "open" sites moeilijk "belangwekkend" worden, en omgekeerd.
Dat is precies wat we te zien krijgen op usenet, en vaak ook op blogs die een zeker niveau bereiken, en daarmee een zekere bekendheid, en vervolgens ondergesneeuwd raken door quasi-spam commentaren.
Natuurlijk, een site voor en door IT-mensen zal het gemakkelijker hebben om het probleem zoals ik het vaak beschrijf te omzeilen. Ten eerste, ze kunnen het zelf programmeren. Ten tweede, er is een veel objectievere maatstaf. Als iemand aan de code prutst, dan werkt het ofwel niet, ofwel een beetje beter, ofwel veel beter, enzovoort. Terwijl een site over filosofie of geschiedenis het veel moeilijker zal hebben om zonder al te veel fouten rankings te maken.
Maar ik was blij te horen dat het concept (a) wel degelijk bestaat en (b) effectief tot een site "waar interessante dingen gebeuren" leidt. Momenteel ben ik me niet bewust van manieren om dit soort blogs op dezelfde leest te schoeien. Maar ik blijf er op hopen.
zaterdag 25 november 2006
Idee voor een cartoon
De (zoveelste) criticus van het Russisch regime is dus in geheimzinnige omstandigheden om het leven gekomen.
Het idee: Poetin die met zijn handen op een grote kraan (indien tekenkundig mogelijk: half dichtgedraaid, of bezig die dicht te draaien) van een nog grotere pijpleiding, met in de tekening verwerkt een kaart die duidelijk maakt dat de pijpleiding gaat van Rusland naar Europa, zegt: "Wij hebben het niet gedaan."
Ikzelf kan absoluut niet tekenen. Het idee is bij deze gratis weggegeven :-)
Het idee: Poetin die met zijn handen op een grote kraan (indien tekenkundig mogelijk: half dichtgedraaid, of bezig die dicht te draaien) van een nog grotere pijpleiding, met in de tekening verwerkt een kaart die duidelijk maakt dat de pijpleiding gaat van Rusland naar Europa, zegt: "Wij hebben het niet gedaan."
Ikzelf kan absoluut niet tekenen. Het idee is bij deze gratis weggegeven :-)
Een dolfijn is geen vis, maar een zoogdier
Rollen:
Nichtje Hannah, vijf jaar, derde kleuterklas.
Nonkel Koen.
Nichtje Hannah: "Kijk eens, nonkel Koen!"
Nonkel Koen: "Ja, Hannah?"
NH: "Hier is een kaart van de hele wereld, met allemaal prentjes van dieren er op."
NK: "Oh, mooi, wat een mooie kleuren!"
NH: "Ja, en hier beneden staan alle dieren nog eens bij elkaar, en ik moet zoeken waar ze wonen."
NK: "Aha, dat is interessant. Kijk, een gorilla, die wonen in Afrika. Kan je de gorilla vinden?"
NH: "Uimmm, uimmmm... Hier!" (wijst een punt midden in Afrika aan.)
NK: "Heel goed!" (Voelt zijn "belerende" kant boven komen) "En hier zie ik een orang oetan. Die leven in Azië. Kan je een orang vinden voor nonkel Koen?"
NH: (laat haar blikken over de kaart glijden, tot ze een heel eind oostelijk van Afrika komt...) "Hier!"
NK: "Héél goed. Dat is inderdaad in Azië! En kijk, een dolfijn! Vind je een dolfijn op de kaart?"
NH: "Hier! In de zee!"
NK: "Precies! In de zee! En dat is eigenlijk heel vreemd, want een dolfijn ziet er wel uit als een vis, maar het is helemaal geen vi-..."
NH: "Nee, dat weet ik, want een dolfijn is een zoogdier!"
Nonkel Koen terug naar af. In zijn tijd speelde de kleuters van vijf jaar met een snottebel aan hun neus met de pottekes.
Noot. Nichtje Hannah heeft een broer, Jeroen. Die deed al eens mee in:
http://speelsmaarserieus.blogspot.com/2006/01/theoloog.html
Nichtje Hannah, vijf jaar, derde kleuterklas.
Nonkel Koen.
Nichtje Hannah: "Kijk eens, nonkel Koen!"
Nonkel Koen: "Ja, Hannah?"
NH: "Hier is een kaart van de hele wereld, met allemaal prentjes van dieren er op."
NK: "Oh, mooi, wat een mooie kleuren!"
NH: "Ja, en hier beneden staan alle dieren nog eens bij elkaar, en ik moet zoeken waar ze wonen."
NK: "Aha, dat is interessant. Kijk, een gorilla, die wonen in Afrika. Kan je de gorilla vinden?"
NH: "Uimmm, uimmmm... Hier!" (wijst een punt midden in Afrika aan.)
NK: "Heel goed!" (Voelt zijn "belerende" kant boven komen) "En hier zie ik een orang oetan. Die leven in Azië. Kan je een orang vinden voor nonkel Koen?"
NH: (laat haar blikken over de kaart glijden, tot ze een heel eind oostelijk van Afrika komt...) "Hier!"
NK: "Héél goed. Dat is inderdaad in Azië! En kijk, een dolfijn! Vind je een dolfijn op de kaart?"
NH: "Hier! In de zee!"
NK: "Precies! In de zee! En dat is eigenlijk heel vreemd, want een dolfijn ziet er wel uit als een vis, maar het is helemaal geen vi-..."
NH: "Nee, dat weet ik, want een dolfijn is een zoogdier!"
Nonkel Koen terug naar af. In zijn tijd speelde de kleuters van vijf jaar met een snottebel aan hun neus met de pottekes.
Noot. Nichtje Hannah heeft een broer, Jeroen. Die deed al eens mee in:
http://speelsmaarserieus.blogspot.com/2006/01/theoloog.html
vrijdag 24 november 2006
"Moedige Politici"
Met het oog op de stapels problemen die op ons afkomen hoor ik een merkwaardige lokroep. De problemen in kwestie omvatten de vergrijzing, de financiering van pensioenen en andere tekorten, de gevolgen van de globalizering in het algemeen en de oplopende staatsschuld in het bijzonder, de opwarming van de aarde, en de uitputting van de fossiele brandstoffen. De lokroep die ik hoor - op zich al een vreemd verschijnsel voor november - hoopt dan ook op de verschijning van een zeer vreemde vogel. Wat ik uit diverse hoeken heb weten opklinken, is de roep naar "moedige politici".
Nu denk ik dat deze verzuchting uitdrukking is van dezelfde kortzichtigheid die we nu juist verwijten aan de andere, kennelijk niet zo moedige politici. Eigenlijk denk ik zelfs dat we naar de vreemde vogel in kwestie, de moedige politicus, zullen kunnen fluiten, als je me de woordspeling wil vergeven. Het punt is: in de betekenis waarin de woorden "moedig" en "politicus" hier gebruikt worden, kan de vogel helemaal niet opdagen. Want als hij, in deze betekenis, moedig was, dan was hij geen politicus, en als hij politicus is, dan kan hij niet moedig zijn.
Immers, de "moedige politicus" wordt verondersteld aan de bevolking te zeggen wat de andere politici niet "durven". Dat gaat terug over al die problemen: dat om ze op te lossen offers zullen nodig zijn. Harder werken, en langer werken, en meer belastingen betalen, en meer van dat fraais. Maar de reden waarom de politici dat niet zeggen is niet dat ze dat niet durven zeggen. De reden is doodeenvoudig een voorbeeld van "selectie effect". Dat begint ermee dat een hoop mensen wel degelijk dingen "durven" zeggen waarvan we hopen dat de "moedige politicus" het ook zal durven. Bloggers, bijvoorbeeld. Of commentatoren van bloggers, of schrijvers van lezersbrieven. En daarbij zijn er die wat meer gewicht in de schaal leggen, academici, bijvoorbeeld, of economisten in andere posities: zoals in het bedrijfsleven. Vandaar naar topmanagers is ook maar één stap.
Maar voor al die mensen zou wel eens kunnen gelden dat ze in die positie zijn, omdat ze geen politici zijn. Bijvoorbeeld omdat ze geprobeerd hebben met hun "moedige" uitspraken politicus te worden - en het volgende dat gebeurde was dat ze een andere positie moesten zoeken. Niet verkozen, niet weerhouden binnen de partij, noem maar op. Het "selectie effect" bestaat er in dat je gewoon geen politicus kan zijn, wanneer je in ernst werk gaat maken van de oplossingen van dat soort problemen. Je ziet het principe heel goed aan het werk in Wallonië: ongeacht hoe hard de stank opstijgt uit de beerputten, de mensen blijven stemmen op de partij die de problemen in stand houdt; omdat het alternatief is dat ze moeten gaan werken. De politici die daarentegen zeggen dat dat ook maar duurt zolang niemand de geldkraan dichtdraait, halen 0.20%. In andere woorden: de politici zijn een zorgvuldig geselecteerd kringetje mensen, en wel op het criterium dat ze de problemen niet aanpakken.
Daarom ook vereist het niet zoveel moed om er over te praten wanneer je geen politicus bent: de schrijver van de lezersbrief of het blog hoeft nu eenmaal niet herkozen te worden. Voor de politicus vereist het dan weer geen moed, maar zelfmoordneigingen. En dat laatste maakt dat je niet op de "moedige politicus" hoeft te rekenen. Simpel "selectie effect"; zeer, zeer weinig tijd nadat hij "moedig" is geweest, zal hij geen "politicus" meer zijn.
---------------------------------------------------------------
(1) zie http://speelsmaarserieus.blogspot.com/2006/02/een-marshallplan-voor-walloni.html
EN: http://speelsmaarserieus.blogspot.com/2006/08/dat-marshallplan-altijd-dat.html
Nu denk ik dat deze verzuchting uitdrukking is van dezelfde kortzichtigheid die we nu juist verwijten aan de andere, kennelijk niet zo moedige politici. Eigenlijk denk ik zelfs dat we naar de vreemde vogel in kwestie, de moedige politicus, zullen kunnen fluiten, als je me de woordspeling wil vergeven. Het punt is: in de betekenis waarin de woorden "moedig" en "politicus" hier gebruikt worden, kan de vogel helemaal niet opdagen. Want als hij, in deze betekenis, moedig was, dan was hij geen politicus, en als hij politicus is, dan kan hij niet moedig zijn.
Immers, de "moedige politicus" wordt verondersteld aan de bevolking te zeggen wat de andere politici niet "durven". Dat gaat terug over al die problemen: dat om ze op te lossen offers zullen nodig zijn. Harder werken, en langer werken, en meer belastingen betalen, en meer van dat fraais. Maar de reden waarom de politici dat niet zeggen is niet dat ze dat niet durven zeggen. De reden is doodeenvoudig een voorbeeld van "selectie effect". Dat begint ermee dat een hoop mensen wel degelijk dingen "durven" zeggen waarvan we hopen dat de "moedige politicus" het ook zal durven. Bloggers, bijvoorbeeld. Of commentatoren van bloggers, of schrijvers van lezersbrieven. En daarbij zijn er die wat meer gewicht in de schaal leggen, academici, bijvoorbeeld, of economisten in andere posities: zoals in het bedrijfsleven. Vandaar naar topmanagers is ook maar één stap.
Maar voor al die mensen zou wel eens kunnen gelden dat ze in die positie zijn, omdat ze geen politici zijn. Bijvoorbeeld omdat ze geprobeerd hebben met hun "moedige" uitspraken politicus te worden - en het volgende dat gebeurde was dat ze een andere positie moesten zoeken. Niet verkozen, niet weerhouden binnen de partij, noem maar op. Het "selectie effect" bestaat er in dat je gewoon geen politicus kan zijn, wanneer je in ernst werk gaat maken van de oplossingen van dat soort problemen. Je ziet het principe heel goed aan het werk in Wallonië: ongeacht hoe hard de stank opstijgt uit de beerputten, de mensen blijven stemmen op de partij die de problemen in stand houdt; omdat het alternatief is dat ze moeten gaan werken. De politici die daarentegen zeggen dat dat ook maar duurt zolang niemand de geldkraan dichtdraait, halen 0.20%. In andere woorden: de politici zijn een zorgvuldig geselecteerd kringetje mensen, en wel op het criterium dat ze de problemen niet aanpakken.
Daarom ook vereist het niet zoveel moed om er over te praten wanneer je geen politicus bent: de schrijver van de lezersbrief of het blog hoeft nu eenmaal niet herkozen te worden. Voor de politicus vereist het dan weer geen moed, maar zelfmoordneigingen. En dat laatste maakt dat je niet op de "moedige politicus" hoeft te rekenen. Simpel "selectie effect"; zeer, zeer weinig tijd nadat hij "moedig" is geweest, zal hij geen "politicus" meer zijn.
---------------------------------------------------------------
(1) zie http://speelsmaarserieus.blogspot.com/2006/02/een-marshallplan-voor-walloni.html
EN: http://speelsmaarserieus.blogspot.com/2006/08/dat-marshallplan-altijd-dat.html
donderdag 23 november 2006
De Globalizering en de Industrie
Vroeger, heel lang geleden (zo vertelt Aristoteles ons) had van een standaard bevolking 98% een job in de landbouw. De rest was (wat toen voor) dokter (doorging), of leraar, of politicus, of generaal. Het welvaartsniveau was niet zeer hoog. De levensverwachting bij geboorte kwam in pré-industriële samenlevingen maar heel zelden boven de 30 jaar uit. Vrij vaak heerste er honger. Aristoteles concludeerde dan ook dat er niets aan te doen was, en dat 98% van de bevolking voor eeuwig en drie dagen zou veroordeeld zijn om in de landbouw te leven.
Stel dat je naar een dergelijke samenleving stapt, en hen een spiegel van de toekomst voorhoudt. In 2,006 zullen in de landbouw nog 2% (ipv 98) van de mensen een job vinden. 96% van de jobs in de sector, de facto de enige sector van de economie, zullen verdwijnen! Denk je niet dat ze geschokt zullen zijn, en zich wanhopig zullen afvragen waar ze van zullen moeten leven?
En toch is de reden waarom al die jobs verdwijnen dat de landbouw zo ontzettend productief is geworden, dat het probleem vaak is dat die 2% teveel produceren, zodat de prijzen crashen.
Het gevolg is dat de prijzen van voedsel, door de simpele wet van vraag en aanbod, dalen. Het gevolg was ook dat de samenleving heel andere activiteiten kon dragen. De mensen uit de pré-industriële samenleving kunnen het zich onmogelijk voorstellen, maar al die jobs uit de landbouw zijn vervangen door jobs als (echte) dokters, en bankiers, en een uitgebreid lerarenkorps, en een uitgebreide amusementssctor, en informatica, en communicatie, en jobs in de energiesector, het staal, het glas, en massa’s diensten.
En in lijnrechte tegenstelling tot wat de ontzette bevolking van de landbouwgemeenschap zou denken, is de samenleving veel, en veel, en nog een keer veel rijker geworden, dan toen de werkgelegenheid in de landbouwsector nog zo goed als gegarandeerd was. Mensen in een samenleving waarin velen aan de slag kunnen als leraar of bediende (enzovoort) zijn veel beter af dan mensen van een samenleving die overwegend in de landbouwsector werkt. Tot vandaag kunnen we dat zien in samenlevingen die inderdaad nog steeds grotendeels landbouwsamenlevingen zijn in, zeg, Afrika.
Natuurlijk, de omzetting van de landbouwjobs in “andere” jobs is iets dat wel eerst nog moet gebeuren. En dat is de sleutel tot vragen naar de gevolgen van de globalizering op de industrie. Wij die leven in 2,006 kunnen ons praktisch niet voorstellen waar de welvaart van het jaar 2,100 of 2,200 zal vandaan komen. Zal er een energieproductie bestaan die maakt dat onze energie er even primitief uitziet als de landbouw van de Grieken voor ons lijkt? We weten het niet, en we kunnen het niet weten.
Maar we zouden wel kunnen de verkeerde maatregelen nemen. Er zijn massa’s manieren om de kans te verminderen dat die nieuwe ideeën en technieken inderdaad ontstaan. Als de pré-industriële overheid zijn uiterste best had gedaan om te verhinderen dat de wetenschappelijke, technologische en industriële revolutie zich konden doorzetten, dan zaten we nu wellicht nog in de middeleeuwen.
Niemand kan zeggen wat de nieuwe richting zal zijn. Maar we kunnen wel al een aantal technologieën aanwijzen waarin grote beloftes besloten liggen. Kernenergie. Biotechnologie. Allemaal dingen waarin België overigens ervaring in heeft. Maar ook allemaal dingen waarin overheden, om ideologische en “ethische” redenen probeert het leven zo moeilijk te maken.
Of ze het graag horen of niet; of ze het zelfs maar begrijpen of niet, doet er van geen kanten toe. Het feit blijft onveranderd dat overheden die zich verzetten tegen technologische ontwikkelingen de beste garantie zijn voor de verdere verarming van de samenleving, zoals dat zich zal uitdrukken in onder andere werkloosheid.
En dat verandert niet als ze dat begraven onder lagen rhetoriek over sociaal dit en sociaal dat en “solidariteit” enzovoort. En dat verandert ook niet als ze dat alleen maar luider gaan roepen, en zelfs niet als ze de mensen die daarop wijzen voor “oplichters” uitschelden.
Stel dat je naar een dergelijke samenleving stapt, en hen een spiegel van de toekomst voorhoudt. In 2,006 zullen in de landbouw nog 2% (ipv 98) van de mensen een job vinden. 96% van de jobs in de sector, de facto de enige sector van de economie, zullen verdwijnen! Denk je niet dat ze geschokt zullen zijn, en zich wanhopig zullen afvragen waar ze van zullen moeten leven?
En toch is de reden waarom al die jobs verdwijnen dat de landbouw zo ontzettend productief is geworden, dat het probleem vaak is dat die 2% teveel produceren, zodat de prijzen crashen.
Het gevolg is dat de prijzen van voedsel, door de simpele wet van vraag en aanbod, dalen. Het gevolg was ook dat de samenleving heel andere activiteiten kon dragen. De mensen uit de pré-industriële samenleving kunnen het zich onmogelijk voorstellen, maar al die jobs uit de landbouw zijn vervangen door jobs als (echte) dokters, en bankiers, en een uitgebreid lerarenkorps, en een uitgebreide amusementssctor, en informatica, en communicatie, en jobs in de energiesector, het staal, het glas, en massa’s diensten.
En in lijnrechte tegenstelling tot wat de ontzette bevolking van de landbouwgemeenschap zou denken, is de samenleving veel, en veel, en nog een keer veel rijker geworden, dan toen de werkgelegenheid in de landbouwsector nog zo goed als gegarandeerd was. Mensen in een samenleving waarin velen aan de slag kunnen als leraar of bediende (enzovoort) zijn veel beter af dan mensen van een samenleving die overwegend in de landbouwsector werkt. Tot vandaag kunnen we dat zien in samenlevingen die inderdaad nog steeds grotendeels landbouwsamenlevingen zijn in, zeg, Afrika.
Natuurlijk, de omzetting van de landbouwjobs in “andere” jobs is iets dat wel eerst nog moet gebeuren. En dat is de sleutel tot vragen naar de gevolgen van de globalizering op de industrie. Wij die leven in 2,006 kunnen ons praktisch niet voorstellen waar de welvaart van het jaar 2,100 of 2,200 zal vandaan komen. Zal er een energieproductie bestaan die maakt dat onze energie er even primitief uitziet als de landbouw van de Grieken voor ons lijkt? We weten het niet, en we kunnen het niet weten.
Maar we zouden wel kunnen de verkeerde maatregelen nemen. Er zijn massa’s manieren om de kans te verminderen dat die nieuwe ideeën en technieken inderdaad ontstaan. Als de pré-industriële overheid zijn uiterste best had gedaan om te verhinderen dat de wetenschappelijke, technologische en industriële revolutie zich konden doorzetten, dan zaten we nu wellicht nog in de middeleeuwen.
Niemand kan zeggen wat de nieuwe richting zal zijn. Maar we kunnen wel al een aantal technologieën aanwijzen waarin grote beloftes besloten liggen. Kernenergie. Biotechnologie. Allemaal dingen waarin België overigens ervaring in heeft. Maar ook allemaal dingen waarin overheden, om ideologische en “ethische” redenen probeert het leven zo moeilijk te maken.
Of ze het graag horen of niet; of ze het zelfs maar begrijpen of niet, doet er van geen kanten toe. Het feit blijft onveranderd dat overheden die zich verzetten tegen technologische ontwikkelingen de beste garantie zijn voor de verdere verarming van de samenleving, zoals dat zich zal uitdrukken in onder andere werkloosheid.
En dat verandert niet als ze dat begraven onder lagen rhetoriek over sociaal dit en sociaal dat en “solidariteit” enzovoort. En dat verandert ook niet als ze dat alleen maar luider gaan roepen, en zelfs niet als ze de mensen die daarop wijzen voor “oplichters” uitschelden.
Abonneren op:
Posts (Atom)